Druk zijn met veel (Martha)
Over een vrouw die aan alle kanten wordt getrokken, een zus die op de weg zit, en het verschil tussen bewegen en gaan
Ze heeft de hele dag gekookt. Het is haar verjaardag, het hele gezin is er, en zij staat in de keuken. Haar man zegt: ga nou zitten. Haar dochter zegt: mam, ga nou zitten. En ze gaat niet zitten, want het toetje moet nog, en de koffie, en er is iemand die geen gluten eet. Om elf uur zijn ze weg en heeft zij haar eigen verjaardag niet meegemaakt.
Ze vertelt het me met een zekere trots, en daaronder iets anders. Als ik vraag wat dat andere is, zegt ze: ik weet niet of ze me gemist hebben.
Lucas 10:38 gaat over die keuken.
Op de weg, in een huis
Terwijl zij op weg waren, kwam hij in een dorp, en een vrouw, Martha genaamd, ontving hem in haar huis.
Op weg. Lucas zet de scène expliciet op de reis naar Jeruzalem. Het is de enige keer in het reisverhaal dat de weg een huis in gaat, en het is meteen na de Samaritaan die naar de gewonde toe ging. Twee scènes achter elkaar: de man die dichterbij kwam, en de vrouw die ontving. Lucas zet ze naast elkaar alsof hij wil zeggen: na het gaan komt het ontvangen. En dan laat hij zien hoe ook het ontvangen een manier kan zijn om de weg kwijt te raken.
Martha ontvangt. Het is een goed woord; het is wat Zacheüs later doet, het is gastvrijheid, het is wat Abraham deed bij de drie mannen. Er is niets mis met Martha aan het begin van de scène. Zij is de vrouw des huizes, en dat is precies wat haar naam betekent: Marta, in het Aramees de vrouwelijke vorm van mar, heer. Martha is Mevrouw. De vrouw die het huis heeft en het huis leidt.
En in haar huis komt de Kyrios. De Heer. Mevrouw ontvangt de Heer, en de scène gaat over wat er gebeurt als de vrouw die alles leidt, iemand ontvangt die ze niet kan leiden.
Aan de voeten
Zij had een zuster, Maria genaamd, die zich aan de voeten van de Heer zette en naar zijn woord luisterde.
Ze ging zitten, bij, aan de voeten. Dat is een houding met een betekenis. Aan iemands voeten zitten is de plaats van de leerling; Paulus zegt later dat hij is opgevoed aan de voeten van Gamaliël. Het is de plek van wie leert. En het was geen plek voor een vrouw. Een vrouw hoorde in het huis te zijn waar Martha was. Maria zit op een plaats die haar niet toekomt, en de scène laat haar daar zitten alsof het vanzelfsprekend is.
En de voeten. Ik kan er in deze serie niet omheen: de voeten zijn het orgaan van de weg. Wie aan de voeten zit, zit op de plek waar de weg is. Maria beweegt niet, en toch is zij degene in deze scène die op de weg is. Martha beweegt de hele tijd, en zij is degene die hem kwijt is.
Dat is het punt waar ik in het taal-stuk van deze serie al op uitkwam zonder deze scène te noemen: hodos is geen beweging maar oriëntatie. De negen melaatsen bewogen; de tiende was op de weg. Martha beweegt; Maria is op de weg. De weg zit niet in de voeten die lopen. Hij zit in het gezicht dat een richting heeft, en Maria’s gezicht is naar de voeten gericht, naar het woord, naar het ene.
Rondgetrokken
Maar Martha werd geheel in beslag genomen door het vele bedienen.
Het Griekse werkwoord is periespato, en het is het hart van de scène. Spaō is trekken, rukken. Peri is rondom. Martha werd rondom getrokken. Aan alle kanten. Ze werd niet in beslag genomen; ze werd in stukken getrokken, naar alle kanten tegelijk, door wat er allemaal moest. Het is het woord voor iemand die door vier mensen tegelijk aan zijn mouwen wordt getrokken en daardoor nergens komt.
En dan het voorzetsel: peri pollēn diakonian. Rondom het vele bedienen. Peri, rondom, tegenover Maria’s pros, naar toe. Maria is pros tous podas, naar de voeten toe, gericht op één punt. Martha is peri polla, rondom de vele dingen, in cirkels. Twee voorzetsels, en het hele verschil tussen bewegen en gaan zit erin. Wie naar iets toe gaat, gaat. Wie rondom veel dingen beweegt, beweegt. Hij komt alleen nergens aan, omdat rondom geen richting heeft.
