Elke dag langs de poort (de rijke man en Lazarus)
Over een poort waar twee mensen elke dag door heen en aan lagen, een naam die de rijke man de hele tijd al kende, en een kloof die pas wordt vastgezet als het lopen voorbij is
We kennen dit verhaal te goed. Dat is het probleem. Rijke man, arme man, hemel, hel, de rollen omgedraaid; we hebben het gehoord als kind en we horen het niet meer. Het is een plaatje geworden, purper en zweren, en het plaatje staat tussen ons en de tekst.
Dus ik begin niet bij het einde, bij de kloof en de vlammen. Ik begin bij het woord dat Lucas twee keer zet en dat de hele gelijkenis draagt, en dat in geen enkel plaatje voorkomt.
Elke dag.
Twee ritmes, één poort
Er was een rijk mens, gekleed in purper en fijn linnen, die elke dag schitterend feestvierde.
Dag na dag. En het bijwoord: lamprōs, schitterend, glanzend, stralend. Niet één feest. Een leven dat elke dag feest is, met een glans erover. Purper was de kleur van koningen, de verf uit de purperslak, duurder dan goud. Byssos, fijn linnen, was de stof van de hogepriester in Exodus 28. De man draagt de kleren van de tempel en het paleis tegelijk, en hij draagt ze dagelijks.
En een arme, Lazarus genaamd, was aan zijn poort gelegd, vol zweren, en verlangde verzadigd te worden met wat van de tafel van de rijke viel; zelfs de honden kwamen en likten zijn zweren.
Hij was gelegd. Voltooid verleden, passief: iemand had hem daar neergelegd, en hij lag er nog. Elke dag opnieuw werd hij gebracht, of hij lag er gewoon, ik weet het niet, de tekst zegt alleen dat hij daar lag zoals de rijke daar feestte: als toestand, als ritme. Twee levens die elke dag op hetzelfde uur langs hetzelfde punt gaan.
En dat punt is de pylōn. Ik heb dat woord jaren als “deur” gelezen. Het is geen deur. Een pylōn is een poortgebouw, de doorgang van een groot huis, de gang tussen straat en binnenplaats waar je doorheen loopt om binnen te komen. Lazarus ligt niet naast het huis. Hij ligt in de doorgang. Elke keer dat de rijke man naar buiten gaat of naar binnen komt, gaat hij langs hem heen, in een gang die niet breder is dan een paar meter. Hij hoeft de weg niet over te steken zoals de priester en de leviet. De gewonde ligt in zijn eigen poort. Hij stapt eroverheen.
Elke dag. Dat is de hele zonde van de rijke man, en Lucas noemt geen andere. Let daarop, want het plaatje heeft hem slecht gemaakt en de tekst doet dat niet. Er staat niet dat hij Lazarus sloeg, of wegjoeg, of bestal. Er staat niet dat hij zijn rijkdom onrechtmatig had. Er staat niet dat hij God lasterde. Er staat dat hij elke dag schitterend feestvierde, en dat er iemand aan zijn poort lag. Meer niet. Zijn hele misdaad is een ritme.
De honden kwamen
Er is één groep in de gelijkenis die de beweging maakt die de rijke man nooit maakt.
Zelfs de honden kwamen. Ērchonto. Ze kwamen. Het werkwoord van komen, naar iemand toe. Honden waren in Israël onrein, straatdieren, aaseters; het woord was een scheldwoord. En Lucas laat de onreinste dieren van de stad doen wat de man in het priesterlinnen niet doet: ze gaan naar Lazarus toe. Ze likken zijn zweren. Men geloofde dat hondenspeeksel wonden schoon hield. Wat het ook was, het was aanraking. De enige aanraking die Lazarus in zijn leven krijgt, komt van honden.
