Wij zien (de Farizeeën bij de blindgeborene)
Over vier keer “wij weten”, één keer “één ding weet ik”, en de zonde die blijft omdat iemand zegt dat hij ziet
Er is een zin die in mijn kamer gevaarlijker is dan welke ruzie ook, en hij klinkt als vooruitgang. Ik zie het nu.
Hij zegt het over haar. Hij heeft de boeken gelezen, hij heeft de patronen, hij ziet precies wat zij doet en waar het vandaan komt: haar moeder, haar angst, haar manier van terugtrekken. Hij heeft gelijk in bijna alles. En terwijl hij het zegt, kijkt hij niet naar haar. Hij kijkt naar wat hij ziet. Zij zit ernaast en wordt kleiner, en hij ziet dat niet, omdat hij ziet.
Johannes 9 gaat over dat moment, en het eindigt met de hardste zin die Jezus in dit evangelie tegen iemand zegt.
Het begint met een vraag van de leerlingen, en de vraag is al blind. Rabbi, wie heeft gezondigd, deze man of zijn ouders, dat hij blind geboren is? Er ligt een man langs de weg die nog nooit iets heeft gezien, en de eerste beweging van wie hem ziet is: wiens schuld. De oorzaak. De theologie van het toewijzen. Jezus antwoordt: geen van beiden. En dan doet hij iets met spuug en modder, smeert het op zijn ogen, en stuurt hem naar het badwater dat Siloam heet, wat vertaald wordt: Gezonden. En de man gaat, en wast zich, en komt terug ziende.
En dan gaat het hoofdstuk niet meer over de man. Het gaat over iedereen om hem heen, en wat zij doen met iemand die ziet.
De buren eerst. Is dit niet de man die zat te bedelen? Sommigen zeggen ja, anderen: hij lijkt erop. De man zelf zegt: egō eimi. Ik ben het. Het is de formule die Jezus zeven keer gebruikt, en de blindgeborene zegt haar als eerste ander in dit evangelie. Ik ben het. Hij heeft nog niets gezien behalve licht, en hij weet al wie hij is.
Dan de Farizeeën. En hier verandert het hoofdstuk van toon, want de Farizeeën weten. Het is sabbat, en modder maken is werk, dus deze man is niet van God, want hij houdt de sabbat niet. Ze horen wat er is gebeurd en ze weten wat het betekent voordat ze naar de man hebben gekeken.
Ze ondervragen de ouders, en de ouders zijn bang. Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren is; maar hoe hij nu ziet, weten wij niet. Vraag het hem, hij is oud genoeg. En Johannes legt uit waarom: want de Joden hadden al besloten dat wie hem als Christus beleed, uit de synagoge zou worden gezet. De ouders zien wel. Ze durven niet. Dat is een andere blindheid, en ik kom er zo op terug, want ik ken haar beter dan de eerste.
En dan de tweede ondervraging, en nu begint het tellen.
Geef God de eer; wij weten dat deze mens een zondaar is.
Wij weten. Het is de zin van de reeks. Nicodemus begon ermee, de menigte bij het brood zei het over zijn vader en moeder, de stad zei het over waar hij vandaan kwam, en hier zeggen de Farizeeën het vier keer in één hoofdstuk. Wij weten dat hij een zondaar is. Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft. Wij weten dat God geen zondaars hoort. Wij weten. Het is geen argument meer, het is een positie.
En tegenover vier keer wij weten staat de man die net kan zien, en die twee keer zegt: ik weet het niet.
Of hij een zondaar is, weet ik niet. Eén ding weet ik: ik was blind, en nu zie ik.
Ik blijf bij die zin, want het is de eerlijkste zin over kennis die ik ken.
De man heeft geen theologie. Hij kan niet zeggen wie Jezus is; hij weet niet of de sabbat geschonden is; hij heeft geen positie in de discussie over Mozes. Hij heeft één ding, en hij weet het met zijn ogen. Ik was blind, nu zie ik. Alles wat de Farizeeën weten, weten ze uit de tekst. Het ene wat hij weet, weet hij uit zijn lichaam.
