Kom en zie (de uitnodiging)
Over de volgorde van twee werkwoorden, het tiende uur, en de vierde keer dat de zin klinkt
Er is een zin die ik in mijn praktijk vaker zeg dan welke andere ook, en ik wist lang niet dat hij uit Johannes kwam.
Iemand zit tegenover me en wil eerst begrijpen. Hij wil weten hoe de opstelling werkt voordat hij erin gaat staan. Zij wil weten wat er gebeurt als ze het zegt voordat ze het zegt. Hij wil zekerheid dat het goed komt met zijn vader voordat hij hem belt. En ik merk dat ik niet uitleg. Ik zeg: ga maar staan, dan zie je het. Zeg het maar, dan merk je het. Kom maar.
Kom en zie. In die volgorde.
De zin staat vier keer in Johannes, en de eerste keer is het antwoord op de vraag waar het vorige stuk eindigde.
1:38. Jezus draait zich om, aanschouwt de twee die hem volgen, en vraagt: wat zoeken jullie? En zij, overvallen, vragen iets terug wat ze niet hadden voorbereid: rabbi, waar verblijft u? En hij zegt: komt en jullie zullen zien. En dan een zin die vijftig jaar later nog precies is: zij kwamen en zagen waar hij verbleef, en bleven die dag bij hem; het was ongeveer het tiende uur.
Het tiende uur. Vier uur ’s middags. Johannes de Oudere schrijft dit op als oude man en weet nog hoe laat het was. Zo onthoudt een mens het moment waarop hij werd uitgenodigd. Niet wat er gezegd werd — dat staat er niet, we horen niets van wat er die middag is besproken. Alleen: ze kwamen, ze zagen, ze bleven, en het was vier uur.
Ik zie het verschil met wat de twee leerlingen hadden kunnen krijgen. Ze vroegen naar een adres. Ze hadden een adres kunnen krijgen: derde huis links, achter de synagoge. Dat is het antwoord dat de zaal wil, het antwoord waarmee je thuis kunt blijven zitten en toch weet waar het is. Ze krijgen geen adres. Ze krijgen een beweging: kom. En een belofte die pas na de beweging kan worden ingelost: dan zul je zien.
Dat is de volgorde waar dit hele boek op staat, en het is de volgorde die tegen alles ingaat wat een verstandig mens doet. Een verstandig mens ziet eerst en komt dan. Hij bekijkt de kaart, leest de recensies, vraagt aan wie er geweest is hoe het was. Johannes draait het om. Eerst het lichaam, dan de ogen. Eerst de stap, dan het zicht.
1:46. Filippus heeft Nathanaël gevonden en zegt: we hebben hem gevonden, Jezus, uit Nazareth. En Nathanaël zegt de zin die iedereen kent: kan uit Nazareth iets goeds komen?
Dat is de zaal die al weet wat ze gaat zien. Nathanaël heeft nog niet gekeken en heeft al geoordeeld, en zijn oordeel is niet dom, het is redelijk: Nazareth was niets, een gehucht zonder geschiedenis, nergens in de Schrift genoemd. Hij heeft gelijk op grond van alles wat hij weet.
En Filippus discussieert niet. Hij zegt niet: je hebt ongelijk over Nazareth. Hij zegt niet: laat me uitleggen waarom het toch kan. Hij zegt: kom en zie. Erchou kai ide. Twee woorden, twee gebiedende wijzen, en geen argument ertussen.
Ik ben lang bezig geweest met argumenteren. Met mensen die hun oordeel al klaar hadden — over hun moeder, over hun man, over wat er mogelijk was in hun bedrijf — probeerde ik het oordeel te ontkrachten. Dat werkt nooit. Een oordeel dat je hebt gebouwd op alles wat je weet, laat zich niet wegredeneren, omdat het redelijk is. Wat Filippus doet is anders: hij laat het oordeel staan en zet er een beweging naast. Je mag vinden wat je vindt over Nazareth. Kom.
En dan komt het mooiste. Nathanaël komt. En voordat hij iets ziet, wordt hij gezien: voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat, zag ik je. Het toneel keek al terug voordat hij de zaal binnenkwam. Zijn oordeel over Nazareth is niet weerlegd; het is overbodig geworden, omdat hij werd gezien op de plek waar hij het oordeel zat te vellen.
Dat is wat er gebeurt met mensen die komen. Hun oordeel wordt niet weerlegd. Ze ontdekken dat ze gezien werden terwijl ze het hadden.
