Tijden en Seizoenen in Hooglied
De tijden en seizoenen in Hooglied zijn veel meer dan achtergronddecor: ze weerspiegelen de innerlijke bewegingen van de liefde en van de ziel.
Hieronder vind je:
1. Welke seizoenen en momenten van de dag er worden genoemd
2. Wat hun symbolische en mystieke betekenis is
1. SEIZOENEN EN NATUURTYPEN
=> Lente (voorjaar)
Vers:
“De winter is voorbij, de regens zijn over en voorbij. De bloemen verschijnen op het veld, de zangtijd is aangebroken…”
(Hooglied 2:11–12)
Betekenis:
Liefde breekt open – het is tijd om tevoorschijn te komen.
Een beeld van nieuw begin, ontwaken, verlangen.
Mystiek: de ziel ontwaakt uit de koude slaap en komt tot leven in de tegenwoordigheid van de Geliefde.
=> Winter
Vers (impliciet):
“De winter is voorbij…” (Hooglied 2:11)
Betekenis:
Afwezigheid, wachttijd, inkeer.
Een periode van rust, maar ook van innerlijke voorbereiding.
Mystiek: de afwezigheid van de Geliefde (donkere nacht van de ziel), die nodig is vóór het ontwaken.
=> Oogst / rijping
Verzen:
“De vijgenboom toont zijn vruchten, de wijnstok bloeit” (2:13)
“In onze poorten zijn allerlei kostelijke vruchten” (7:13)
Betekenis:
Liefde draagt vrucht – verlangen wordt werkelijkheid.
Rijping betekent ook: de ziel is klaar voor overgave of vereniging.
In mystieke zin: het moment waarop de liefde vruchtbaar wordt in daden, inzicht of vrede.
2. TIJDSTIPPEN EN DAGDELEN
=> Ochtend / opstaan
Vers:
“Sta op, mijn liefste, mijn schone, kom!” (2:10)
Betekenis:
Oproep tot actieve liefde, beweging, ontwaken.
In spiritueel opzicht: wakker worden voor het goddelijke of de liefde.
=> Nacht
Verzen:
“’s Nachts op mijn bed zocht ik hem die mijn ziel liefheeft” (3:1)
“Toen ik sliep, waakte mijn hart” (5:2)
Betekenis:
Nacht is het uur van zoektocht, onzekerheid, verlangen.
Mystiek: de donkere nacht van de ziel — de afwezigheid van God of de Geliefde leidt tot dieper zoeken en uiteindelijk openbaring.
Ook een moment waarop dromen, visioenen of mystieke ervaringen plaatsvinden.
=> Wachten en timing
Verzen:
“Beweeg de liefde niet, wek haar niet vóórdat zij het wil” (2:7, 3:5, 8:4)
Betekenis:
Liefde kent haar eigen ritme — forceren breekt af wat moet groeien.
Een krachtige mystieke les: overgave aan de goddelijke timing, geduld hebben voor innerlijke groei en relatie.
SAMENVATTEND: SYMBOLISCHE BETEKENIS
| Tijd/Seizoen | Letterlijk | Symbolisch/mystiek |
|---|---|---|
| Winter | Rust, kou, afwezigheid | Stilte, voorbereiding, donkere nacht van de ziel |
| Lente | Ontwaken, bloei, vogelzang | Liefde ontwaakt, ziel komt tot leven, nieuwe genade |
| Zomer/oogst | Rijping, vruchten, overvloed | Vruchtbaarheid van liefde, spirituele volwassenheid |
| Nacht | Zoeken in het donker | Innerlijke strijd, verlangen naar God, mystiek zoeken |
| Ochtend | Opstaan, roeping | Herleving, oproep tot liefde en spiritueel bewustzijn |
| Timing | Geduld, liefde mag niet geforceerd worden | Overgave aan de tijd van liefde en van de Ziel |
Tijden en seizoenen
Ad sheyafuach hayom. Tot de dag gaat ademen. De uitdrukking staat twee keer in het boek, en ik heb haar eerder gelezen zonder erbij stil te staan. Wanneer ademt een dag? De uitleggers zijn het niet eens. De koelte van de ochtend, zeggen sommigen, als de nachtwind opsteekt. De avondbries, zeggen anderen. Maar het werkwoord puach, blazen, ademen, en het woord ruach, wind, adem, brengen me terug naar de tuin van het begin. Daar hoorden Adam en Eva de stem van God die wandelde in de tuin, leruach hayom. In de wind van de dag. Het uur waarop God door de tuin liep, was het uur waarop de dag ademt.
