Getraind in resonantie en daardoor niet bewoond
SAMENVATTING:
Als je een alleengeboren tweeling bent, heb je je allereerste ontwikkeling niet alleen doorgemaakt. In de baarmoeder was er een ander lichaam, een ander ritme, een ander “iemand”. Dat contact verdween, vaak heel vroeg, zonder woorden, zonder herinneringen – maar niet zonder indruk.
Je lichaam heeft iets meegemaakt vóórdat je er woorden voor had
Nog vóór denken, vóór taal, leerde je lichaam:
– hoe het is om afgestemd te zijn
– hoe het is om niet alleen te zijn
– en hoe het is om die afstemming weer te verliezen
Dat verlies wordt niet opgeslagen als een herinnering, maar als een lichaamstoestand. Je zenuwstelsel heeft geleerd: verbinding is levensbelangrijk.
Je bent mogelijk extreem gevoelig voor anderen
Veel AGT’s merken dat ze:
– stemmingen van anderen snel aanvoelen
– zich automatisch aanpassen
– moeilijk weten: wat is van mij en wat is van de ander?
Dat is geen zwakte. Het is een diep ingesleten afstemmingsvermogen. Je brein en lichaam zijn getraind in resonantie, niet in afzondering.
Je zelfgevoel kan meer relationeel dan lichamelijk zijn
In plaats van: “Ik voel wat ik nodig heb” kan het vaker zo voelen als: “Ik weet wie ik ben via de ander”
Je rust, veiligheid of richting ontstaat sneller in contact dan van binnenuit. Dat kan zich uiten als:
– moeite met alleen zijn (of juist jezelf verliezen in relaties)
– een vaag of wisselend zelfgevoel
– moeilijk voelen wat je écht wilt of nodig hebt
Niet omdat je geen kern hebt – maar omdat je kern vroeg relationeel werd georganiseerd.
Dit is géén dissociatie en géén stoornis
Belangrijk: Dit is meestal geen psychopathologie.
Je bent niet “afgesneden” van jezelf.
Je bent afgestemd vóór je belichaamd was.
Wat ooit een overlevingsstrategie was – verbonden blijven om te kunnen bestaan – is een structureel patroon geworden.
Wat kan dit in je volwassen leven betekenen?
Je kunt merken dat:
– je diep loyaal bent
– relaties intens zijn
– afscheid, verlies of afstand je harder raakt dan logisch lijkt
– je snel verantwoordelijkheid voelt voor harmonie
– je lichaam signalen geeft (vermoeidheid, spanning) die je lang negeert
Tegelijk heb je vaak:
– sterke empathie
– fijngevoeligheid
– het vermogen om echt te verbinden
– een groot relationeel bewustzijn
Groei betekent niet “minder voelen”, maar meer belichamen
Herstel of groei zit niet in loslaten van verbinding, maar in:
– leren luisteren naar je lichaam
– je eigen ritme leren voelen
– ontdekken dat je ook zonder de ander kunt bestaan
– afstemming toevoegen aan zelfgevoel, niet andersom
Niet: “ik moet zelfstandiger worden” Maar: “ik mag leren dat ik er al ben”
In één zin: Als alleengeboren tweeling ben je niet te gevoelig of te afhankelijk — je bent te vroeg afgestemd geraakt op verbinding, en mag nu leren dat je lichaam ook een thuis is.

INGEWIKKELDE ONDERBOUWING:
Verstoorde belichaming en prenatale afstemming: een integratief model van alleen geboren tweelingervaringen
Met de term alleen geboren tweeling wordt verwezen naar individuen die oorspronkelijk deel uitmaakten van een meerlingzwangerschap, waarbij één of meerdere co-foetussen in een zeer vroeg stadium van de zwangerschap zijn overleden, vaak vóórdat de moeder zich bewust was van een meerling. Het verlies vindt doorgaans plaats in het eerste trimester en blijft in veel gevallen medisch, narratief en sociaal onbenoemd. Terwijl er wel signalen door de moeder in het begin van haar zwangerschap of door de verloskundigen tijdens de bevalling mogelijk zouden kunnen worden ervaren/gezien, maar vaak door onwetendheid niet opgepakt.