Dat is de Samaritaan van deze gelijkenis. De priester ging aan de overkant voorbij, de Samaritaan kwam. Hier gaat de man in purper elke dag door de poort, en de honden komen. Lucas legt de barmhartigheid steeds bij wie er niet voor in aanmerking komt, en hij legt de afstand bij wie de kleren draagt om haar te bewijzen.
De naam
Nu het detail dat de gelijkenis van alle andere onderscheidt en dat ik het langst niet zag omdat het te vertrouwd was.
Lazarus heeft een naam.
In geen enkele andere gelijkenis van Jezus heeft iemand een naam. De verloren zoon, de barmhartige Samaritaan, de rijke dwaas, de weduwe, de rechter, de zaaier: allemaal naamloos. Alleen hier. En de naam gaat naar de verkeerde. In elk verhaal dat men in die tijd vertelde, was het de rijke die een naam had; de rijke was iemand, de arme was een categorie. Lucas draait het om. De rijke is anthrōpos tis, een zekere mens. De arme heet Lazarus.
God helpt. El, God, en azar, helpen. De man aan de poort heet: God helpt. En God helpt hem niet, drie verzen lang. Hij ligt in de poort met een naam die een belofte is en zweren die haar tegenspreken. Wie het Hebreeuws hoorde, hoorde elke keer dat de naam viel: God helpt. En keek naar de poort en zag dat er niets gebeurde.
En dan komt het. In het Hades, in de kwelling, roept de rijke man naar Abraham: zend Lazarus.
Hij kent zijn naam.
Ik lees het nog eens om zeker te weten dat het er staat, en het staat er. De rijke man noemt Lazarus bij zijn naam. Hij heeft dus, al die dagen, geweten hoe de man in zijn poort heette. Hij is niet langs een onbekende gelopen. Hij is langs Lazarus gelopen, elke dag, en hij wist het.
Dat is de laag waarop het verhaal ophoudt een verhaal over rijk en arm te zijn en een verhaal wordt over wat elke mens doet. Niet: hij zag hem niet. Hij zag hem, kende zijn naam, en liep door. Elke dag. De naam kennen en niet komen, dat is de manier van verdwalen die hier wordt beschreven, en ze is preciezer en pijnlijker dan onverschilligheid.
Wat het dagelijkse doet
Waarom kan een mens elke dag langs iemand lopen wiens naam hij kent en niet stilstaan?
Omdat het dagelijkse het mechanisme is. Ik zeg dat niet als verontschuldiging maar als anatomie. Een zenuwstelsel is gebouwd om te wennen. Wat er elke dag is, houdt op een gebeurtenis te zijn en wordt achtergrond. Het eerste geluid van een klok hoor je; de tiende dag hoor je hem niet meer. De eerste keer dat je iemand in je poort ziet liggen, stokt er iets in je; de dertigste keer is hij deel van de poort geworden, zoals de drempel en de klink. Niet omdat je hard bent. Omdat je lichaam heeft gedaan wat het doet met alles wat zich herhaalt: het uit de aandacht halen om ruimte te maken voor wat nieuw is.
Het dagelijkse is de veiligste plaats om iets te verbergen. Niet in het donker, niet ver weg. In de poort, elke dag, op dezelfde plek. Wat daar ligt, wordt onzichtbaar door zichtbaarheid. De vrouw die elke avond aan tafel zit en die haar man twintig jaar niet meer heeft gezien, ligt in de poort. Het kind dat elke dag stil naar zijn kamer gaat, ligt in de poort. De broer die elke kerst komt en niets zegt, ligt in de poort. Iedereen kent zijn naam. Iedereen loopt erlangs. En de glans van het feest, lamprōs, maakt de rest: wie in het licht staat, ziet niet wat in de gang ligt.
Dat is waarom deze gelijkenis over elke dag gaat en niet over rijkdom. De rijkdom is de omstandigheid. Het ritme is de zonde.
De dood, en wie er begraven wordt
En het gebeurde dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen naar de schoot van Abraham. Ook de rijke stierf, en werd begraven.
