Eén ding weet ik (de blindgeborene)
Over een man die niet om genezing vroeg, die voor het eerst zag terwijl niemand erbij was, en die door de enigen die hem kenden niet meer werd herkend
Zijn ouders zitten erbij en zeggen bijna niets. Als ik hun vraag wat ze zien, zegt zijn moeder: dat moet u hem zelf vragen, hij is oud genoeg. Ze zeggen het niet onvriendelijk. Ze zeggen het zoals je iets zegt waar je buiten wilt blijven. Hun zoon is in een jaar zo veranderd dat zijn broer laatst vroeg of hij het echt was — en ze weten dat de familie een prijs heeft gezet op die verandering, en ze willen die prijs niet meebetalen. De zoon zit ertussen en zegt, als ik hem vraag hoe het is gegaan: ik weet niet precies wat er gebeurd is. Ik weet alleen dat ik het vroeger niet zag en nu wel.
Het is de zin van Johannes 9, bijna woordelijk, en hij weet niet dat hij hem citeert.
Ik heb in aflevering acht de Farizeeën uit dit hoofdstuk beschreven, de mannen die wij zien zeggen en daarmee blind blijven. Ik heb toen de blinde zelf laten staan, omdat hij een eigen stuk verdient: hij is de enige in dit evangelie bij wie het zien in stappen gebeurt, en Johannes heeft die stappen genummerd.
Het begint met wie er ziet. Kai paragōn eiden anthrōpon typhlon ek genetēs. En in het voorbijgaan zag hij een mens, blind vanaf de geboorte. Niet de blinde ziet iets; Jezus ziet hem. De man heeft niets gevraagd, niets geroepen, niet zoals Bartimeüs aan de weg. Hij zit er, en hij wordt gezien. Het zien van dit hoofdstuk begint van de andere kant, en het begint bij iemand die er niet om vroeg.
De leerlingen zien ook iets, en wat zij zien is de vraag: wie heeft gezondigd, hij of zijn ouders, dat hij blind geboren is? Ze zien een casus. Ze zien een oorzaak die gezocht moet worden, een schuld die ergens ligt. Jezus ziet een mens, anthrōpon, en het is hetzelfde woord dat de Samaritaanse vrouw straks gebruikt als ze de stad in gaat: kom, zie een mens. Het verschil tussen zien en niet zien begint hier al, voordat er iemand genezen is: de een ziet een vraag, de ander ziet een mens.
Vanaf de geboorte, vanuit het ontstaan. Het woord is verwant aan genesis, en ik denk niet dat Johannes dat toevallig heeft laten staan. Want wat er dan gebeurt, is een schepping.
Hij spuwde op de grond en maakte slijk van het speeksel. En hij smeerde het slijk op de ogen. Wie Genesis 2 kent, ziet het: adam uit adamah, de mens uit de aarde, gevormd met de handen. De blinde wordt niet genezen; hij wordt gemaakt, opnieuw, uit aarde en wat uit de mond komt. Nicodemus had in hoofdstuk 3 gevraagd hoe een mens geboren kan worden als hij oud is, en had het niet begrepen. Hier gebeurt het, zonder uitleg, met modder.
En dan: ga, was je in het bad van Siloam. Johannes vertaalt de naam voor wie het niet hoort: Gezondene. Shiloach, van shalach, zenden. De blinde wordt gestuurd naar de Gestuurde. Hij moet, met modder op zijn ogen, blind door de stad lopen naar een plek die hij niet kan zien, omdat iemand die hij niet kent het heeft gezegd. Dat is de eerste stap, en er is nog niets gezien. Er is alleen gegaan.
Hij ging dus heen en waste zich, en kwam ziende.
Hij ziet voor het eerst terwijl hij alleen is. Jezus is er niet bij. De man heeft het gezicht van degene die hem heeft gemaakt nog nooit gezien, en dat blijft zo tot bijna het eind van het hoofdstuk. Ik heb dat lang over het hoofd gezien, en het verandert alles wat daarna komt: alles wat hij over Jezus zegt, zegt hij zonder hem ooit gezien te hebben.
Dan komen de buren, en Johannes doet iets wat hij zelden doet: hij laat mensen kibbelen. Is hij het? Hij is het. Nee, hij lijkt op hem. De man die zijn hele leven op dezelfde plek zat, wordt niet meer herkend door de mensen die hem dagelijks passeerden. Het zien heeft hem zo veranderd dat zijn gezicht niet meer klopt met wie hij was.
En dan zegt hij het. Hij zei: ik ben het.
