De zaal in het donker (de lezer)
Over een zaligspreking die aan niemand in de scène is gericht, de tweeling van de afwezige, en wat er overblijft als het licht uitgaat
Zij komt na de opstelling naar me toe, een van de mensen die op de stoelen zat en niet in de kring stond. Ze zegt: ik heb niets gedaan. Ik heb alleen gekeken. En toch is er iets met me gebeurd, en ik weet niet wat ik daarmee moet, want ik was er niet bij.
Ik heb die zin vaak gehoord, en ik heb er lang geen antwoord op gehad. De mensen in de kring hebben iets meegemaakt; zij kunnen erover vertellen. De mensen op de stoelen hebben gekeken, in het halfdonker, en zijn daarna anders naar huis gegaan zonder dat er iets van hen is gevraagd. Ik dacht dat de kring het toneel was en de stoelen de zaal.
Johannes 20:29 zegt dat het andersom is.
Dertien mensen hebben gekeken en niet gezien. Nathanaël wist het al. Nicodemus kwam in de nacht. De menigte at het teken op. De broers gaven goed advies. De Farizeeën zeiden wij zien. Kajafas rekende. Judas taxeerde. De Grieken wilden zien. Filippus vroeg om een demonstratie. Petrus warmde zich. Pilatus stelde de vraag en ging naar buiten. Maria zocht een dode. Thomas stelde een voorwaarde.
En twee hebben wel gezien: een vrouw bij een put die als eerste iets waars over zichzelf zei, en een man die nooit had gezien en daarom niet wist wat hij hoorde te zien. Allebei buiten de stad, buiten de synagoge, allebei uitgesproken en gevonden.
Dan Thomas. Hij krijgt zijn voorwaarde woordelijk terug, laat de vinger waar hij is en zegt de hoogste belijdenis van het boek. Het theater zou hier kunnen eindigen. De laatste toeschouwer heeft gezien.
En dan draait Jezus zich van hem af en zegt een zin die aan niemand in de kamer is gericht:
Omdat je mij gezien hebt, heb je geloofd. Zalig die niet gezien hebben en toch geloven.
Ik lees de zin langzaam, want de vertalingen maken er te snel een lesje van.
Het kan een vraag zijn of een vaststelling; het Grieks laat het open. Omdat je gezien hebt, geloof je. Er staat geen verwijt in. Thomas krijgt niet te horen dat hij het verkeerd heeft gedaan. Hij krijgt te horen wat er bij hem is gebeurd: zien, en toen geloven. De volgorde van iedereen in dit boek die iets heeft gezien.
En dan de zaligspreking. Zalig die niet gezien hebben en geloofd hebben. Beide werkwoorden staan in de voltooide vorm, alsof het al gebeurd is. Er is in het hele evangelie maar één andere zaligspreking, aan tafel, na de voetwassing: als jullie dit weten, zalig zijn jullie als jullie het doen. Twee keer makarioi, en beide keren over iets wat de toeschouwer niet kan zien en wel kan doen.
Over wie gaat de zin? In de kamer zit niemand meer die niet heeft gezien. De tien hebben gezien, Thomas heeft gezien, Maria heeft gezien. Er is in de scène geen mens op wie niet gezien van toepassing is. De zin gaat over de rand van het toneel heen. Ze gaat naar de enige toeschouwer die per definitie niets ziet.
Naar de lezer.
Het boek opende met een zaal. Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, etheasametha, het werkwoord van het theater; wij zaten op de banken en het is voor ons opgevoerd. Johannes de Oudere, de Judeeër, de man die het huis van de hogepriester van binnen kende, zat op de eerste rij en schrijft het op als oude man, met het uur erbij. Het tiende uur. Zo precies onthoudt iemand die er was.
En het boek eindigt met een zaal waarin het licht uit is. De laatste zaligspreking gaat naar mensen die nooit op de eerste rij hebben gezeten en nooit zullen zitten. Naar wie het alleen kan hebben als verslag van wie er zat.
Dat is wat Johannes in het vers erna zegt, met de droogste zin van het boek: Jezus heeft nog veel andere tekenen gedaan, die niet in dit boek geschreven zijn; maar deze zijn geschreven opdat jullie geloven. Opdat jullie. Tweede persoon meervoud, voor het eerst rechtstreeks aan de zaal. Het zien van de schrijver is de reden dat de lezer niet hoeft te zien. Hij heeft gekeken zodat wij het niet hoeven. Dat is wat een getuige doet, en waarom dit evangelie het woord zevenenveertig keer nodig had.
Thomas heet Tweeling. Ik heb in het vorige stuk gezegd dat hij de tweeling is van wie er wél bij was: de afwezige en de aanwezige, twee helften van één ervaring. Nu zie ik de andere kant. Thomas was afwezig op de eerste avond en aanwezig op de achtste. De lezer is afwezig op beide. Als Thomas de tweeling is van wie erbij was, is de lezer de tweeling van Thomas: de afwezige die geen achtste dag krijgt.