Twee doden, één zin elk, en een verschil dat je pas ziet als je het naast elkaar legt. Lazarus wordt gedragen. Door engelen. Er staat niet dat hij begraven werd; waarschijnlijk werd hij dat niet, hij was een bedelaar met zweren, zijn lichaam ging naar de kuil. Maar engelen droegen hem. De rijke werd begraven, etaphē, met alles wat erbij hoorde, de stoet, de klaagvrouwen, het graf in de rots. En dat is alles wat er over hem gezegd wordt. Niemand droeg hem.
De schoot van Abraham. Ik moet dat woord uitleggen, want ook dat is een plaatje geworden. De kolpos is de plaats aan een maaltijd. Wie aanlag naast de gastheer, lag met zijn hoofd tegen diens borst; Johannes zegt van de geliefde leerling dat hij in de schoot van Jezus lag bij het laatste avondmaal. In de schoot van Abraham liggen betekent: aanliggen naast de gastheer, op de ereplaats, aan het feest. Lazarus, die elke dag verlangde naar wat van de tafel viel, ligt nu aan de tafel, op de plaats naast wie het feest geeft. Het feest van de rijke man is verplaatst, en de plaatsen zijn omgedraaid. De gelijkenis van de ereplaats, twee hoofdstukken eerder, wordt hier uitgevoerd.
En Abraham. Waarom Abraham? Niet alleen omdat hij de vader is. Omdat Abraham de man is die in de opening van zijn tent zat op het heetst van de dag, drie vreemdelingen zag, en rende. Genesis 18. Hij rende naar hen toe, hij boog zich, hij liet water halen, hij liet Sara bakken, hij koos zelf een kalf uit en liep erheen. De man die in de opening van zijn tent zat en rende naar wie voorbijkwam. De rijke man zat binnen zijn poort en liep langs wie er lag. Lucas legt Lazarus in de schoot van precies de man die het tegendeel deed van de rijke. De gastvrijheid van Abraham en de poort van de rijke zijn elkaars spiegel, en Lazarus wordt van de ene naar de andere gedragen.
Van verre
En in het Hades sloeg hij zijn ogen op, in kwelling, en zag Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot.
Hij sloeg zijn ogen op. Voor het eerst in het verhaal kijkt de rijke man. Hij heeft in de poort nooit gekeken; nu, in de kwelling, kijkt hij, en wat hij ziet is apo makrothen, van verre. De afstand die er in de poort niet was, een paar meter, is nu een afstand geworden waarover je alleen kunt roepen.
Van verre. Het is de uitdrukking die Lucas voor Petrus bewaart, die van verre volgt als Jezus wordt weggeleid. Het is de afstand van wie erbij was en er niet bij is. De rijke man ziet nu Lazarus zoals hij hem nooit heeft gezien: op afstand, als iemand aan een feest waar hij zelf niet aan ligt.
Vader Abraham, ontferm u over mij, en zend Lazarus, dat hij de top van zijn vinger in water doopt en mijn tong verkoelt.
Zijn tong. Het orgaan van het feest, van het proeven, van elke dag lamprōs. Waar hij mee genoot, daar brandt het. En hij vraagt om een druppel. Hij, die elke dag een tafel had waar dingen vanaf vielen, vraagt om de vingertop van de man die naar die kruimels verlangde. De maat is omgedraaid tot in het kleinste: kruimels tegenover een druppel.
En kijk hoe hij vraagt. Zend Lazarus. Hij spreekt Lazarus niet aan. Hij spreekt over hem, tegen Abraham, als over een knecht die gestuurd kan worden. Zend hem. Later nog eens: zend hem naar mijn broers. Tot in het Hades is Lazarus voor de rijke man iemand die je stuurt. Hij heeft hem nooit iets gevraagd, nooit iets gezegd, en ook nu, na de dood, na de omkering, richt hij zich niet tot hem. Hij kent zijn naam en gebruikt haar om hem te laten halen.