Vanuit ontwikkelingspsychologisch perspectief is dit type verlies fundamenteel anders dan postnataal verlies. Het betreft een pre-verbaal, pre-representatief en pre-symbolisch gebeuren. Er is geheugen op de ervaringen (er is nog geen beeld en er is zeker nog geen taal aan te geven), en daardoor een neurofysiologische imprint die ontstaat in een periode waarin het Zélf nog niet als afzonderlijke entiteit is georganiseerd, maar primair relationeel en sensorisch functioneert. Dit in tegenstelling tot kinderen die alleen in de baarmoeder ontstaan.
=> Embodiment versus Disembodiment
Embodiment verwijst naar het proces waarbij het subject zichzelf ervaart als gelokaliseerd binnen het eigen lichaam. Het betreft een continu, grotendeels impliciet gevoel van “ik ben hier, in dit lichaam”, voortkomend uit geïntegreerde somatosensorische (voelen van buitenaf – in huid, spieren en gewrichten), interoceptieve (voelen van binnenuit – afkomstig van organen) en proprioceptieve (waar is mijn lichaam en hoe beweegt het – voelen van houding en beweging) signalen.
Disembodiment daarentegen is geen absolute afwezigheid van lichamelijkheid, maar een verstoorde of onvolledige integratie van deze signalen in het zelfgevoel. Het individu functioneert wel lichamelijk, maar ervaart het lichaam niet als primaire referentie voor identiteit, veiligheid of oriëntatie. De mate van het eigen lichaam bewonen, of in het eigen lichaam geincarneerd zijn wordt dan niet ervaren, zowel door de persoon zelf als door mensen in de omgeving. Men is zo gericht op het verlies van de ander dat het somatosensorische deel overontwikkeld is.
Bij alleen geboren tweelingen wordt disembodiment in dit model niet begrepen als een psychopathologisch falen, maar als een adaptieve regulatiestrategie. Wanneer veiligheid en bestaan in de vroege ontwikkeling gekoppeld zijn aan relationele nabijheid in plaats van aan autonome lichamelijke ervaring en aanwezigheid, kan het lichaam impliciet worden gecodeerd als een onbetrouwbare of zelfs bedreigende plek om volledig aanwezig te zijn.
=> Interoceptie en Exteroceptie
Interoceptie verwijst naar de waarneming en integratie van signalen afkomstig uit het eigen lichaam, zoals hartslag, ademhaling, spierspanning, honger, pijn en interne temperatuur. Deze signalen vormen de neurobiologische basis van het basale zelfgevoel en emotionele regulatie.
Exteroceptie betreft de waarneming van prikkels uit de externe omgeving, inclusief sociale signalen zoals gezichtsuitdrukking, stemintonatie en lichaamshouding van anderen.
Bij alleen geboren tweelingen lijkt er vaak sprake van een functionele verschuiving in prioriteit: exteroceptieve en sociale informatie krijgt voorrang boven interoceptieve signalen. Het zenuwstelsel is primair gericht op het scannen, interpreteren en afstemmen op de ander, terwijl interne signalen zwakker worden geregistreerd of minder betrouwbaar aanvoelen.
Deze verschuiving is consistent met vroege co-regulatieprocessen, waarbij overleving niet afhankelijk was van individuele zelfregulatie, maar van voortdurende wederzijdse afstemming.
=> Sensorische afstemming en Neuronale resonantie
Tijdens een meerlingzwangerschap vindt er een intensieve vorm van sensorische afstemming plaats. Foetussen delen niet alleen de fysieke ruimte, maar zijn ook blootgesteld aan elkaars bewegingen, hartslagritmes en vibraties. Deze voortdurende nabijheid creëert een vorm van prenatale synchronisatie op sensorisch en autonoom niveau.
Neurologisch kan dit worden begrepen in termen van neuronale resonantie: het gelijktijdig vuren en afstemmen van neurale netwerken in reactie op gedeelde ritmische en sensorische input. Dit vormt een vroege basis voor relationele afstemming, empathie en gevoeligheid voor subtiele veranderingen in de ander.
Wanneer deze afstemming abrupt wegvalt door het verlies van de co-foetus, wordt het zenuwstelsel geconfronteerd met een plotselinge desynchronisatie. In afwezigheid van cognitieve verwerking wordt deze breuk fysiologisch gecodeerd als ontregeling. Het systeem blijft vervolgens gericht op het herstellen van resonantie, vaak door verhoogde externe gerichtheid en relationele sensitiviteit.