In dit evangelie zijn het de woorden van Jezus, de naam uit de brandende braamstruik, en Johannes bewaart ze. In hoofdstuk 4 vielen ze voor het eerst, tegen de Samaritaanse vrouw. Hier zegt een mens ze. De enige mens in het hele evangelie die ik ben zegt, is een man die net is gaan zien en die door zijn buren wordt aangekeken alsof hij iemand anders is. Dat is wat zien doet: het maakt je onherkenbaar voor wie je kende, en het geeft je de woorden om te zeggen dat je het toch bent.
Dan komen de ondervragingen, en hier worden de stappen geteld. Kijk wat hij over Jezus zegt, in volgorde.
Tegen de buren: de mens die Jezus genoemd wordt. Meer weet hij niet; een naam.
Tegen de Farizeeën, de eerste keer: hij is een profeet. Het is precies het woord van de Samaritaanse vrouw, en het valt op precies hetzelfde punt: als de ander begint te duwen.
Tegen de Farizeeën, de tweede keer, als ze zeggen dat ze niet weten waar hij vandaan komt: ei mē ēn houtos para theou, ouk ēdynato poiein ouden. Als hij niet van God was, kon hij niets doen. Nu is het: van God.
En aan het eind, als hij eindelijk het gezicht ziet: Ik geloof, Heer.
Naam, profeet, van God, Heer. Vier stappen, en elke stap wordt gezet onder druk, niet ondanks de druk. Hoe harder de Farizeeën duwen, hoe meer hij ziet. Bij hen gaat het andersom, en Johannes zet de twee lijnen naast elkaar zodat je het niet kunt missen: zij beginnen met wij weten dat deze mens een zondaar is en eindigen met wij weten niet waar hij vandaan komt. Hun weten wordt kleiner terwijl zijn zien groeit, en de lijnen kruisen elkaar in het midden van het hoofdstuk.
Waarom?
Waarom ziet hij meer naarmate ze harder duwen, terwijl de meeste mensen dan sluiten?
Ik denk dat het antwoord in vers 25 zit, en ik heb er in aflevering acht al naar gewezen zonder het uit te graven. Ei hamartōlos estin ouk oida; hen oida, hoti typhlos ōn arti blepō. Of hij een zondaar is, weet ik niet. Eén ding weet ik: dat ik blind was en nu zie.
Hij weet één ding, en dat ene ding zit in zijn lichaam. Hij weet het niet van horen zeggen, niet uit een boek, niet omdat hij ergens bij hoort dat het zegt. Hij weet het omdat er een verschil is tussen gisteren en vandaag dat hij niet kan ontkennen zonder zichzelf te ontkennen. Alle andere weten in dit hoofdstuk is weten van vóór: de Farizeeën weten wat Mozes zei, wat de sabbat verbiedt, wat een zondaar is. Hij weet iets van ná. En weten van na kan niet worden weggeredeneerd door weten van voor, omdat het niet op dezelfde plek zit.
Dat is waarom druk hem verder brengt. Wie iets weet omdat hij het gelooft, wordt onzeker als anderen het tegenspreken. Wie iets weet omdat het in hem is gebeurd, wordt bij tegenspraak alleen maar preciezer. Elke keer dat ze hem vragen het opnieuw te vertellen, wordt het verhaal korter en harder. Ik heb het u al gezegd, en u hebt niet geluisterd. Waarom wilt u het nog eens horen? Wilt u soms ook zijn leerlingen worden? De blinde heeft humor gekregen. Dat is misschien het zekerste teken dat iemand ziet.
De ouders. Ik kan niet om ze heen, omdat ik ze elke week in mijn kamer zie zitten.
Want de Joden waren al overeengekomen dat wie hem als Christus zou belijden, uit de synagoge gestoten zou worden. En daarom zeggen de ouders: hij is oud genoeg, vraag het hem zelf. Ze weten dat hij hun zoon is en dat hij blind geboren is; dat zeggen ze. Hoe hij nu ziet, weten ze niet; dat zeggen ze ook, en het is niet waar, want ze hebben het net van hem gehoord. Ze liegen niet groot. Ze trekken hun handen terug van precies het ene ding dat hun zoon weet.
Wie ziet, verliest het systeem dat hem droeg. Dat is de wet die onder dit hoofdstuk ligt, en Johannes maakt haar expliciet: kai exebalon auton exō. En ze wierpen hem naar buiten. Uit de synagoge, en daarmee uit de gemeenschap, uit het erbij horen. De prijs van het zien is de plek. Zijn ouders hebben dat gezien en de plek gekozen. Hij heeft het gezien en het zien gekozen, of liever: hij kon niet anders, want het zat in zijn ogen.
Wat hier onder zit, is de oudste beweging die ik ken: een mens die iets gaat zien wat het systeem niet toestaat, en een systeem dat hem liever kwijt is dan dat het meekijkt. De ouders kiezen niet tegen hun zoon. Ze kiezen voor het overleven van hun plek, en dat is menselijk, en het laat hem alleen.