Dat was ook het uur waarop de mens zich verstopte. Ze hoorden Hem en verborgen zich tussen de bomen. In het Hooglied is het uur waarop de dag gaat ademen het uur tot wanneer de geliefden samenblijven, of het uur waarop hij naar de bergen gaat. Hetzelfde tijdstip dat in Eden het begin van het verstoppen was, is in het Hooglied de grens van de nacht die samen wordt doorgebracht. Het uur van de wind is teruggekomen, en niemand verstopt zich.
Dan de middag. Eichah tarbits batsohorayim. Waar laat je de kudde rusten op de middag? Tsohorayim is een dualis, een tweevoud: het dubbele licht, het uur waarop de zon van twee kanten lijkt te schijnen, het uur zonder schaduw. Abraham zat bij de ingang van zijn tent kechom hayom, in de hitte van de dag, en toen verschenen de drie mannen. De broers van Jozef aten in Egypte met hem batsohorayim, op de middag, zonder te weten dat hij het was. Het middaguur is in de Bijbel het uur van de verschijning die niet herkend wordt. Zij vraagt waar hij is op het uur dat alles het helderst is en de herders rusten, en ze weet het niet. In het volste licht is hij het moeilijkst te vinden.
De seizoenen van het boek vormen, als je ze volgt, een kalender die ik eerst niet zag. In hoofdstuk 2 is de winter voorbij, de bloesem verschijnt, de vijgen zetten. Dat is aviv, de lente, de maand waarin Pesach valt. Chag ha’aviv, het feest van de lente, zo heet Pesach in de Tora. In hoofdstuk 7 geven de alruinen hun geur. In Genesis staat wanneer Ruben ze vond: bimei ketsir chitim, in de dagen van de tarweoogst. De tarweoogst is Sjavoeot, het wekenfeest, vijftig dagen na Pesach. En in hetzelfde hoofdstuk is haar buik een hoop tarwe.
Het boek loopt van Pesach naar Sjavoeot. Van de uittocht naar de Sinai. Tussen die twee feesten telt men zeven weken, elke dag, de telling van de omer. Negenenveertig dagen van voorbereiding, van de bevrijding naar het verbond. In de joodse traditie is Sjavoeot de dag van de bruiloft tussen God en Israël. Het Hooglied wordt met Pesach gelezen, maar zijn seizoenen reiken tot de bruiloft. Op Sjavoeot wordt het boek Ruth gelezen, over een vrouw die in de tarweoogst naar een man ging die op de dorsvloer sliep.
Een midrasj zegt iets over de levensfasen van Salomo dat ik bij deze kalender wil leggen. Salomo schreef drie boeken. Het Hooglied in zijn jeugd, de Spreuken in zijn volwassenheid, Prediker in zijn ouderdom. Als een mens jong is, zingt hij liederen. Als hij volwassen wordt, spreekt hij in spreuken. Als hij oud wordt, zegt hij: ijdelheid der ijdelheden. Een andere rabbijn draait het om: eerst Prediker, dan Spreuken, en pas aan het eind het Hooglied, omdat een mens pas op het laatst leert zingen.
Ik voel beide. Er is een liefde die jong is, die in de lente bloeit en niet weet wat winter is. En er is een liefde die pas kan zingen nadat ze door de ijdelheid heen is gegaan, door de ontdekking dat alles voorbijgaat, door de spreuken en regels die niet werkten. Die tweede liefde weet wat winter is, en zegt daarom zo zeker: de winter is voorbij. Het is de oude mens die het meest van de lente weet.
Er is één seizoen dat in het boek ontbreekt. Het najaar, de tijd van Soekot, van de loofhutten, van de laatste oogst en de eerste regen. En de winter wordt alleen genoemd als voorbij. Het boek leeft in de helft van het jaar waarin alles groeit. Misschien omdat de liefde die het beschrijft nog onderweg is, tussen de bevrijding en het verbond. Het najaar, de tijd van binnenhalen en schuilen in een hut, komt niet. Misschien komt het nog.