Dat is het diepste in de gelijkenis, en ik heb er nooit in een preek over gehoord. De omkering verandert de rijke man niet. Hij is in het Hades wie hij in de poort was: iemand die Lazarus bij name kent en niet aankijkt.
Kind, gedenk
Kind, gedenk dat jij je goede dingen hebt ontvangen in je leven, en Lazarus evenzo het kwade; nu wordt hij hier getroost en jij lijdt pijn.
Kind. Abraham noemt hem kind. Niet: vreemde, niet: verworpene. Hij is een zoon van Abraham, hij hoort erbij, en Abraham spreekt hem toe met de tederheid van een vader. Dat wordt bijna altijd overgeslagen. De man in de kwelling wordt door zijn vader kind genoemd. De uitsluiting is niet uit het geslacht. Zij is uit het feest.
Gedenk. Herinner je. Het is het enige wat hem nog gegeven wordt: geheugen. In de poort had hij het niet nodig, daar was Lazarus elke dag, er viel niets te herinneren. Nu is hij weg, en blijft de herinnering over, als het enige waarmee de kloof nog te overzien is. De vrouw van Lot werd zout omdat ze gedacht; de rijke man moet nu gedenken wat hij toen niet zag. Twee manieren waarop het geheugen de weg vervangt.
Jij hebt je goede dingen ontvangen. Apelabes. Je hebt het gekregen, en het is op. Niet: je hebt gestolen. Je hebt ontvangen, en je hebt het gehouden, en er is een balans, en zij is nu omgeslagen. Lucas denkt hier in de wet die onder elke relatie ligt: wat is ontvangen, vraagt om te worden doorgegeven, en waar dat niet gebeurt, komt de vereffening van buiten, en later, en zonder overleg.
De kloof die wordt vastgezet
En bovendien: tussen ons en jullie is een grote kloof gevestigd, zodat wie van hier naar jullie wil oversteken, het niet kan, en men ook niet van daar naar ons overkomt.
Een grote kloof is vastgezet.
Ik lees het werkwoord en herken het. Estēriktai, van stērizō, vastzetten, verankeren, stevig maken. Het is het werkwoord dat Lucas gebruikte in 9:51, toen de reis begon: hij stelde zijn gezicht, estērisen to prosōpon. Het gezicht werd vastgezet naar Jeruzalem. Dat is het derde stuk van deze serie. En nu, aan het einde van de reis in de gelijkenissen, wordt er iets anders vastgezet: een kloof.
Wat in het leven niet is vastgezet, het gezicht naar de poort, wordt na de dood vastgezet als afstand. De rijke man heeft nooit zijn gezicht gesteld naar de man in zijn gang. De richting bleef ongesteld. En het ongesteld gebleven gezicht wordt, aan de andere kant, een kloof die niemand kan oversteken. Diabēnai. Oversteken. Het werkwoord van de weg, van de doortocht, van wie van de ene kant naar de andere gaat. In de poort was oversteken twee stappen. Nu is het onmogelijk. Dezelfde afstand, maar de tijd om hem te lopen is voorbij.
Dat is wat de gelijkenis over de weg zegt, en het is haar hardste zin: de weg naar de ander ligt in het leven aan je poort, twee stappen ver, en na het leven is diezelfde weg een kloof. Niet omdat God haar graaft. Omdat de niet-gelopen stappen zich vastzetten. Wat je dagelijks niet doet, wordt na de dagen het enige wat niet meer kan.
Ik ken dat vanuit mijn werk met mensen wier vader of moeder is overleden. De zin die ze niet hebben gezegd, de stap die ze niet hebben gezet naar de kamer aan het eind van de gang: bij leven twee stappen, elke dag beschikbaar, elke dag uitgesteld. Na de dood een kloof. Wat overblijft is gedenk. En dat is wat Abraham hem geeft, omdat het het enige is wat er nog te geven valt.