En dan wordt hij hun leraar, en Johannes schrijft het met een humor die je bijna mist. Ze vragen nog eens hoe het is gegaan, en hij zegt: ik heb het al gezegd en u hebt niet geluisterd; waarom wilt u het nog eens horen? Wilt u soms ook zijn leerlingen worden? En als ze zeggen dat ze niet weten waar deze man vandaan komt, zegt de bedelaar tegen de geleerden: dit is toch verbazingwekkend: u weet niet waar hij vandaan komt, en hij heeft mijn ogen geopend.
De man die nooit heeft gezien, kan zien wat er gebeurd is. De mannen die alles hebben gelezen, kunnen niet zien wat er voor hen staat. En Johannes laat de twee bewegingen tegen elkaar in lopen, vers voor vers. De blindgeborene ziet steeds meer: eerst de man die Jezus heet (9:11), dan een profeet (9:17), dan iemand van God (9:33), dan Heer, ik geloof (9:38). Zijn zicht groeit. De Farizeeën zien steeds minder: eerst hij is niet van God, dan verdeeldheid, dan wij weten dat hij een zondaar is, en ten slotte werpen ze de man eruit. Hun zicht krimpt met elke keer dat ze zeggen dat ze weten.
Waarom ziet de blinde en de ziende niet?
Ik denk dat het antwoord in het woord geboren zit. Hij is blind geboren. Hij heeft nooit een beeld gehad. Er is niets in hem wat hem vertelt hoe de wereld eruit hoort te zien, geen sjabloon, geen verwachting, geen eerdere keer. Als hij voor het eerst ziet, ziet hij wat er is, omdat hij niets anders heeft om het mee te vergelijken.
De Farizeeën zijn de mensen met het volledigste beeld dat er in Israël bestond. Zij weten hoe God handelt, wanneer, door wie, en onder welke voorwaarden. Dat beeld is niet dom, het is het beste beeld van hun tijd, en het is precies wat tussen hen en de man in staat. Zij kijken naar een genezen bedelaar en zien een sabbatsschending, omdat hun beeld daar een vakje voor heeft en voor het andere niet.
Dat is de blindheid van de zekerheid, en zij is fysiologie voordat zij moraal is. Wie weet, hoeft niet meer te kijken; het brein bespaart zich de moeite. Zekerheid is de toestand waarin de ogen open zijn en de waarneming gesloten. Ze voelt niet als blindheid. Ze voelt als scherpte. Dat is wat haar zo moeilijk te verlaten maakt: de blinde weet dat hij blind is en wil zien; de zekere weet dat hij ziet en wil niets.
En nu de ouders, want die heb ik jaren overgeslagen en zij zijn de meeste mensen.
Zij zien. Ze hebben hun zoon dertig jaar blind gekend en ze zien hem nu kijken. Maar er staat een systeem achter hen dat heeft besloten wat gezien mag worden, en de prijs van zien is: eruit. Aposynagōgos. Buiten de gemeenschap, buiten de familie van families, buiten alles wat je bent. Dus zeggen ze: hij is oud genoeg, vraag het hem. Ze leggen wat ze zien op de schouders van hun kind en stappen terug.
Ik ken die ouders. Ik ken ze uit elk familiebedrijf waar het kind ziet wat er mis is en de ouders het ook zien en zwijgen, omdat het benoemen hen buiten de familie zou zetten waarin ze hun hele leven hebben gewoond. Het kind dat ziet wordt eruit gegooid. De ouders die zien blijven binnen. En het kind staat buiten, alleen, met het enige wat het weet.
En dan de zin die het hoofdstuk draagt en die bijna niemand ziet: Jezus hoorde dat ze hem eruit geworpen hadden, en hij vond hem.
Buiten. Hij wordt gevonden buiten. Niet in de synagoge, niet bij zijn ouders, niet in de gemeenschap die weet. De plek waar het systeem je neerzet als je ziet, is de plek waar je gevonden wordt. Dat is geen troost, het is topografie. Wie eruit ligt, ligt op de enige plaats waar iemand naar hem op zoek kan gaan.
En daar, buiten, ziet hij voor het eerst wie hem genezen heeft. Je hebt hem gezien; het is hij die met je spreekt. De man had zijn ogen gekregen bij het badwater en Jezus was toen al weg; hij is het hele hoofdstuk door ziende geweest zonder de gever ooit te hebben gezien. Pas buiten, uitgeworpen, komt het gezicht.
