Afgestompt
Ik doe wat ik heb geleerd
nog elke dag.
Studeren aan een stuk,
en als het even niet lukt
bewegen naar de keuken,
een pot thee en
een stukje komkommer,
een wortel of stukje banaan.
Ik doe wat ik heb geleerd
nog elke dag.
Maar eigenlijk hoort het niet
bij mij.
Ik houd van spelen,
ik houd van ontdekken,
ik houd van onbekende paden gaan.
Soms – stiekem – zocht ik het
ging van boven
zachtjes naar beneden,
niet naar de keuken
maar naar de voordeur,
en snoof de vrijheid angstvallig op
met de kinderen in de buurt.
Totdat het werd ontdekt
en ik naar boven werd gestuurd.
Ik ben door mijn systeem gekneed,
gestraft, beloond,
want studeren zorgt
dat niemand last van je heeft,
want studeren zorgt
dat je niemand in de weg staat,
want studeren zorgt
dat mijn honger wordt gestild.
Ik werd door mijn ziekte
veertien jaar op bed
verder getraind, bevestigd
nog verder ingesnoerd.
Bewegen is pijnlijk
zorgt voor nog meer ellende
en verergering.
Het spelen, het ontdekken,
het onbekende paden gaan
doe ik nu intensief
in het studeren.
Zo overleefde ik,
zo leef ik,
zo ontdek ik
MIJ.
En in dit zeggen
ontdek ik mijn stil verdriet.
Een deel van mij is ingesnoerd,
lamgelegd, afgekeurd.
Ik leef met deze afgestomptheid
en zou niet weten hoe
het weer tevoorschijn te roepen.
Is het geamputeerd?
Groeit dat aan?
