Inleiding c: onder ede gelezen
Dit artikel hoort bij: een mystieke reis door het Hooglied
In de Hebreeuwse tekst staat niet wie er spreekt. Geen namen boven de verzen, geen regieaanwijzingen, geen ‘zei zij’. Vertalingen zetten er ‘de bruid’ en ‘de bruidegom’ boven, maar dat is achteraf toegevoegd. Wie wil weten wie er spreekt, moet luisteren naar de uitgang van de woorden. Het Hebreeuws verbuigt naar geslacht, ook in de tweede persoon. Jij-vrouw klinkt anders dan jij-man.
In 1:15 en 1:16 hoor je dat het scherpst. Hinach yafah ra’yati, zegt hij: zie, je bent mooi, mijn vriendin. Hinecha yafeh dodi, zegt zij terug: zie, jij bent mooi, mijn geliefde. Dezelfde zin, gespiegeld, alleen de klinkers en uitgangen wisselen van geslacht. Hij opent, zij antwoordt in precies zijn woorden, en in dat antwoord verschuift alleen wat mannelijk en vrouwelijk is. Het boek leert je lezen met je oren, en het eerste wat je oren horen is dat liefde hier een echo is die niet identiek terugkomt.
Dat vraagt een ander soort aandacht dan ik gewend ben bij lezen. Ik kan niet over de tekst heen kijken naar de betekenis. Ik moet bij de lettergreep blijven. Wie haast heeft, weet niet meer wie er spreekt.
Daarbij komt dat de Hebreeuwse tekst oorspronkelijk alleen medeklinkers had. De klinkers, de adem tussen de letters, bracht de lezer zelf mee. Een woord bestond pas als iemand het uitsprak. Het Hooglied lag dus eeuwenlang op perkament als een geraamte dat wachtte op de adem van wie het las. De tekst was onaf zonder lezer, en de lezer bepaalde met zijn adem welk woord er klonk.
Kijk dan naar de beelden. Je haar is als een kudde geiten die afdaalt van de berg Gilead. Je tanden zijn als een kudde geschoren schapen die uit de wasplaats komen. Wie probeert dit voor zich te zien, krijgt een absurd plaatje. Schilders die het hebben geprobeerd, maakten er iets lachwekkends van. Deze beelden werken niet door hoe iets eruitziet. Ze werken door hoe iets beweegt en hoe het voelt. Een kudde zwarte geiten die van een helling stroomt, golvend, glanzend, dat is de beweging van haar haar als ze haar hoofd draait. De vergelijking gaat buiten het oog om, rechtstreeks naar de plek waar je beweging en warmte voelt.
Dan de dochters van Jeruzalem. Zij staan in het boek als koor, als toeschouwers, als degenen tegen wie de vrouw spreekt als haar geliefde weg is. Zij stellen de vragen die een lezer ook zou stellen: wat is jouw geliefde meer dan een andere geliefde? Waar is hij heen gegaan? Wie het boek leest, staat in hun schoenen. Wij zijn de dochters van Jeruzalem.
En tegen die dochters zegt de vrouw drie keer: ik bezweer jullie, bitsva’ot o be’aylot hasadeh, bij de gazellen of bij de hinden van het veld, wek de liefde niet voordat zij het wil. Een eed zonder God. Maar luister naar de klank. Tseva’ot, gazellen, klinkt als Tseva’ot uit de Naam Heer der heerscharen. Aylot hasadeh, hinden van het veld, klinkt als El Shaddai. De tekst zweert bij God zonder Hem te noemen. Hij verschuilt de Naam in schuwe dieren die wegschieten als je te dichtbij komt.
Hier glijd ik weg naar het mooie ervan. Belangrijker is wat de eed van de lezer vraagt. Wie leest, wordt onder ede genomen. De lezer belooft iets, en wat hij belooft is een vorm van nalaten: niet wekken, niet forceren, niet naar binnen breken. Het boek vraagt je om te lezen zoals je een gazelle nadert. Een stap te veel, en ze is weg.
Dat is het ongemakkelijke van deze tekst voor wie gewend is om te begrijpen. Begrijpen is naar binnen gaan en vastpakken. Deze tekst verdwijnt als je dat doet, zoals de geliefde verdwijnt als zij hem wil houden. Wat overblijft is een lezing die lijkt op wachten, op luisteren naar de uitgang van een woord, op adem geven aan medeklinkers die niet van jou zijn.
Ik weet niet waar deze reis heen gaat. Ik weet alleen dat ik er onder ede aan begin, met een Naam die zich verstopt in dieren, en een tekst die pas klinkt als ik hem adem geef.