In dit model wordt neuronale resonantie dus niet gezien als pathologie, maar als een ontwikkelingsrest van een vroeg relationeel bestaansveld, waarin het zelf primair werd gevormd in afstemming, niet in afzondering, zoals bij degene die alleen zijn ontstaan.
Deze conceptualisering nodigt uit tot een verschuiving van denken in termen van tekort naar denken in termen van ontwikkeling onder uitzonderlijke omstandigheden. Wat later wordt ervaren als doodsangst, disembodiment of grensdiffusie, kan worden begrepen als de logische consequentie van een zenuwstelsel dat veiligheid ooit buiten het eigen lichaam moest organiseren.
Psychologische theoretische kaders
Objectrelatietheorie
Binnen de objectrelatietheorie (o.a. Klein, Winnicott, Fairbairn) wordt het zelf niet opgevat als een autonoom gegeven, maar als een structuur die ontstaat in en door vroege relaties. Het psychisch functioneren van het individu is vanaf het begin georganiseerd rondom interne objectrelaties: geïnternaliseerde representaties van de ander en van het zelf-in-relatie-tot-de-ander.
Vroege relationele ervaringen beïnvloeden daarmee direct de vorming van zelfrepresentaties. In normale ontwikkeling ontstaat geleidelijk een onderscheid tussen Zelf en object (de ander), mogelijk gemaakt door consistente aanwezigheid, afwezigheid en herstel van de primaire ander. Dit proces veronderstelt een omgeving waarin nabijheid en afstand betekenis krijgen binnen een stabiel relationeel kader, tussen moeder en kind.
Bij alleen geboren tweelingen wordt deze differentiatie bemoeilijkt door het karakter van de prenatale relatie. De co-foetus fungeert niet als een afzonderlijk “object” in psychologische zin, maar als een continu aanwezige relationele matrix. Het interne werkmodel dat hieruit kan voortkomen, is niet: “ik ben en ik heb relaties”, maar eerder:
“ik besta in verbondenheid” en als die ander er niet meer is, dan lijkt het ik zijn wezen kwijt te raken. Dus het Zelf wordt in dit model primair gedefinieerd als relationeel bestaand, niet als afzonderlijk subject. Wanneer deze relationele matrix abrupt wegvalt, ontbreekt de mogelijkheid tot psychische rouw of symbolisering, omdat het babytje geen idee heeft wat er gebeurd is. Het gevolg is een intern werkmodel waarin de ander structureel noodzakelijk blijft voor het gevoel van bestaan en coherentie.
Hechtingstheorie (Bowlby, Ainsworth)
De hechtingstheorie beschrijft hoe vroege ervaringen met beschikbaarheid, responsiviteit en regulatie van de ouder (verzorger) leiden tot interne werkmodellen van veiligheid, nabijheid en zelfwaarde. Volgens Bowlby vormt veilige hechting de basis voor exploratie: pas wanneer nabijheid als betrouwbaar wordt ervaren, kan het kind zich losmaken en de wereld verkennen.
In de context van alleen geboren tweelingen dient deze theorie echter te worden uitgebreid naar een prenataal niveau. De primaire vorm van veiligheid is hier niet postnataal relationeel, maar prenataal co-regulerend. De nabijheid van de co-foetus biedt een continue vorm van sensorische en autonome regulatie, nog vóórdat hechtingsgedrag in klassieke zin mogelijk is.
Wanneer deze nabijheid vroegtijdig verdwijnt, ontstaat er geen georganiseerde hechtingsstijl, maar een impliciete verwachting: veiligheid wordt niet gevonden in het eigen lichaam, maar in externe aanwezigheid! Exploratie van het eigen lichaam en de wereld kan daardoor onbewust als bedreigend worden ervaren, omdat het samenvalt met het oorspronkelijke verlies van regulerende nabijheid.
Dit resulteert in een hechtingspatroon waarin:
– externe afstemming prioriteit krijgt boven zelfregulatie
– nabijheid essentieel blijft voor interne stabiliteit
– autonomie gepaard kan gaan met angst of desorganisatie
Belangrijk is dat dit patroon niet noodzakelijk pathologisch is, maar contextueel en ontwikkelingslogisch.