En dan 9:39-41, en ik lees het langzaam.
Tot een oordeel ben ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien, en wie zien, blind worden.
Krima. Het oordeel als omkering. Niet als vonnis dat iemand uitspreekt, maar als wat er gebeurt als het licht aangaat: wie niets had, ziet; wie alles had, blijkt niets te zien. Het is dezelfde zin als in hoofdstuk 3, het oordeel is dat het licht is gekomen, maar nu uitgevoerd op een hoofdstuk lang mensen.
Sommige Farizeeën horen het, en ze stellen de enige goede vraag van het hele hoofdstuk: zijn wij soms ook blind?
Dat is het moment. Het is de deur. Als ze daar hadden gewacht, één seconde, met die vraag open, was het hoofdstuk anders geëindigd. Want het antwoord is:
Als jullie blind waren, zouden jullie geen zonde hebben. Maar nu zeggen jullie: wij zien. Jullie zonde blijft.
Ik heb dat lang gelezen als: blindheid is onschuld, en het is erger dan dat. Blindheid is niet alleen onschuldig, blindheid is de voorwaarde. Wie blind is, kan genezen worden; er is nog iets te doen. Wie zegt dat hij ziet, heeft de genezing overbodig verklaard. De zonde zit niet in het niet-zien. Ze zit in het zeggen dat je ziet. En het werkwoord is menei, blijft, het woord dat Johannes anders gebruikt voor het blijven in de wijnstok. Hier blijft de zonde, op precies de manier waarop de rank blijft: vast, verbonden, voedend. Wie zegt dat hij ziet, heeft zijn blindheid vastgemaakt aan iets wat haar in leven houdt.
Wat kun je hiermee.
Je kunt de zin ik zie het nu leren wantrouwen op het moment dat je haar zegt. Niet omdat ze onwaar is. Omdat ze het einde van het kijken aankondigt. De man die het over zijn vrouw zegt, heeft gelijk en is opgehouden naar haar te kijken. Zeg liever wat de bedelaar zegt: één ding weet ik. En noem dat ene ding, en niet meer.
Je kunt tellen hoe vaak je wij weten zegt. Over je partner, je kind, je collega, je moeder. Het is bijna altijd waar en het is altijd een positie. Elke keer dat je het zegt, krimpt je zicht een beetje, en het voelt als scherpte.
Je kunt je laten blind verklaren. Dat is de deur die de Farizeeën openden en meteen dichttrokken. Zijn wij soms ook blind? Wie die vraag durft te stellen over de mens die hij het beste denkt te kennen, is niet zwak; hij is de enige die nog genezen kan worden. Blindheid toegeven is geen nederlaag. Het is de voorwaarde.
Als je de ouder bent die ziet en zwijgt uit angst voor het systeem: weet wat je je kind aandoet. Je legt het zien op zijn schouders en je laat hem eruit gooien met wat jij ook zag. Hij wordt gevonden, zegt Johannes. Jij niet, want jij bent binnen gebleven.
En als je eruit ligt: buiten is waar hij hem vond. Dat is niet een belofte dat het goed komt. Het is de mededeling dat je op de goede plek ligt.
Centrale figuren in dit artikel:
de blindgeborene,
de Farizeeën die weten,
de ouders die zwijgen,
de man die het nu ziet
Bijbelgedeelten:
Johannes 9:1-7 (wie heeft gezondigd; Siloam, gezonden);
Johannes 9:8-12 (ik ben het);
Johannes 9:13-34 (de ondervragingen; wij weten, vier keer; één ding weet ik; ze wierpen hem eruit);
Johannes 9:18-23 (de ouders; aposynagōgos);
Johannes 9:35-38 (Jezus vond hem; je hebt hem gezien);
Johannes 9:39-41 (tot een oordeel; zijn wij ook blind; jullie zonde blijft);
Johannes 3:19 (dit is het oordeel: het licht is gekomen);
Jesaja 6:9-10 (ziende zien zij niet, door Johannes aangehaald in 12:40)