En dan de zin die het hoofdstuk sluit voordat de Farizeeën hun laatste woord krijgen.
Jezus hoorde dat ze hem naar buiten hadden geworpen, en hij vond hem.
Hij vond hem. Voor de tweede keer in het hoofdstuk gaat het zien van de andere kant uit. De eerste keer werd de man gezien terwijl hij blind zat te bedelen. Nu wordt hij gevonden terwijl hij buiten staat, uit alles gezet, met een zien waar hij niets aan heeft omdat niemand het meer met hem wil delen. En pas hier, na alle stappen, na de buren en de ondervragingen en de ouders, ziet hij het gezicht.
Geloof je in de Zoon des mensen? — Wie is hij, Heer, dat ik in hem geloven zou? Hij weet het nog steeds niet. Hij heeft alles over hem gezegd wat hij kon zeggen en hij zou hem in de menigte niet herkennen. En dan: Je hebt hem gezien, en wie met je spreekt, die is het.
Het is de zin van de put. Die had hij tegen de Samaritaanse vrouw gezegd. Ik ben het, die met je spreek. Hier: die met je spreekt, die is het. De twee die wel zien, krijgen precies dezelfde zin, en ze krijgen hem allebei nadat de waarheid over hen is uitgesproken en nadat ze buiten zijn komen te staan — zij buiten haar stad op het zesde uur, hij buiten zijn synagoge. Het zien wordt niet gegeven aan wie erbij hoort. Het wordt gegeven aan wie eruit is gezet en dan gevonden wordt.
Pisteuō, kyrie. Kai prosekynēsen autō. Ik geloof, Heer. En hij aanbad hem. In geest en waarheid, buiten de berg, buiten de synagoge, zoals in hoofdstuk 4 was gezegd.
Wat kun je hiermee.
Je kunt letten op het ene ding. Niet op alles wat je zou moeten weten om je verandering te verdedigen. Op het ene dat in je lichaam is gebeurd en dat je niet kunt ontkennen zonder jezelf te ontkennen. Wie daar blijft, wordt bij tegenspraak niet onzeker maar preciezer. Wie zijn zien probeert te onderbouwen met weten van voor, verliest, want daar zijn de anderen beter in.
Je kunt verwachten niet herkend te worden. De buren kibbelen, de broer vraagt of je het echt bent. Dat is niet het teken dat er iets mis is gegaan. Het is het teken dat het zien echt is. En je mag dan zeggen: ik ben het.
Je kunt zien wat de ouders doen zonder ze te veroordelen. Ze kiezen de plek boven de zoon. Het is menselijk, en het laat je alleen, en allebei is waar. Wie gaat zien, kan niet verwachten dat het systeem meekijkt; het systeem is er om te blijven, niet om te zien.
Je kunt weten dat het zien eerst blind gaat. Met modder op je ogen naar een plek lopen die je niet ziet, omdat iemand het heeft gezegd. Het zien komt pas bij het water, en dan ben je alleen.
En je kunt erop rekenen dat het gezicht komt na de uitwerping, niet ervoor. De man had alles gezegd wat hij kon zeggen en had niemand meer, en toen werd hij gevonden. Dat is de volgorde in dit hoofdstuk, en ik heb geen reden om te denken dat ze ergens anders anders is.
Eén ding weet ik.
Centrale figuren in dit artikel:
de blindgeborene,
de leerlingen die een vraag zien,
de buren die hem niet herkennen,
de ouders die hun handen terugtrekken,
de zoon die zichzelf citeert zonder het te weten
Bijbelgedeelten:
Johannes 9:1-3 (hij zag een mens; wie heeft gezondigd);
Johannes 9:6-7 (slijk; Siloam, de Gezondene; hij kwam ziende);
Johannes 9:8-9 (de buren; egō eimi); Joh. 9:11, 17, 33, 38 (de vier stappen: de mens Jezus, een profeet, van God, Heer);
Johannes 9:24-27 (hen oida; wilt u ook zijn leerlingen worden);
Johannes 9:18-23 (de ouders; aposynagōgos); Joh. 9:34 (ze wierpen hem naar buiten);
Johannes 9:35-38 (hij vond hem; wie met je spreekt, die is het; ik geloof);
Johannes 4:19, 26 (de profeet; egō eimi, ho lalōn soi);
Johannes 3:4 (hoe kan een mens geboren worden als hij oud is);
Genesis 2:7 (de mens uit de aarde);
Exodus 3:14 (ik ben);
Jesaja 8:6 (de wateren van Siloach)