Dat is de anatomie van de vrouw in de keuken. Ze heeft de hele dag bewogen. Ze is geen moment stil geweest. En ze is nergens geweest, omdat elke beweging een cirkel was om een taak heen, en geen enkele beweging een richting had. Peri. Ze heeft haar verjaardag omcirkeld en niet bezocht.
Mevrouw geeft een bevel
Zij kwam erbij staan en zei: Heer, kan het u niet schelen dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dan dat zij mij helpt.
Epistasa. Ze kwam erbij staan. Letterlijk: ze ging erboven staan. Het is het werkwoord van iemand die zich boven een zittende opstelt. Martha komt vanuit de keuken de kamer in, gaat boven de Heer en haar zus staan, en spreekt de Heer aan alsof hij een huisgenoot is die iets over het hoofd ziet.
Kan het u niet schelen. Het is de zin die de leerlingen in de storm tegen hem roepen bij Marcus. Meester, kan het u niet schelen dat wij vergaan? Martha zegt hem in haar eigen huis, over het bedienen. En dan geeft ze een bevel: zeg haar. Mevrouw zegt tegen de Heer wat hij tegen haar zus moet zeggen.
Dat is waar het vele bedienen op uitloopt, en ik ken het uit elke familie waar één persoon alles doet. Het begint als geven. Het wordt rondgetrokken worden. En het eindigt als een aanspraak op de anderen: jullie moeten net zo bewegen als ik. Wie de hele dag in cirkels loopt, verdraagt niet dat er iemand zit. Niet omdat het onrechtvaardig is; omdat de zittende laat zien dat het ook anders kon.
En let op het woord dat zij gebruikt voor zichzelf: alleen. Monēn. Ze laat mij alleen. Het is het woord van de graankorrel die niet in de aarde valt en alleen blijft. Martha is alleen in een huis vol mensen, omdat ze rondom beweegt en niemand meer naar toe gaat.
Het ene
Martha, Martha.
De dubbele naam. Lucas gebruikt haar voor Simon, voor Saulus, voor Jeruzalem. Het is de vorm waarin iemand wordt geroepen tot hij ophoudt en luistert. Niet een verwijt. Een aanhouding.
Je bent bezorgd en in beroering over vele dingen. Maar één ding is nodig.
Bezorgd, en in beroering: thorybos is lawaai, tumult, het rumoer van een menigte. Martha is een menigte in zichzelf. En daartegenover: henos de estin chreia. Van één is er behoefte. Het ene.
Dat is de zin die de mystiek van drie tradities heeft gedragen, en ze komen hier samen. In het Hebreeuws is het de psalm: één ding heb ik van de Heer gevraagd, dat zoek ik: in het huis van de Heer te wonen al de dagen van mijn leven. Achat sha’alti. Eén. Het is het woord van het Sjema, echad, de Heer is één; en de mens die de Ene hoort, wordt zelf één, in plaats van rondom getrokken. En Maria heeft, zegt Jezus, het goede deel gekozen, tēn agathēn merida. Het deel, het erfdeel, de portie. De Levieten kregen geen land; hun deel was de Heer zelf. De Heer is mijn deel, zegt de psalm. Maria heeft het deel gekozen dat de Levieten kregen: geen grond, geen huis, geen keuken. De voeten.
En dat zal niet van haar worden weggenomen.
Hij stuurt Maria niet naar de keuken. Dat is het hardste van de scène voor Martha en het belangrijkste voor wie de scène leest. De oplossing voor de vrouw die in stukken wordt getrokken, is niet dat de zittende ook gaat bewegen. Het is niet meer handen. Het ene wordt beschermd tegen de vele. Maria mag blijven zitten, en Martha krijgt geen hulp, maar een naam die twee keer wordt gezegd.
