Het minderen dat je niet zelf doet
Johannes 3:30 [Hij moet meer worden, maar ik minder] en waarom de zin in de lijdende vorm staat
Er wordt geteld aan de Jordaan, en het zijn niet Johannes’ ogen die tellen. Zijn leerlingen komen bij hem met een waarneming die ze zelf hebben gedaan: die man die bij u was, aan wie u getuigenis gaf, die doopt nu ook — en állen gaan naar hem toe. Het cijfer komt van buiten. Het wordt gebracht door mensen die het goed met hem menen, die zijn eer verdedigen, en die daarmee de vraag in hem leggen die er zonder hen niet was.
Zo gaat het bijna altijd. Bijna niemand ontdekt zelf dat hij minder wordt. Iemand anders komt het vertellen, met de beste bedoelingen, in de vorm van een vergelijking. Je zoon zegt dat de buurman het sneller doet. Je collega zegt dat de nieuwe manager in drie maanden meer voor elkaar kreeg. Je vrouw zegt niets, en dat zegt genoeg. Het minderen begint als informatie van buiten, en pas daarna wordt het iets wat je aan jezelf moet toelaten.
Johannes antwoordt niet op het cijfer. Hij antwoordt op de bodem eronder: een mens kan niets aannemen dat hem niet uit de hemel gegeven is. En dan volgen zeven woorden waarin het Grieks iets doet wat het Hebreeuws niet kan.
Het woord dat in het Hebreeuws niet bestaat
“Die daar moet groeien, ik moet minder gemaakt worden.”
Die is onpersoonlijk. Het is niet: ik behoor, ik zou moeten, het siert mij. Het is: het is noodzakelijk, van elders, buiten de wil om. In dit evangelie is dat woord gereserveerd voor wat God doet — je moet van boven geboren worden, de Mensenzoon moet verhoogd worden. Nooit staat er een menselijk besluit achter.
En hier wordt het interessant, want probeer die zin eens terug te vertalen. Hebreeuws heeft geen woord voor dat onpersoonlijke moeten. Er is geen dei. Wie de zin terugbrengt naar de taal waarin Johannes hem waarschijnlijk gesproken heeft, houdt twee simpele imperfecta over: “Hij zal groot worden, ik zal klein worden.”
Dat is geen verzwakking van de zin. Het is de kern ervan. Het Hebreeuwse imperfectum doet drie dingen tegelijk die wij uit elkaar hebben gehaald: het beschrijft wat komt, het zegt wat moet, en het laat ruimte voor wat gewenst wordt. Toekomst, noodzaak en verlangen zijn in die taal één vorm. Het Grieks moest daar een hulpwerkwoord bij verzinnen, en met dat hulpwerkwoord is er een spleet ontstaan waar tweeduizend jaar vroomheid in is gekropen: als er moet staat, dan is er kennelijk iets te presteren. Dan wordt het een opdracht. Dan wordt de zin een deugd.
Maar wie hem hoort zoals hij klonk, hoort geen opdracht. Hij hoort een beweging die aan het gebeuren is, zoals eb aan het gebeuren is.
Twee werkwoorden, twee standen
Groeien is actief, zoals graan groeit. Het is het woord van Genesis 1: weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u. Het zaadwoord, het scheppingswoord.
“Minder gemáákt worden” is passief.
Er staat niet dat Johannes zich terugtrekt. Er staat dat er aan hem iets wordt gedaan. Dat verschil is de hele zin, en het is precies wat verdwijnt zodra iemand het vers gebruikt om zichzelf op te leggen dat hij zich kleiner moet maken. Zelfverkleining is een activiteit. Er zit een handelende ik in, die besluit, die uitvoert, die het ook nog een beetje ziet. Dat is de tegenovergestelde grammatica van wat er staat.
Wie zichzelf kleiner máákt, is niet klein. Hij is groot bezig met zijn kleinheid.
Wat ruimte maakt
Toch is er in de joodse mystiek precies één plek waar het minderen wél als daad verschijnt, en die daad is niet van een mens.
De Lurianische joodse mystiek begint niet met scheppen maar met wijken. Voordat er iets kan zijn, moet er ergens niet-God zijn, en dus trekt het Oneindige zich terug in zichzelf om een ruimte te laten ontstaan waarin een ander kan bestaan. Tsimtsoem: samentrekking. De eerste beweging in de richting van de schepping is een afname.
Dat is zestiende-eeuws Safed en dus eeuwen na Johannes, maar het idee heeft een veel oudere wortel, en die staat gewoon in de Tora. Als de tabernakel af is, daalt de heerlijkheid neer en vult de tent — en Mozes kán niet naar binnen. Waar het volle er is, is voor de mens geen plaats. Het probleem van de ruimte is er vanaf het begin: twee kunnen niet tegelijk op dezelfde plek volledig aanwezig zijn.
