5. De nachtelijke zoektocht (3:1–5)
Dit artikel hoort bij de serie: een-mystieke-reis-door-het-hooglied/
Vier keer in vier verzen zegt ze she’ahavah nafshi. Hem die mijn ziel liefheeft. Ze noemt hem geen enkele keer bij naam. Niet dodi, niet mijn koning, niet mijn herder. Alleen: degene die mijn ziel liefheeft. In deze nacht bestaat hij nog maar als de richting van haar eigen verlangen. Wie hij is, weet ze niet meer. Ze weet alleen dat haar ziel naar hem toe staat, zoals een naald naar het noorden.
Op mijn bed, in de nachten. Meervoud. Dit gebeurt niet één keer. Nacht na nacht ligt ze op dezelfde plek en zoekt ze hem op de plek waar hij zou moeten liggen. Bikashtiv velo metsativ: ik zocht hem en vond hem niet. De zin staat er twee keer, aan het begin en na de eerste ronde door de stad. Het zoeken wordt herhaald, en het niet-vinden ook. Zo klinkt een toestand die langer duurt dan je wil.
Ik sta op, zegt ze, en ik ga rond in de stad. En dan: de wachters vonden mij, zij die rondgaan in de stad. Hetzelfde werkwoord. Zij gaat rond, de wachters gaan rond. Zij lopen dezelfde kringen door dezelfde straten. En ook dat werkwoord keert om: zij vond hem niet, maar de wachters vonden haar. Wie zoekt en niet vindt, wordt zelf gevonden, alleen door de verkeerden.
Wie zijn die wachters? Ze bewaken de stad, de orde, de muur. Ze doen hun werk. In dit fragment doen ze haar niets, ze zijn er alleen. In hoofdstuk 5 zullen ze haar slaan. Hier nog niet. Ze vraagt het hun: hebben jullie hem gezien die mijn ziel liefheeft? Er komt geen antwoord. De wachters kennen de stad, maar ze kennen hem niet. Wat haar veilig houdt, weet niet waar haar liefde is.
Nauwelijks was ik hen voorbij, of ik vond hem. Het vinden gebeurt vlak na de wachters, niet bij hen. Avarti: ik ging voorbij, ik stak over. Het is het werkwoord waar ivri vandaan komt, Hebreeuwer, wie overgestoken is. Abraham heette zo, de man die de rivier overstak. Ze vindt hem pas als ze de bewakers achter zich heeft gelaten. Niet door hen te verslaan. Door verder te lopen.
Ik denk aan wat mensen in zichzelf hebben opgesteld als wachters. Stemmen die vroeger nodig waren: blijf binnen, pas op, verlang niet te veel, laat je niet zien. Ze lopen dezelfde rondes als het verlangen, ze kennen elke straat. Ze vinden je altijd. En je kunt ze niet vragen waar de liefde is, want dat weten ze niet. Ze weten alleen waar het gevaar was. Wie gevonden wil worden door wat haar ziel liefheeft, moet langs ze heen.
Ik greep hem en liet hem niet los. Achaz is vastpakken, en uit dezelfde wortel komt achuzah, bezit, een stuk grond dat je in handen hebt. Rafah, loslaten, is slap maken, de greep laten verslappen. Ze houdt hem zoals Jakob de engel hield bij de Jabbok: ik laat je niet gaan, tenzij je mij zegent. Jakob hield vast tot de dageraad. Hij kreeg een zegen en een heup die nooit meer goed werd.
In de kerk wordt dit fragment gelezen op de feestdag van Maria Magdalena. Zij ging naar het graf toen het nog donker was, zoals de vrouw in de nacht de stad in ging. Ze vroeg aan iemand die ze voor de tuinman hield: als u hem hebt weggedragen, zeg me waar. Een wachter, een man van de tuin, die ze vraagt of hij hem heeft gezien. En dan hoort ze haar naam, en ze herkent hem. En hij zegt: houd mij niet vast.
Hier sta ik met twee teksten die elkaar tegenspreken. Het Hooglied: ik greep hem en liet hem niet los. Het evangelie: houd mij niet vast. De liturgie heeft ze naast elkaar gelegd, en ik denk dat ze wist wat ze deed. In het ene wordt het vasthouden nog toegestaan. In het andere blijkt dat het vasthouden de ontmoeting niet meer draagt. De nacht van het zoeken eindigt met een greep. De ochtend daarna vraagt om een hand die openblijft. De vrouw in het Hooglied moet nog door een tweede nacht, in hoofdstuk 5, en daar zal ze hem niet meer grijpen.
Waar brengt ze hem heen? Naar het huis van mijn moeder, naar de kamer van haar die mij ontving. Cheder horati: de kamer waar zij verwekt werd. Ze brengt de geliefde naar de plek van haar eigen oorsprong. Dat is ontroerend en het is verontrustend. Ontroerend, omdat ze hem wil verbinden met waar ze vandaan komt. Wie liefheeft, wil de ander thuisbrengen, laten zien waar het begon. Verontrustend, omdat de kamer van de moeder de plek is waar een kind veilig was, en een geliefde die je daarheen brengt, moet de rol van die veiligheid op zich nemen. Een man die in het huis van de moeder wordt binnengebracht, wordt gevraagd om te zijn wat de moeder was.
En meteen daarna, alsof ze zichzelf hoort, bezweert ze opnieuw de dochters van Jeruzalem: wek de liefde niet voordat zij het wil. Na het grijpen, na het binnenbrengen in de moederkamer, na het niet loslaten: wek haar niet. Het is alsof ze weet dat wat ze vasthoudt, nog slaapt. Ze heeft hem, maar de liefde zelf is in die greep nog niet wakker geworden.