Traumatheorie
Traumatheorie onderscheidt expliciet tussen trauma dat narratief kan worden herinnerd en pre-verbale traumatische ervaringen die uitsluitend impliciet (vanuit de ervaring, zonder beeld en taal) worden opgeslagen. Vroege traumatisering wordt niet gecodeerd in declaratief geheugen, maar in sensorische (zintuigen, waarneming), affectieve (gevoelens en emoties) en procedurele (handelingen en vaardigheden) systemen.
Het prenatale verlies van een co-foetus valt binnen deze categorie. Er is geen talige representatie, geen tijdsbesef en geen mogelijkheid tot mentale integratie. Wat resteert is een fysiologische en affectieve imprint, opgeslagen in het autonome zenuwstelsel en limbische structuren.
Kenmerkend voor dit type traumatische imprinting is:
– het ontbreken van een verhaal, maar de aanwezigheid van intense lichamelijke reacties, ervaringen
– activatie van doodsangst zonder herkenbare oorzaak
– dissociatieve of hyperafstemmende reacties bij nabijheid en afstand
Deze reacties zijn niet het gevolg van herinnering, maar van herhaling van een lichaamsstaat, een ervaring. Het lichaam reageert op actuele prikkels alsof het oorspronkelijke verlies opnieuw plaatsvindt, ervaren wordt.
Binnen dit kader kan disembodiment worden begrepen als een beschermende respons: door zich gedeeltelijk terug te trekken uit directe lichamelijke ervaring wordt overweldigende affectieve activatie vermeden. De nadruk op externe afstemming fungeert daarbij als een alternatieve regulatiestrategie.
Integratieve reflectie
Gezamenlijk laten deze drie theoretische kaders zien dat ervaringen van alleen geboren tweelingen niet adequaat begrepen kunnen worden vanuit één enkel psychologisch model. Het gaat om een complexe verwevenheid van:
– relationele zelfvorming (objectrelatietheorie),
– veiligheid en regulatie (hechtingstheorie),
– en pre-verbale traumacodering (traumatheorie).
Deze integratie maakt zichtbaar dat wat later wordt ervaren als angst, grensdiffusie of disembodiment, kan worden opgevat als de logische uitkomst van een vroeg relationeel georganiseerd zenuwstelsel, niet als een defect of stoornis.
Fysiologie van vroege ontwikkeling
Prenatale regulatie en synchronisatie
De prenatale ontwikkeling van het zenuwstelsel vindt plaats binnen een context van voortdurende regulatie. De foetus beschikt (nog) niet over autonome zelfregulatie, maar is aangewezen op externe en relationele regulerende systemen, waaronder het maternale lichaam en – in het geval van meerlingzwangerschappen – de aanwezigheid van een co-foetus.
Onderzoek naar meerlingzwangerschappen laat zien dat foetussen al vroeg vormen van fysiologische synchronisatie vertonen. Dit betreft onder meer:
– afstemming van hartslagritmes van de ander,
– wederzijdse beïnvloeding van bewegingspatronen,
– en synchronisatie van activatie- en rustcycli.
Deze synchronisatie is geen bewuste interactie, maar een automatisch gevolg van gedeelde sensorische input (trillingen, druk, beweging) en gedeelde hormonale omgeving. Het foetale zenuwstelsel leert regulatie niet als een intern proces, maar als een relationeel afgestemd gebeuren.
Cruciaal in deze afstemming zijn neuro-endocriene systemen zoals cortisol en oxytocine. Oxytocine speelt een rol in sociale binding en stressdemping, terwijl cortisol betrokken is bij activatie en stressrespons. In een stabiele prenatale context dragen deze systemen bij aan een gebalanceerde regulatie, waarbij nabijheid en ritme veiligheid bieden.

Foetale stress en neuro-endocriene reacties
Wanneer een co-foetus vroegtijdig overlijdt, verandert de prenatale omgeving abrupt! Hoewel direct empirisch onderzoek naar de subjectieve foetale ervaring ontbreekt, is bekend dat foetussen gevoelig zijn voor veranderingen in de biochemische en fysiologische context.
Het verlies van de co-foetus kan gepaard gaan met:
– veranderingen in circulatie en hormonale balans,
– verhoogde stressmediatoren,
– verstoring van eerder aanwezige ritmische input.