In die lijn is het minderen van Johannes geen morele daad en ook geen tragedie. Het is de holte die ontstaat. Hij maakt geen plaats vrij als gebaar van beleefdheid; er wordt plaats in hem vrijgemaakt, en dat doet wat het doet.
De maan die moest inbinden
Er is één verhaal in de Talmoed dat deze zin volledig in zich draagt, en het gaat over het licht.
Op de vierde dag maakt God twee grote lichten, staat er in Genesis 1:16 — en in dezelfde zin staat dat het ene het grote licht is en het andere het kleine. Twee grote, en dan meteen een groot en een klein. De maan ziet het en zegt: kunnen twee koningen één kroon dragen? Waarop het antwoord komt: ga en maak jezelf minder.
Zij protesteert. Omdat ik het goede heb gezegd, moet ik mijzelf verkleinen? Er volgt een reeks vergoedingen — de sterren erbij, de rechtvaardigen die haar naam dragen: Jakob de kleine, Samuël de kleine, David de kleine. Geen van die vergoedingen troost haar. En dan gebeurt er iets waar ik telkens weer op stuk loop: God zegt, breng een verzoening voor Míj, omdat Ik de maan verkleind heb. Het zondoffer van elke nieuwe maan, het enige offer in de Tora dat voor de HEER heet, is er om die verkleining recht te zetten.
Het afnemen moest gebeuren en het is niet in orde. Beide tegelijk, zonder oplossing. In de hele traditie is dit de enige plek waar God zelf om verzoening vraagt, en het gaat over een afname die Hij zelf heeft opgelegd.
Wie Johannes 3:30 leest als een vrome berusting, leest niet in deze traditie. Hier staat dat noodzakelijk minderen een wond achterlaat waarvoor iets gebracht moet worden. Niet omdat er iets fout ging. Omdat het pijn deed.
Wat niets van zichzelf heeft
De maan is in de joods mystiek de tiende sefira, Malchoet, het koninkrijk, en van haar wordt in het Zohar gezegd: zij heeft niets uit zichzelf. Alles wat zij is, is ontvangen licht. Zij straalt en niets ervan is van haar.
Lees dan nog eens wat Johannes zegt vlak voordat hij die zeven woorden uitspreekt. Een mens kan niets aannemen tenzij het hem uit de hemel gegeven is.
Dat is niet zomaar een vroom principe dat hij erbij haalt. Het is de definitie van de plaats waar hij staat. Hij beschrijft zichzelf als maan. En zijn hele bediening klopt daarmee: hij is de laatste van de nacht, hij is er om aan te wijzen waar het licht vandaan komt, en zijn functie eindigt bij zonsopgang — niet doordat hij faalt, maar doordat het licht dat hij weerkaatste er zelf is.
Er is geen enkele manier waarop de maan de zon kan worden. En er is ook geen enkele reden waarom ze dat zou moeten. Wat er in de tekst gebeurt, is dat iemand ophoudt te doen alsof hij zelf brandt.
De grotere die de mindere dient
De taal van groot en klein loopt door de hele Schrift, en steeds langs dezelfde onmogelijke lijn.
De meerdere zal de mindere dienen, wordt tegen Rebekka gezegd terwijl de tweeling nog in haar is. Reken het na en er gebeurt iets. Jakob, hij zal dienen, is in getalswaarde zesentachtig. Precies de waarde van Elohim, en precies de waarde van ha-teva, de natuur. Het dienen draagt de naam van God zoals die zich in de natuur en in de maat verbergt. Wat op mensenniveau een omkering en een krenking is — de eerstgeborene moet wijken — heet in de getallen gewoon: dit is hoe het gaat.
En het gaat zo, telkens. Isaak vóór Ismaël. Jakob vóór Esau. Efraïm vóór Manasse, met de handen kruiselings en een vader die protesteert. David als achtste. Het hele boek is een reeks eerstgeborenen die opzij gaan, en niet één keer gebeurt dat zonder rekening. Esau schreeuwt met één grote en zeer bittere schreeuw. Ismaël wordt de woestijn in gestuurd met een kruik water. De tekst poetst dat nergens weg.
Johannes is de oudere. Een half jaar, zegt Lukas. En hij is de grotere: er is geen grotere geboren uit vrouwen, zal Jezus later over hem zeggen, waarna hij er in dezelfde adem aan toevoegt dat de kléinere in het koninkrijk groter is dan hij. Diezelfde twee woorden, groot en klein, nu in de mond van degene om wie het ging, en nu zo dat er geen enkele geruststelling meer in zit.
Eerst vol, dan minder
Nog één ding in de grondtekst, en het is het ding waar in de praktijk bijna alles op misgaat: de volgorde.
De vriend van de bruidegom stáát, zegt Johannes van zichzelf, en dat staat er in de voltooide vorm — hij heeft zich opgesteld en is blijven staan. Hij hoort de stem. En dan: mijn vreugde is vervuld — ook voltooid, volgemaakt en vol gebleven. Pas daarna komt het afnemen.
De volheid komt eerst. Het minderen ligt aan de andere kant ervan.