De vijf broers
Ik vraag u dan, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader zendt, want ik heb vijf broers, opdat hij hen dringend waarschuwt, zodat ook zij niet in deze plaats van kwelling komen.
Nu komt het systeem. Het huis van mijn vader, oikos tou patros, bet av in het Hebreeuws, de familie als eenheid. Vijf broers. De rijke man was geen alleenstaande; hij was er één van zes, en de andere vijf leven nog en feesten nog en hebben ieder een poort. Hij weet dat. Hij weet dat zij precies doen wat hij deed, elke dag, en dat er bij hen ook iemand ligt.
En zijn oplossing is een teken. Zend Lazarus. Laat iemand uit de dood komen en het hun zeggen, dan zullen ze wel luisteren.
Zij hebben Mozes en de profeten; laat hen die horen.
Mozes en de profeten lagen ook in de poort. Deuteronomium 15: als er onder u een arme is, een van uw broeders, in een van uw poorten, dan zult u uw hart niet verharden en uw hand niet sluiten voor uw arme broeder. In uw poorten. Het staat er letterlijk, het woord poort. Jesaja 58: breek de hongerige uw brood, breng de zwervende armen in uw huis. De broers hebben niet een teken nodig. Zij hebben een tekst die ze al hebben en een poort die ze al hebben, en de tekst zegt wat er in de poort te doen is. Het teken zou hun niets vertellen wat ze niet konden weten door de gang door te lopen en naar beneden te kijken.
Als zij naar Mozes en de profeten niet horen, zullen zij zich ook niet laten overtuigen als iemand uit de doden opstaat.
Lucas schrijft dit voor lezers die weten dat er iemand uit de doden is opgestaan. En dat het niet heeft geholpen bij wie de poort al niet zag. Wie het dagelijkse niet kan zien, zal het wonder ook niet zien, want het wonder is het dagelijkse met een naam. En Johannes vertelt van een andere Lazarus, uit Bethanië, die werkelijk uit het graf kwam, en de eerste reactie van de raad was: laten we hem ook doden. Het teken waar de rijke man om vraagt, is gegeven, met dezelfde naam, en het bracht wie de poort niet zag tot moord in plaats van tot omkeer.
Wat het verhaal niet zegt
Ik moet nog iets zeggen over wat er niet staat, want de vertrouwdheid heeft er dingen bijgezet.
Er staat niet dat de rijke man slecht was. Er staat niet dat Lazarus goed was. Lazarus doet niets; hij ligt, verlangt, wordt gelikt, sterft, wordt gedragen. Hij zegt geen woord in de hele gelijkenis. Er wordt geen deugd van hem genoemd. Zijn enige eigenschap is dat hij daar lag en dat God helpt heette. De omkering is geen beloning voor braafheid en geen straf voor boosheid. Ze is een vereffening van wat ontvangen is en niet is doorgegeven. Jij hebt je goede dingen ontvangen, en Lazarus het kwade. Balans. Niet moraal.
Lucas heeft de vorm van dit verhaal niet verzonnen. Er ging in Egypte en in Israël een verhaal rond over een rijke tollenaar en een arme geleerde die na hun dood omgekeerde lotgevallen hadden, en in de joodse versies wordt altijd uitgelegd waarom: de rijke had ooit één goede daad gedaan, waarvoor hij op aarde beloond werd; de arme had één zonde begaan, waarvoor hij op aarde gestraft werd. Er is een boekhouding. Lucas haalt die weg. Bij hem is er geen verklaring, geen goede daad, geen zonde. Alleen de poort en het elke dag. Hij heeft het verhaal dat iedereen kende ontdaan van zijn reden, en wat overblijft is kaler en waarder: een man liep dagelijks langs iemand wiens naam hij kende.
In de praktijk
Ik vraag mensen zelden wie er aan hun poort ligt. Ze zouden het niet weten, want het dagelijkse heeft het onzichtbaar gemaakt. Ik vraag iets anders. Ik vraag: wiens naam ken je, in je eigen huis, zonder dat je nog naar hem toe gaat?