Deze veranderingen activeren de foetale stressrespons, primair gemedieerd via de hypothalamus-hypofyse-bijnier-as (HPA-as). Omdat deze as zich juist in deze periode ontwikkelt, kan vroeg verhoogde activatie leiden tot een verhoogde basale stressgevoeligheid.
Langetermijneffecten van vroege HPA-as-ontregeling, zoals verhoogde cortisolreactiviteit of verminderde stressdemping, zijn in andere contexten (bijvoorbeeld prenatale stress of vroegkinderlijk trauma) goed gedocumenteerd. Het is plausibel dat vergelijkbare mechanismen optreden bij vroeg prenataal verlies, zij het zonder expliciete herinnering.
Het lichaam leert in dit stadium niet wat er mis is, maar dat er gevaar is.

Het autonome zenuwstelsel (ANS)
Het autonome zenuwstelsel speelt een centrale rol in de regulatie van veiligheid, stress en sociale betrokkenheid. Volgens de Polyvagaal Theorie van Stephen Porges bestaat het ANS uit hiërarchisch georganiseerde systemen:
– het ventrale vagale systeem (sociale betrokkenheid en co-regulatie),
– het sympathische systeem (mobilisatie en actie),
– en het dorsale vagale systeem (immobilisatie en terugtrekking).

afbeelding – met dank aan: https://www.paulvangemert.nl/de-polyvagaaltheorie-handleiding-voor-beginners/
In vroege ontwikkeling is het ventrale vagale systeem primair afhankelijk van externe co-regulatie. Zelfregulatie ontstaat pas later, na herhaalde ervaringen van veilige afstemming.
Bij alleen geboren tweelingen kan de vroege afhankelijkheid van relationele regulatie versterkt worden door de prenatale synchronisatie met de co-foetus. Wanneer deze regulatie plots wegvalt, wordt het autonome zenuwstelsel gedwongen zich aan te passen zonder dat de capaciteit voor autonome zelfregulatie al ontwikkeld is.
Het gevolg kan zijn dat het ANS structureel blijft neigen naar:
– het zoeken van externe regulatie,
– verhoogde gevoeligheid voor sociale signalen,
– en moeite met interne stabiliteit zonder relationele context.
In dit licht kan disembodiment worden begrepen als een autonome strategie om overmatige activatie te vermijden, terwijl hyperafstemming op de ander fungeert als vervangende regulatiebron.
Integratieve samenvatting
De fysiologie van vroege ontwikkeling laat zien dat regulatie aanvankelijk niet individueel maar relationeel is. In het geval van een vroege tweelingbreuk wordt een systeem dat is afgestemd op synchronisatie en co-regulatie geconfronteerd met plotselinge desorganisatie. De latere neiging tot externe afstemming, verhoogde stressgevoeligheid en moeite met belichaming kan worden begrepen als de langetermijnconsequentie van deze vroege fysiologische aanpassing.
Neurowetenschappelijke onderbouwing
Interoceptieve netwerken (insula, somatosensorische cortex)
Interoceptie verwijst naar het vermogen om interne lichamelijke signalen waar te nemen en te integreren, zoals hartslag, ademhaling, spierspanning en visceraal gevoel. De insula speelt hierin een centrale rol als integratieknooppunt tussen lichamelijke signalen en bewuste ervaring, terwijl de somatosensorische cortex betrokken is bij de meer gedifferentieerde representatie van lichaamssensaties.
Bij een sterke externe afstemming (bijvoorbeeld voortdurende oriëntatie op anderen of de omgeving) kan de aandacht structureel verschuiven van interne naar externe signalen. Dit kan leiden tot verminderde interne coherentie: lichamelijke signalen worden minder accuraat gevoeld, geïntegreerd of benut voor zelfregulatie. Hierdoor verzwakt het belichaamde gevoel van “ik ben hier in mijn lichaam”.
Spiegelneuronen systeem (premotor cortex, pariëtale gebieden)
Het spiegelneuronwn systeem is betrokken bij het herkennen, voorspellen en intern simuleren van andermans handelingen, emoties en intenties. Deze neurale resonantie vormt een basis voor empathie-achtige processen en sociale afstemming.
Wanneer dit systeem dominant of overactief is, kan er een overmatige afhankelijkheid van externe sociale informatie ontstaan. Het zelf wordt dan sterker gereguleerd via de ander dan via interne signalen. In plaats van voelen wat er in mij gebeurt, wordt betekenis ontleend aan wat de ander doet, voelt of verwacht. Dit kan bijdragen aan vervaging van zelf-grenzen en een verminderde verankering in het eigen lichaam.