Draai die volgorde om en je krijgt iets wat er van buiten precies zo uitziet en van binnen het tegenovergestelde is: iemand die minder wordt zonder ooit vol te zijn geweest. Dat is geen vervulling maar uitdoving!! En het vervelende is dat de religieuze taal die twee al eeuwen door elkaar haalt, omdat ze aan de buitenkant allebei op nederigheid lijken.
Wat je er vandaag mee zou kunnen
De sjosjbien is geen beeld voor iets anders. Het is een functie met een naam, en er zijn nog steeds mensen die hem uitoefenen. De bruidsvriend regelt de bruiloft, staat in voor de bruid, wacht bij de kamer, hoort de stem van de bruidegom — en is op dat moment klaar. Zijn succes en zijn overbodigheid zijn hetzelfde moment. Elke coach, elke therapeut, elke leraar, elke ouder werkt aan zijn eigen afschaffing, en wie dat niet verdraagt gaat onmerkbaar iets anders doen: de ander nét iets langer nodig laten zijn.
Wat de tekst daarbij aanreikt is geen aansporing maar een onderscheid, en dat onderscheid zit in de werkwoordsvorm. Ben ik hier iets aan het dóén — mij bescheiden opstellen, ruimte geven, mij terugtrekken — of gebeurt er iets met mij? Bij het eerste is er altijd een publiek, al ben ik het zelf. Bij het tweede is er niemand die kijkt.
Daar zit ook waar het misgaat, en het gaat vaker mis dan goed. John Welwood noemde het: spiritualiteit gebruiken om onder een ontwikkelingstaak uit te komen. Johannes 3:30 is daarvoor het meest geschikte vers uit het Nieuwe Testament. Wie nooit een ‘ik’ heeft mogen hebben — omdat er thuis geen plaats was, omdat aandacht vragen gevaarlijk was, omdat het kind de ouder moest dragen — vindt hier eindelijk een heilige rechtvaardiging voor precies de scheefstand waar hij ziek van is. Het minderen dat hij al zijn hele leven doet, heet nu geloof. Het kost niets meer om het te doen, en dat is hoe je weet dat het het niet is.
Er is geen tsimtsoem (terugtrekking) zonder iemand die vol zijn taak op zich genomen heeft. Er is geen afnemende maan die niet eerst vol is geweest. Wie zichzelf niet heeft, kan zich niet geven, en wat hij weggeeft is de plek die hij nooit heeft ingenomen. Bert Hellinger noemt dat het niet innemen van je plaats, en het ziet er van buiten uit als bescheidenheid, terwijl het systeem er ondertussen op wankelt: er is een positie leeg waar iemand had moeten staan.
Eugen Drewermann heeft laten zien wat er dan met een mens gebeurt die er zijn ambt van maakt. Zijn Kleriker gaat over geestelijken die zelfuitwissing voor heiligheid hielden en die daaraan depressief werden — mannen die het 5’ik’ hadden opgegeven zonder het ooit gehad te hebben, en die het vervolgens ongemerkt terugnamen via het ambt. Dat mechanisme is niet aan priesters gebonden. Het zit in elke hulpverlener die geen eigen leven heeft, in elke moeder die opgaat in haar kinderen, in elke man die zich wegcijfert en daar dertig jaar later de rekening voor presenteert.
En dan is er nog het andere, dat wél echt is en waar we geen taal voor hebben.
Iedereen die lang genoeg leeft, wordt minder gemaakt. Het lichaam doet niet meer wat het deed. De kinderen hebben je minder nodig, en dan bijna niet meer. Er komt iemand op je werk die het beter kan. Je wordt gepasseerd, niet uit kwaadwilligheid, maar omdat het klopt. Kazimierz Dąbrowski heeft zijn hele werk gebouwd op de stelling dat het uiteenvallen van een opbouw niet de ziekte is maar de weg — dat wat er afbrokkelt aan wie je was, precies de ruimte is waarin iets van hogere orde kan ontstaan. Zijn desintegratie is positief, maar hij heeft er nooit iets prettigs van gemaakt. Het valt uit elkaar. Dat het ergens toe leidt, maakt het niet minder een uit-elkaar-vallen.
En daar houdt de tekst op, en houdt hij ook op met troosten.
Johannes zegt zijn zin, en na vers 30 spreekt hij in dit evangelie geen woord meer. De zin loopt door in vers 31 en niemand kan uitmaken of dat nog hij is of al de schrijver. De ‘ik’ verdwijnt uit de tekst zoals hij uit het verhaal verdwijnt. Niet met een afscheid. Er is geen moment aan te wijzen waarop hij ophield.
De maan protesteerde en werd niet getroost. Ze kreeg sterren, ze kreeg de kalender, ze kreeg namen van rechtvaardigen — en het antwoord op haar vraag kreeg ze niet. Wat ze kreeg was een offer, elke maand opnieuw, gebracht van de andere kant, voor iets wat had moeten gebeuren en toch niet klopte.

