De hardheid van het hart
Ze zegt: ‘ik hou het nog wel even vol!’ En terwijl ze het zegt, zie ik iets anders — haar schouders die al zijn weggezakt, haar stem die al is vertrokken. Het lichaam is al weg. Alleen de zin die ze uitspreekt is nog gebleven, als een jas die iemand nog aanheeft nadat hij het huis al heeft verlaten.
Dat verschil — tussen wat iemand zegt en wat er al gebeurd is — is waar ik moet beginnen. Niet bij de vraag of scheiden mag. Die vraag komt te laat. Ze doet alsof er nog iets te beslissen valt, terwijl het lichaam allang iets weet dat de wil nog niet heeft toegegeven.
Jezus krijgt in Mattheüs 19 dezelfde vraag voorgelegd, in de vorm van een striktere: mag een man zijn vrouw wegsturen om welke reden dan ook? De Farizeeën verwijzen naar Deuteronomium 24 — Mozes stond het toe, mits er een scheidbrief kwam. Wat mij opvalt is niet het antwoord dat Jezus geeft. Het is de beweging die eraan voorafgaat. Hij gaat niet in op de wet. Hij gaat terug naar Genesis — naar het moment vóór er ooit een wet nodig was. En dan zegt hij iets dat de vraag zelf ondermijnt: Mozes stond dit toe vanwege de hardheid van jullie hart. Niet: omdat de vrouw iets fout deed. Niet: omdat God van scheiding houdt of het haat. Vanwege iets dat al hard was voordat er ooit een scheidbrief werd geschreven.
Dat woord is waar ik langer moet blijven, dan me lief is. Het is geen morele diskwalificatie. Het is een diagnose. Een hart wordt niet hard omdat iemand slecht is! Het wordt hard omdat het op een bepaald moment iets moest verduren dat het niet kon verwerken zonder zich te sluiten. Vroegkinderlijk trauma is: gekregen wat je op dat moment niet nodig had, of niet gekregen wat je op dat moment wel nodig had. Maar ergens geldt dat ook voor de relatie. Een hart dat voortdurend moet ontvangen wat het niet aankan, of voortdurend moet missen wat het broodnodig heeft, doet op een gegeven moment het enige wat een systeem kan doen om te overleven. Het versteent. Niet uit boosaardigheid. Uit zelfbehoud.
En hier ligt de omkering die ik niet had verwacht toen ik dit ging uitzoeken: de scheidbrief van Mozes is geen vergunning om te vertrekken. Het is een erkenning dat er iets was verhard, ver vóór het vertrek — en dat het recht dat moest volgen, niet het verhaal van het huwelijk kon repareren, maar alleen de gevolgen ervan kon begrenzen.
Wat er dan concreet gebeurt — vernedering, geweld, liegen, stelen — is niet een rijtje afzonderlijke overtredingen waar je punten voor kunt geven totdat de teller vol is.
Het zijn de zichtbare sporen van een hart dat al niet meer reikt naar de ander.
Vernederen kan alleen als je de ander al niet meer ziet als gelijkwaardig.
Stelen — geld, tijd, aandacht, waarheid — kan alleen als je de ander al hebt afgeschreven als iemand aan wie je iets verschuldigd bent.
Liegen is de taal van een systeem dat de balans van geven en nemen al heeft opgegeven, omdat eerlijkheid een vorm van geven is die het niet meer kan opbrengen.
Dit zijn geen incidenten binnen een levend huwelijk. Het zijn de symptomen van een huwelijk waarvan het hart — niet het hart van de een of de ander, maar het derde, gezamenlijke hart dat een relatie is — al is gestorven.
Dan de tekst waar bijna elk kerkelijk gesprek over scheiden op vastloopt: Maleachi 2:16, “God haat het scheiden.”
Ik ben de Hebreeuwse tekst gaan bekijken, omdat ik niet met een vertaling genoegen wilde nemen waarvan ik de diepe betekenis niet kon bevatten . En de tekst zelf is niet wat de preek ervan maakt. Er staat letterlijk: want-hij-haat-hij-zendt-weg. Het werkwoord staat in de derde persoon, niet in de eerste.
Niet: “Ik haat.” Maar: “hij haat.”
De Joodse geleerden uit de vroege middeleeuwen laten open wie dat “hij” is — en een respectabele lezing, ondersteund door de Septuaginta en oudere vertaaltradities, luidt niet “God haat scheiding” maar “wie haat en wegzendt” — dat wil zeggen: wie zijn vrouw wegstuurt uit verachting, met geweld bedekt als een kledingstuk, terwijl hij net zo goed doet alsof hij trouw is gebleven. Niet het weggaan wordt veroordeeld. De verraderlijke manier van weggaan wordt veroordeeld — het wegsturen terwijl je net doet of het verbond nog intact is. Dat is een ander vers dan het vers dat wordt aangehaald om iemand op haar plek te houden.