Het rustnetwerk van de hersenen – Default Mode Network (DMN)
Het rustnetwerk van de hersenen is betrokken bij zelfrepresentatie, autobiografisch geheugen en het ervaren van een continu zelf in de tijd. Binnen dit netwerk wordt ook het concept van het “minimal self” ondersteund: het pre-reflectieve gevoel van aanwezig zijn als subject.
Bij dis-embodiment (vervreemding van het lichaam) lijkt er sprake van een verstoorde balans tussen het DMN en sensorisch-interoceptieve netwerken. Het zelf wordt dan meer cognitief en narratief gerepresenteerd (denken over jezelf) en minder belichaamd (voelen van jezelf). Dit kan resulteren in een abstract of gedissocieerd zelfgevoel, losgekoppeld van directe lichamelijke ervaring.

KORTOM:
– Verminderde interoceptieve verwerking -> zwakker lichamelijk zelfgevoel
– Overmatige sociale neurale resonantie -> externe regulatie van het zelf
– Verstoorde DMN-balans -> cognitief i.p.v. belichaamd zelf
Samen bieden deze netwerken een neurowetenschappelijke verklaring voor verschijnselen als dis-embodiment, verminderde zelfcoherentie en verhoogde externe afstemming.
Conceptueel Model: van prenataal proces naar volwassene
Prenatale synchronisatie -> postnatale afstemming
Tijdens de zwangerschap vindt er een voortdurende fysieke synchronisatie plaats tussen moeder en foetus: hartslag, hormonen, beweging en ritme zijn direct met elkaar verbonden. De foetus leert veiligheid en regulatie kennen via dit gedeelde lichamelijke systeem.
Na de geboorte verandert deze relatie fundamenteel. De fysieke eenheid maakt plaats voor psychologische en relationele afstemming. Regulatie verloopt niet langer automatisch via het lichaam van de moeder, maar via contact: stem, aanraking, gezichtsuitdrukking en timing. Het kind moet nu intern leren reguleren, ondersteund door de ander.
Wanneer deze overgang niet soepel verloopt, kan het kind blijven leunen op externe afstemming als primaire bron van regulatie.
Belichaming als onbewuste regelstrategie
Belichaming (embodiment) ontstaat idealiter wanneer interne lichamelijke signalen betrouwbaar zijn en gebruikt kunnen worden voor zelfregulatie. Wanneer dit onvoldoende lukt, kan een alternatieve strategie ontstaan: regulatie via de ander.
Wat aanvankelijk een overlevingsmechanisme is – afgestemd blijven op de omgeving om veiligheid te waarborgen – kan zich ontwikkelen tot een structureel patroon. Het lichaam wordt minder ervaren als interne bron van informatie, terwijl externe signalen (sociale cues, verwachtingen, emoties van anderen) leidend worden.
Deze strategie is onbewust en functioneel, maar kan op volwassen leeftijd leiden tot vervreemding van het eigen lichaam, moeite met grenzen en een diffuus zelfgevoel.
Dissociatie versus systemische afstemming
Het is belangrijk onderscheid te maken tussen dissociatie en systemische afstemming.
– Dissociatie is een psychopathologisch proces waarbij de verbinding met het lichaam, emoties of bewustzijn tijdelijk of chronisch wordt onderbroken als reactie op overweldiging of trauma.
– Systemische afstemming daarentegen is een relationeel affineringspatroon: het zelf blijft intact, maar is primair georiënteerd op de ander voor regulatie en betekenisgeving.
Hoewel beide gepaard kunnen gaan met verminderde belichaming, zijn ze niet hetzelfde. Systemische afstemming is geen stoornis, maar een adaptief relationeel patroon dat in bepaalde contexten zeer functioneel kan zijn, en in andere beperkingen kan opleveren.

Kern van het model: De overgang van prenatale synchronisatie naar postnatale afstemming vormt een cruciale ontwikkelingsfase. Wanneer interne regulatie zich onvoldoende ontwikkelt, kan externe afstemming een blijvende strategie worden. Dit verklaart hoe vroege relationele processen kunnen doorwerken in volwassen belichaming, zonder deze automatisch te pathologiseren.