De rabbijnen kenden de zin. In de Talmoed en in de midrasj begint een leraar die iets wil laten zien niet met een stelling maar met de formule bo u-re’eh: kom en zie. En het boek dat de joodse mystiek het diepst is ingegaan, de Zohar, heeft één zin die vaker voorkomt dan welke andere: ta chazi, kom en zie, in het Aramees. Duizenden keren. Niet: ik zal je uitleggen. Niet: het is zo. Kom en zie. De mystiek heeft nooit anders gedaan dan uitnodigen, omdat wat zij te laten zien heeft, niet kan worden gezegd tegen iemand die blijft zitten.
En de psalmen kenden de zin: komt, ziet de werken van de Heer (46:9; 66:5). En één psalm gaat nog verder dan zien: proeft en ziet dat de Heer goed is (34:9). Eerst proeven. Eerst in de mond. Daarna pas het oog.
Johannes schrijft dus geen nieuwe zin. Hij zet de oudste zin van de joodse leerschool in de mond van een visser die net zijn vriend heeft opgehaald, en laat haar het boek door klinken.
4:29. De Samaritaanse vrouw laat haar kruik bij de put staan, loopt de stad in en zegt tegen de mensen: komt, ziet een mens die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb.
Dit is de derde keer, en nu klinkt de zin uit de mond van iemand die zelf net gekomen is en gezien heeft. Ze was de zaal; ze is uitnodiging geworden. En let op wat ze zegt te hebben gezien. Niet: een mens die wonderen doet. Niet: de messias — dat vraagt ze nog, twijfelend, in de zin erna. Ze zegt: iemand die mij alles heeft gezegd wat ik gedaan heb. Vijf mannen, en de zesde niet de hare. Hij heeft het gezegd en zij is niet weggelopen.
Ze nodigt de stad uit met het meest beschamende wat ze heeft. Het ding waarom ze op het heetst van de dag water kwam halen, als er niemand bij de put was. Dat is wat ze heeft gezien: dat iemand haar geschiedenis in het gezicht kon zeggen en dat ze daarin niet ontmaskerd werd maar gekend. Kom en zie dít.
Ik ken die beweging uit de opstellingen. Iemand gaat staan, en het eerste wat zichtbaar wordt is precies wat hij het liefst verborgen had gehouden — de plek waar hij niet hoort, het kind dat niet genoemd wordt, de man die er niet was. En dan gebeurt het, soms, niet altijd: het wordt gezien, hardop gezegd, en de persoon valt niet uit elkaar. Hij staat er nog. En de eerste beweging daarna is bijna altijd: hij wil dat iemand anders het ook ziet. De partner erbij. De zus. Kom en zie. Wie werkelijk is gezien op zijn zwakste plek, wordt uitnodiging. Wie is gezien op zijn sterkste plek, wordt hooguit trots.
En dan de vierde keer, en die heb ik lang over het hoofd gezien omdat de zin daar in de verkeerde richting wijst.
11:34. Lazarus is vier dagen dood. Jezus komt, Martha komt hem tegemoet, dan Maria, die voor hem neervalt en zegt wat haar zus ook zei: als u hier geweest was. Hij ziet haar huilen, en de Joden die met haar meegekomen zijn huilen, en er staat een woord dat vertalingen verzachten tot “bewogen” maar dat in het Grieks een grom is, enebrimēsato, het snuiven van een paard, woede en verdriet in één geluid. En hij vraagt: waar hebben jullie hem gelegd?
En zij zeggen tegen hem: Heer, kom en zie.
Dezelfde twee woorden als Filippus. Maar nu niet tegen de zaal. Nu tegen hem. Degene die in 1:39 zei “komt en jullie zullen zien”, wordt in 11:34 uitgenodigd om te komen en te zien. En wat hij te zien krijgt is geen verblijfplaats en geen mens die alles weet. Het is een graf.
En dan het kortste vers van de Bijbel. Jezus weende. Niet het luide wenen van Lucas, klaiō. Edakrysen: hij liet tranen. Stil. Voor het eerst en het laatst in dit evangelie.
Dit is de laag die de eerste drie keren niet hadden. De uitnodiging is niet alleen wat het toneel tegen de zaal zegt. De zaal kan haar terugzeggen. Je kunt wat naar je kijkt uitnodigen naar de plek waar je iemand hebt begraven. En wat komt en ziet, doet niet eerst iets. Het huilt eerst.