Wat betekent het dan dat God iets “samenvoegt”, zoals Jezus verderop zegt — “wat God heeft samengevoegd, laat de mens niet scheiden”? Ik kom uit bij Weinreb, en bij een gematria die me niet meer loslaat. Het Hebreeuwse woord voor “één” heeft de getalswaarde 13. Het woord voor “liefde” heeft dezelfde getalswaarde: 13. Dat is geen toevalligheid in de mystieke lezing. Het is een leer: eenheid en liefde zijn hetzelfde getal, omdat ze dezelfde werkelijkheid zijn. Er bestaat geen “één-zijn” dat geen liefde is. Wat dat betekent voor het huwelijk is onverbiddelijk: als er geen ahavah meer is — geen chesed, geen trouw die zich in daden bewijst (!) — dan is er, in de taal van diezelfde mystiek, geen echad meer. Niet omdat een mens dat besluit. Omdat het getal het zegt. Het “één vlees” dat Genesis noemt, is geen juridische constructie die blijft bestaan zolang niemand de formulieren invult. Het is een levende toestand die ophoudt te bestaan op het moment dat de liefde waaruit ze bestond, is vervangen door vernedering, geweld, leugen en diefstal.
Dus wat “heeft God samengevoegd” precies samengevoegd, als de ahavah – de liefde – al dood is?
Dat is de vraag die ik niet mag overslaan, ook al is hij ongemakkelijk voor wie graag met de tekst een mens op zijn plaats wil houden.
Paulus, in 1 Korintiërs 7, gaat een andere kant op dan wie hem citeert om te blijven aandringen op volhouden. Hij spreekt over de gelovige die verlaten wordt door een ongelovige partner en zegt: in zulke gevallen is de broeder of zuster niet gebonden, niet tot slaaf gemaakt. Het woord is scherp gekozen. Niet “vrij om te kiezen.” Niet gebonden aan slavernij. En de reden die hij geeft is niet juridisch, maar theologisch: “God heeft ons geroepen tot vrede.” Vrede — niet volharding om het volharden, niet een instandhouding van de vorm terwijl de inhoud allang is uitgehold.
Wat Eugen Drewermann in dit soort teksten steeds weer blootlegt, is hoe een instituut de letter van de wet gebruikt om precies dat te doen wat Jezus de Farizeeën verwijt: het instandhouden van een vorm terwijl het lijden van de mens erin wordt genegeerd; hypocrisie. Een kerk, een familie, een omgeving die iemand aanspoort te blijven bij vernedering en geweld “omdat God het huwelijk heeft ingesteld”, herhaalt daarmee — onbedoeld, vroom, overtuigd van haar eigen goedheid — precies de sklerokardia (verhard hart) die Jezus bij de Farizeeën signaleert. Alleen ligt de hardheid nu niet bij wie vertrekt. Ze ligt bij wie de tekst gebruikt om het vertrek onmogelijk te maken.
Bert Hellinger’s vier wetten laten zien waarom dat zo’n schade aanricht.
Er bij horen — het eerste recht van ieder lid van een systeem — wordt ontzegd aan wie wordt vernederd, terwijl het paradoxaal wordt toegekend aan wie vernedert, zolang hij “getrouwd blijft.”
Erkennen wat er is wordt onmogelijk zolang de omgeving volhoudt dat het huwelijk nog leeft, terwijl iedereen — inclusief de kinderen — al lang weet dat het is gestorven.
De juiste plaats innemen betekent hier: niet langer de plaats bezetten van wie het uithoudt, als die plaats haar heeft opgegeten.
En de balans van geven en nemen — die kan pas hersteld worden wanneer je stopt met geven aan een systeem dat alleen nog neemt, en niets meer teruggeeft dan leegte, angst en leugens.
Kazimierz Dąbrowski zou hier misschien het minst willen troosten van iedereen. Voor hem is de crisis zelf — het besef dat het oude aanpassen niet langer houdbaar is — geen instorting die vermeden moet worden. Het is positieve desintegratie: het uiteenvallen van een lager niveau van functioneren, aangepast, zelfverloochenend, op weg naar een hoger niveau waarin de persoon zichzelf niet langer prijsgeeft aan wat haar vernietigt. De pijn van die instorting is geen teken dat er iets misgaat. Het is het teken dat er iets aan het gebeuren is dat niet zonder pijn kan.
Ik kom dus niet uit bij een lijst — drie bijbelse gronden, plus een vierde voor vernedering, plus een vijfde voor diefstal, netjes afgevinkt. Ik kom uit bij iets ongemakkelijkers: de tekst zelf plaatst het probleem niet bij het vertrek, maar bij het hart dat al hard is geworden — en bij wie dat harde hart in stand houdt door net te doen alsof het verbond nog leeft. De vraag is dan niet: mag ik van God weggaan. De vraag is: is er, in wat er nu nog “huwelijk” heet, nog een echad — een eenheid die ahavah (liefde) is — of houd ik alleen nog de vorm in stand van iets waarvan de inhoud allang is gestorven.
Dat is geen vraag die ik voor een ander kan beantwoorden. De tekst doet dat ook niet. Hij wijst alleen aan waar je moet kijken.