Aan die tweeling wordt de zaligspreking gezegd. Niet aan Thomas, die het uiteindelijk heeft gezien. Aan zijn helft in het donker, die het niet zal zien en die alleen zijn woorden heeft, teruggegeven in een boek.
Hier hoor ik het Hebreeuws, want het Grieks maakt de zin te licht.
Zalig die niet gezien hebben en geloven. Geloven is pisteuein, en achter pisteuein staat he’emin, van aman, de wortel van emet, waarheid. Dezelfde wortel als de omen, de voedster die een kind draagt. Geloven is niet iets aannemen. Het is gedragen worden door wat je niet kunt zien. Het kind in de armen van de voedster ziet haar gezicht niet; het voelt dat het gedragen wordt. Dat is wat de laatste zaligspreking van de lezer vraagt en aan hem belooft: niet zien, wel gedragen worden.
Vijfenvijftig keer heeft Johannes over waarheid gesproken alsof zij te zien was. Onverborgen, in het licht, op het toneel. En in de laatste zin die hij Jezus tegen een mens laat zeggen, blijkt de waarheid iets waar je op staat zonder te hebben gekeken of het er is. Alētheia voor wie zag. Emet voor wie leest.
Waarom draait het theater om?
Omdat een zaal die alleen kijkt, niets is. Dat is wat de dertien hebben laten zien: je kunt op de eerste rij zitten, drie jaar lang, met het teken in je mond en de wond onder je vingers, en niet zien. Zien gebeurde in dit boek nooit door het kijken. Het gebeurde door een naam in de moedertaal, door je eigen woorden die terugkwamen, door de erkenning van het ene ware ding, door gevonden worden buiten de stad. Het oog was nooit het orgaan. De zaal met het licht aan had geen voorsprong.
En dus kan de zaal met het licht uit geen achterstand hebben. Dat is de omkering. De lezer die niets ziet, mist niets wat de dertien wel hadden. Wat zij hadden, hielp hen niet. Wat hij mist, is niet de voorwaarde.
Wat er dan overblijft, in het donker, is wat de vrouw op de stoel na de opstelling had. Ze had gekeken, ze was er niet bij, en er was toch iets gebeurd. Ik weet nu wat ik haar had moeten zeggen. De kring was niet het toneel. Jij was het. Wat daar werd opgevoerd, werd voor jou opgevoerd, en de vraag was nooit of je het zag. De vraag was of je je liet dragen door wat je niet zag.
Wat kun je hiermee.
Je kunt ophouden te wachten tot je het gezien hebt. De hele reeks door hebben mensen iets tussen zichzelf en wat er stond gezet: een oordeel, een tijdstip, een som, een voorwaarde. En de laatste zin van het boek zegt dat het zien nooit de deur was. Als je wacht met bewegen tot je het hebt gezien, wacht je op wat de dertien ook hadden en wat hen niet hielp.
Je kunt je afwezigheid ernstig nemen zonder haar tot tekort te maken. Je was er niet bij. Bij de scheiding van je ouders niet, bij de oorlog van je grootvader niet, bij wat er in het bedrijf gebeurde voordat jij kwam niet. Je hebt het als verhaal. Dat is de positie van de lezer, en Johannes zegt niet dat die positie minder is. Hij zegt dat de zaligspreking eraan is gericht.
Je kunt letten op de tweeling. Wie er wel bij was, draagt de helft van de ervaring die jij niet hebt. Thomas werd heel doordat zijn woorden terugkwamen van iemand die erbij was toen hij ze zei. Zoek wie erbij was. Niet om het bewijs. Om de andere helft.
En je kunt weten dat er meer is dan wat geschreven staat. Dat is de laatste zin van het boek, na de zaligspreking, na alles: de wereld zou de boeken niet kunnen bevatten. De lezer krijgt een tekst en de mededeling dat de tekst het niet is. Dat is geen tekort van het boek. Het is de reden dat het boek de zaal aan het donker teruggeeft en zegt: daar begint het.
Het licht gaat uit. Wie dan nog zit, is niet te laat gekomen. Voor hem is het geschreven.
Centrale figuren in dit artikel:
de lezer,
Thomas als tweeling van de afwezige,
Johannes de ooggetuige op de eerste rij,
de vrouw op de stoel na de opstelling
Bijbelgedeelten:
Johannes 20:29 (omdat je gezien hebt; zalig die niet gezien hebben);
Johannes 20:30-31 (deze zijn geschreven opdat jullie geloven);
Johannes 21:24-25 (dit is de leerling die getuigt; de wereld zou de boeken niet bevatten);
Johannes 13:17 (zalig zijn jullie als jullie het doen);
Johannes 1:14 (wij hebben aanschouwd);
Johannes 1:39 (het tiende uur);
Johannes 20:24-28 (Thomas, de voorwaarde teruggegeven, de vinger die blijft);
Jesaja 7:9 (als jullie niet geloven, houden jullie geen stand)

