3. In de vertrekken van de koning (1:9–2:7),
Dit artikel hoort bij de serie: een-mystieke-reis-door-het-hooglied/
Het eerste wat hij over haar zegt, is een vergelijking die elke romantische lezing in de war brengt. Bij een merrie tussen de strijdwagens van Farao vergelijk ik jou, mijn vriendin. Een paard. Van Farao.
De strijdwagens van Egypte werden getrokken door hengsten. Er bestaat een oud Egyptisch verslag van een veldslag waarin de vijand een merrie losliet tussen de wagens, en de hengsten sloegen op hol. De slagorde viel uit elkaar. Eén merrie was genoeg om het leger van de farao te ontregelen. Dat is het beeld. Haar schoonheid brengt de orde van de macht aan het wankelen. Het is geen compliment over haar uiterlijk. Het is een uitspraak over wat zij aanricht.
En het is Farao. Het volk dat dit lied met Pesach leest, hoort de wagens die in de zee verdronken. Wat daar met een wonder gebeurde, gebeurt hier met een vrouw. De bevrijding uit Egypte begint opnieuw, in een lichaam dat de hengsten van de onderdrukker wild maakt.
Dan de vertrekken. In het vorige fragment had de koning haar binnengebracht in zijn kamers, en ik verwachtte dat het boek me nu een paleis zou laten zien. In 1:16 en 1:17 zegt ze: ons bed is groen, de balken van ons huis zijn ceders, onze sparren zijn cipressen. Het paleis is een bos. De binnenste kamer van de koning heeft een dak van takken en een bed van gras. De vertrekken liggen buiten. Wat ik zocht als afgesloten ruimte, blijkt het open veld te zijn.
Ik blijf daarbij hangen, omdat het tegen mijn intuïtie ingaat. Intimiteit zoek je binnen, achter een deur. Hier ligt de intiemste plek onder de bomen, zonder muur. Het heiligste is hier het minst ingesloten.
Ondertussen, zegt ze in 1:12, terwijl de koning aan zijn tafel lag, gaf mijn nardus zijn geur. Bimsibo: aanliggend, zoals men aanlag aan een feestmaal, zoals men op de sedernacht aanligt. De oude uitleggers lazen hier iets onverwachts. Terwijl de Koning op de berg was en de Tora gaf, verspreidde Israëls nardus zijn geur: het gouden kalf. De geur die opsteeg, was ontrouw. Het vers laat het open. Een geur verspreidt zich, en je weet pas wat erin zat als hij de kamer al gevuld heeft. Wat in een mens zit, komt naar buiten in de nabijheid van de koning, het mooie en het andere tegelijk.
Een bundel mirre is mijn geliefde voor mij, tussen mijn borsten overnacht hij. Mor, mirre, komt van mar, bitter. Mirre werd gebruikt om te zalven en om doden te balsemen. Wat zij tussen haar borsten draagt, ruikt naar bruiloft en naar graf. En direct daarna: een tros kofer is mijn geliefde, uit de wijngaarden van En Gedi. Kofer is henna, een bloeiende struik in de oase bij de Dode Zee. Het is ook het woord voor losgeld, voor verzoening, de wortel van Kippoer. Mijn geliefde is voor mij een tros verzoening. In twee verzen: bitterheid en losprijs, de dood en wat ervan vrijkoopt, allebei als geur op haar huid.
In 2:1 maakt ze zich klein. Ik ben een krokus van de Saron, een lelie uit de dalen. Veldbloemen, gewoon, overal te vinden. Na de merrie die een leger ontwricht, noemt ze zichzelf een bloem in de berm. Hij antwoordt: als een lelie tussen de doornen, zo is mijn vriendin tussen de meisjes. Hij tilt haar uit de massa, maar hij doet het met doornen eromheen. Wie echt gezien wordt, wordt gezien samen met wat haar omringt en schaadt.
Hij bracht mij in het huis van de wijn, vediglo alai ahavah, en zijn banier over mij was liefde. Degel is een veldteken, een vaandel waaronder een legerafdeling trekt. Opnieuw het leger. Maar het midrasj leest hier een andere klinker: dilugo, zijn overspringen. Als een eenvoudig mens in de synagoge leest en zich vergist, ve’ayavta in plaats van ve’ahavta, gij zult haten in plaats van gij zult liefhebben, dan zegt God: zijn gestamel is voor mij liefde. De fout die over de letter heen springt, wordt liefde genoemd. Dat raakt me meer dan welke banier ook. De vertrekken van de koning zijn een plek waar je je mag verspreken.
In 2:5 bezwijkt ze. Ik ben ziek van liefde. Versterk me met rozijnenkoeken, verkwik me met appels. Het lichaam van iemand die verliefd is, gedraagt zich als een lichaam in onthouding: onrust, slapeloosheid, geen trek, een gedachte die telkens terugkeert. Dezelfde oude hersengebieden die bij verslaving actief zijn, worden in de verliefdheid aangesproken. Het boek wist dat al. Liefde maakt ziek, en de vrouw vraagt niet om genezing. Ze vraagt om voeding om de ziekte te kunnen dragen.
Zijn linkerhand onder mijn hoofd, zijn rechterhand omarmt mij. In de kabbala staat links voor gevurah, kracht, begrenzing, oordeel. Rechts voor chesed, overvloeiende goedheid. De linkerhand ligt onder haar hoofd en draagt het. De rechterhand omsluit haar. Het strenge draagt, het zachte omarmt. Ik had het omgekeerd verwacht. Maar zo ligt het: de grens is wat haar hoofd ondersteunt, de goedheid is wat haar omvat. Zonder de linkerhand zou de omarming haar niet kunnen dragen. Zonder de rechter zou de steun haar niet warm houden.
Daarna komt de bezwering: wek de liefde niet voordat zij het wil. Aan het eind van dit fragment is dat geen voorzichtigheid meer. Ze ligt in de armen van twee handen die samen een wereld vormen, links en rechts, grens en goedheid, in een paleis dat een bos is. Wie haar daaruit wekt, haalt haar weg uit de enige plek waar het strenge en het tedere elkaar niet uitsluiten.