De mysticus die het omdraaide
Er is één lezer geweest die deze scène op zijn kop heeft gezet, en ik kan er niet omheen omdat hij gelijk had. Eckhart preekte over Martha, en hij zei dat zij de rijpere van de twee was. Zij had al aan de voeten gezeten; zij wist wat Maria nu leerde; en zij was zo ver dat ze kon werken zonder daardoor van het ene te worden weggetrokken. Martha, Martha was voor hem geen terechtwijzing maar een geruststelling: jij hebt het, en Maria zal het ook krijgen. Maria zat nog aan de voeten omdat ze het nog niet kon dragen in de keuken.
Ik denk dat Eckhart de tekst verder duwt dan hij gaat. Maar hij zag iets wat de gebruikelijke lezing mist: dat het niet gaat om zitten tegenover bedienen. Lucas heeft niets tegen bedienen; hij is de evangelist van de diakonia, hij laat in Handelingen mensen aanstellen om te dienen. Het gaat om peri tegenover pros. Om rondom getrokken worden tegenover naar één ding toe zijn. Je kunt aan de voeten zitten en rondgetrokken worden door je gedachten. Je kunt in de keuken staan en bij het ene zijn. De vraag is niet of je beweegt. De vraag is of er een richting in zit.
In de praktijk
Ik vraag de vrouw van de verjaardag niet of ze de volgende keer moet gaan zitten. Dat heeft haar man al gezegd, en haar dochter, en het heeft niet gewerkt, omdat het de zin is van mensen die zitten tegen iemand die rondgetrokken wordt. Het klinkt als een verwijt en het bevestigt haar alleen-zijn.
Ik vraag: wat was het ene?
Ze begrijpt het niet meteen. Ik zeg: als er die dag één ding was waar je bij had willen zijn, wat was dat dan? En ze zegt, na een tijd: mijn dochter was er met haar nieuwe vriend, en ik heb hem eigenlijk niet gesproken.
Dat was het ene. Al het andere was polla, de vele dingen, het toetje, de koffie, de gluten. En het ene is voorbijgegaan terwijl zij eromheen bewoog.
Wat ik dan met haar doe, is niet haar leren zitten. Ik vraag haar het ene aan te wijzen voordat de dag begint. Eén ding, één mens, één gesprek. En daar naartoe te gaan, pros, terwijl de rest rondom haar gebeurt. Het toetje komt er wel. De vraag is of ze de vriend van haar dochter heeft gezien.
En het tweede: ik vraag wie haar Maria is. Wie er in haar familie zit terwijl zij beweegt, en wat ze over die persoon zegt. Bijna altijd is er iemand, en bijna altijd zit er een zeg haar in de zin. En dan kijken we naar wat Jezus doet: hij neemt het deel van de zittende niet weg. De zus die zit, de schoonzus die niet helpt, de broer die niet komt opdagen op de zaak: ze krijgen geen bevel. Wie rondgetrokken wordt, krijgt geen extra handen. Hij krijgt zijn naam, twee keer, en de vraag wat het ene is.
Waarom dit een manier van verdwalen is
Martha is niet van de weg af. Ze staat er middenin; de Heer is in haar huis. Ze is de weg kwijt terwijl ze hem ontvangt. Dat is wat deze manier zo moeilijk herkenbaar maakt: van buiten ziet ze eruit als toewijding. Ze beweegt meer dan wie ook. Ze doet alles. En ze komt nergens aan, omdat peri geen richting heeft, en een mens die aan alle kanten wordt getrokken, blijft precies waar hij is.
Maria zit, en zij is op weg. Niet omdat zitten beter is dan werken. Omdat haar gezicht naar één punt staat, en dat punt is de plek waar de weg is: de voeten.
Centrale figuren in dit artikel:
Martha die ontvangt,
Maria aan de voeten,
de vrouw die haar eigen verjaardag niet meemaakte
Bijbelgedeelten:
Lukas 10:38-42 (terwijl zij op weg waren; Martha ontving hem; Maria aan de voeten; periespato; kan het u niet schelen; zeg haar; Martha, Martha; bezorgd en in beroering over vele dingen; één ding is nodig; het goede deel; niet weggenomen);
Lkuas 10:30-37 (de Samaritaan, direct ervoor);
Markus 4:38 (kan het u niet schelen dat wij vergaan);
Handelingen 22:3 (aan de voeten van Gamaliël);
Psalm 27:4 (één ding heb ik gevraagd);
Psalm 16:5 en Numeri 18:20 (de Heer is mijn deel);
Deuteronomium 6:4 (de Heer is één)