Dan wordt het stil, en dan komt er een naam. Bijna altijd. De vrouw aan tafel. Het kind op zijn kamer. De vader in het verzorgingshuis die elke zondag wordt bezocht en met wie in tien jaar niets is gezegd. De broer die het bedrijf uit is gegaan en met kerst komt. Namen die iedereen kent en waar iedereen elke dag, elke week, elke kerst langs loopt.
En dan vraag ik naar de poort. Waar loop je langs hem heen? Het is altijd een concrete plek. De gang. De tafel. De parkeerplaats bij het verzorgingshuis. De poort is nooit ver; ze is per definitie de plek waar je dagelijks doorheen gaat. Dat is wat haar tot poort maakt.
Wat ik dan niet vraag, is een groot gebaar. Geen wonder, geen iemand uit de doden. De honden kwamen en likten de zweren. Dat is de maat: komen, en aanraken wat pijn doet. Eén keer langzamer door de gang. Eén keer naar beneden kijken. Eén zin die de naam gebruikt, niet om te sturen, maar om aan te spreken. Zend Lazarus is de zin van wie de naam kent en niet komt. Lazarus is de zin van wie komt.
En ik zeg erbij wat de gelijkenis zegt over de tijd: de kloof is er nu nog niet. Nu zijn het twee stappen. De kloof wordt vastgezet als het lopen voorbij is, niet eerder. Wie dat weet, hoeft niet bang te zijn voor het Hades. Hij hoeft alleen door zijn eigen gang te lopen alsof hij hem voor het eerst ziet.
Waarom dit een manier van verdwalen is
Van alle dertien manieren is dit de manier zonder beweging in de verkeerde richting. De rijke man loopt niet weg, kijkt niet om, steekt niet over, bouwt geen schuur, kiest geen plaats. Hij gaat elke dag door zijn eigen poort. Zijn leven is volkomen op orde, en de weg lag in de gang waar hij doorheen liep, en hij is er nooit op gegaan.
De weg is bij Lucas nooit ver. Dat is wat deze gelijkenis aan de serie toevoegt. Hij loopt niet naar Jeruzalem, niet naar Emmaüs, niet naar het verre land. Hij ligt in de poort, met een naam, en de dagen zijn de vermomming.
Zend Lazarus, zegt de man, tot in het Hades. Lazarus, God helpt. Hij vraagt om te zenden wat hem elke dag was gestuurd.
Centrale figuren in dit artikel:
de rijke man in purper,
Lazarus aan de poort,
de honden die kwamen,
Abraham die rende,
de vijf broers,
de mensen wier naam we kennen en langs wie we lopen
Bijbelgedeelten:
Lukas 16:19-31 (elke dag schitterend; gelegd aan zijn poort; de honden kwamen; gedragen naar de schoot van Abraham; begraven; van verre; zend Lazarus; de top van zijn vinger; kind, gedenk; een grote kloof vastgezet; oversteken; vijf broers; Mozes en de profeten; als iemand uit de doden opstaat);
Lukas 9:51 (estērisen, hij stelde zijn gezicht);
Lukas 14:7-11 (de ereplaats);
Lukas 22:54 (Petrus, van verre);
Genesis 18:1-8 (Abraham in de opening van zijn tent, en hij rende);
Exodus 28:5-6 (purper en fijn linnen);
Deuteronomium 15:7-11 (een arme in een van uw poorten; verhard uw hart niet);
Jesaja 58:6-7 (breek de hongerige uw brood);
Johannes 13:23 (in de schoot van Jezus);
Johannes 11:43-44 en 12:10 (Lazarus uit Bethanië, en het besluit hem te doden);
Jerusalem Talmud Sanhedrin 6:23c en
Jerusalem Talmud Chagiga 2:2 (de arme geleerde en de rijke tollenaar, de omgekeerde lotgevallen)