Ik weet nu waarom ik zo vaak “kom maar” zeg en waarom het zo vaak niet werkt. Ik zeg het als Filippus, als Jezus in 1:39, als de vrouw bij de put: kom naar iets goeds toe, kom naar wat je zult zien. Maar de meeste mensen die tegenover me zitten, hebben een graf. Iets van vier dagen, of van veertig jaar. En de uitnodiging die zij nodig hebben is niet dat zij ergens naartoe komen. Het is dat ze iemand mogen zeggen: kom en zie waar ik hem heb gelegd. En dat degene die komt, niet meteen de steen wil wegrollen, maar eerst huilt.
Dat is het moeilijkste in mijn vak, en ik doe het niet goed genoeg. Komen en zien en niet meteen iets doen. Het graf is de plek waar ik het snelst ga werken, omdat ik het niet kan aanzien. Johannes laat Jezus daar staan, gebrom in zijn keel, tranen, en pas dan: neem de steen weg.
Er is één werkwoord dat de vier keren aan elkaar bindt, en het staat in 1:39: zij kwamen, en zagen, en bleven. Emeinan. Menein, blijven, verblijven, staan Johannes gebruikt het veertig keer, het is zijn woord voor wat er na het zien komt. Blijf in mij. Wie mijn woord bewaart, in hem blijf ik. De ranken die in de wijnstok blijven.
Kom en zie is niet af als je gezien hebt. De twee leerlingen bleven die dag. De Samaritanen vroegen hem te blijven, en hij bleef twee dagen. Wie komt en ziet en dan weer naar huis gaat met wat hij gezien heeft, heeft het toneel gefotografeerd. Wie blijft, wordt zelf iemand bij wie gekomen kan worden.
Wat kun je hiermee.
Je kunt de volgorde van de twee werkwoorden serieus nemen, en dat is concreet. Bij elk besluit dat je eerst wilt doorzien voordat je het neemt: vraag je af of het een adres is dat je wilt of een verblijfplaats. Een adres kun je krijgen zonder te gaan. Een verblijfplaats niet. De dingen die er in een mensenleven toe doen — een gesprek met je vader, een opstelling, een zin tegen je partner die je al drie jaar niet zegt — zijn allemaal verblijfplaatsen. Je kunt ze niet eerst zien. Je kunt alleen komen.
Je kunt ophouden met weerleggen. Als iemand naast je zegt dat er uit Nazareth niets goeds kan komen — over zichzelf, over de therapie, over de kans dat het ooit anders wordt — hoef je hem geen ongelijk te geven. Zijn oordeel is redelijk. Zet er een uitnodiging naast en laat het oordeel staan.
Je kunt kijken wie jij uitnodigt en waarmee. De vrouw bij de put nodigde uit met haar schande. De meeste mensen nodigen uit met hun beste kamer. Kom eens kijken hoe goed het gaat. Wie zo uitnodigt, krijgt bezoek, geen getuigen.
En je kunt de vierde keer proberen. Iemand vragen om te komen en te zien waar je het hebt begraven. Dat is de omgekeerde uitnodiging, en zij vraagt twee dingen die niet vanzelf gaan: dat jij het graf durft aan te wijzen, en dat wie komt, eerst huilt en niet eerst helpt.
Ik heb dit stuk geschreven omdat ik merkte dat ik aan het opstijgen was. Rotsspleet, kavod, de zaal die wordt aangekeken — het klopt allemaal en het is allemaal te hoog om op te staan. Kom en zie is de zin waarmee Johannes zelf naar beneden komt. Twee gebiedende wijzen. Het eerste is voor de voeten.
Erchou kai ide.
Centrale figuren in dit artikel:
de twee leerlingen van het tiende uur,
Nathanaël onder de vijgenboom,
de vrouw bij de put,
Maria en Martha bij het graf
Bijbelgedeelten:
Johannes 1:38-39 (komt en jullie zullen zien; het tiende uur; zij bleven);
Johannes 1:45-51 (Nathanaël: kan uit Nazareth iets goeds komen; kom en zie; ik zag je onder de vijgenboom);
Johannes 4:28-30, 39-42 (komt, ziet een mens; zij vroegen hem te blijven);
Johannes 11:33-39 (waar hebben jullie hem gelegd; Heer, kom en zie; Jezus weende);
Johannes 15:4-7 (blijft in mij); Ps. 34:9 (proeft en ziet);
Psalm 46:9 en 66:5 (komt, ziet de werken van de Heer)

