Inleiding a: de taal onder de taal
Dit artikel hoort bij de serie: een-mystieke-reis-door-het-hooglied/
Het Hooglied heeft twee woorden voor liefde, en ze gedragen zich verschillend. Dodim staat in het meervoud. Tovim dodecha miyayin, zegt de vrouw in het tweede vers: jouw liefkozingen zijn beter dan wijn. Dodim kun je tellen, proeven, geven en ontvangen. Het zijn handelingen tussen twee lichamen, en ze lijken op wijn omdat ze je buiten jezelf brengen.
Ahavah is enkelvoud en gedraagt zich als een wezen. Drie keer bezweert de vrouw de dochters van Jeruzalem: wek de liefde niet, maak haar niet wakker, ad shetechpatz. Tot zij het wil. Het werkwoord heeft de liefde zelf als onderwerp. Niet de geliefden bepalen wanneer ahavah ontwaakt; zij slaapt en zij wordt wakker op haar eigen tijd. Dat verschuift alles. Wie liefheeft, bezit iets. Wie in ahavah staat, is in iets terechtgekomen dat een eigen wil heeft.
Met dodim begint het boek, met ahavah loopt het uit. Tussen die twee ligt de hele reis: van wat je doet naar wat je overkomt.
Dan valt me op hoe weinig er in dit boek gezien wordt, vergeleken met hoeveel er geroken wordt. Mirre, nardus, saffraan, kalmoes, kaneel, wierook, aloë, de geur van haar kleren die is als de geur van de Libanon. Geen boek in de Bijbel ruikt zo. In het Hebreeuws is geur re’ach, en de adem, de wind, de geest heet ruach. Dezelfde wortel. Wat je ruikt, is wat in je ademhaling meekomt. Geur is geest die je binnenkrijgt zonder dat je ervoor kiest, want inademen kun je niet laten.
Ik weet waarom dit klopt, ook buiten de taal. Geur is de enige zintuiglijke prikkel die niet eerst langs de schakelplaats in de hersenen gaat die alles ordent en benoemt. Hij komt vrijwel rechtstreeks aan in de oude delen waar emotie en herinnering wonen. Een geur roept iets op voordat je weet wat het is. En het eerste wat een pasgeborene van zijn moeder herkent, is haar geur. Nog voor het gezicht, lang voor het woord. De vroegste verbondenheid van een mens is een geurverbinding.
Daar zit de wortel van het verlangen waarover dit boek zingt. Wie het Hooglied leest en zich geraakt voelt op een manier die hij niet kan uitleggen, wordt aangeraakt op een laag van vóór de taal. Het boek spreekt het lichaam aan dat nog weet hoe nabijheid rook voordat het wist hoe nabijheid heette. Daarom lukt het niet om het Hooglied te begrijpen en daarna geraakt te worden. De volgorde is andersom, en ze is ouder dan wijzelf.
In het derde vers wordt dat een naamkunde. Shemen turak shemecha: als uitgegoten olie is jouw naam. Shem, naam, en shemen, olie, delen hun letters. De naam van de geliefde ruikt. Een naam verspreidt zich in deze taal zoals olie zich verspreidt als je het flesje openmaakt: je kunt hem niet terugstoppen, en de hele kamer weet dat hij er is. Zo draagt de geliefde zijn naam, en zo komt de Naam die in het boek ontbreekt toch de kamer binnen. Als geur.
Hier wil ik over de natuur schrijven als decor dat meespeelt. Hier glijd ik weg; de tekst gaat verder dan dat. In 2:12 staat et hazamir higia. Bijna alle vertalingen maken ervan: de tijd van het zingen is gekomen. Maar zamir betekent ook snoeien. Het is de tijd van de wijnranken insnijden. Het Hebreeuws kiest niet. Het lied en het mes zijn één woord. De lente waarin de geliefde de vrouw roept om op te staan en mee te komen, is ook de tijd dat er wordt weggesneden wat niet meer draagt. Wie wil dat er gezongen wordt, zal iets moeten laten afsnijden.
Dat verandert hoe ik het verlangen in dit boek lees. Het verlangen vraagt om een snede. De stem die over de bergen springt, komt niet om iets toe te voegen aan een leven dat al af is. Hij komt in het seizoen van de snoeischaar.
Wie opgroeit met te weinig nabijheid, of met nabijheid die niet klopte, leert vroeg om het verlangen in te houden. Dat is verstandig. Een kind dat verlangt naar wat niet komt, doet zichzelf pijn, dus het leert niet meer te verlangen, of alleen nog naar wat veilig is. Die bescherming wordt ingesnoerd in het lichaam: een ademhaling die nooit helemaal doorgaat, een borst die zich niet opent. Het Hooglied leest als een tekst die precies daar aanklopt. Het roept de adem aan, de geur, de ruach. En het zegt tegelijk: wek haar niet voordat zij het wil. Het verlangen mag niet geforceerd worden, ook niet door de lezer die graag geraakt wil worden.
Daar sta ik aan het begin van dit boek, en het is een ongemakkelijke plek. Je kunt de liefde niet wekken. Je kunt alleen leren ademen op een manier dat je haar ruikt als ze komt.
