6a. De koninklijke bruiloft (3:6–11)
Dit artikel hoort bij de serie: een-mystieke-reis-door-het-hooglied/
Wie is zij die opkomt uit de woestijn? Zot is vrouwelijk. De vraag gaat over een zij. En wat er dan verschijnt, is het bed van Salomo, zestig soldaten, een draagkoets van cederhout. De vraag vraagt naar een vrouw en het antwoord laat een man zien, of zijn meubilair. Ik heb lang gedacht dat de tekst hier slordig was. Nu denk ik dat de vraag en het antwoord samen de bruiloft zijn: je vraagt naar haar en je ziet hem, je vraagt naar hem en het is haar die opkomt.
De joodse mystici hoorden in die twee woordjes twee werelden. Mi, wie, is de naam voor de verborgen bovenste laag, de moederlijke diepte waaruit alles voortkomt en die zich zelf niet laat zien. Zot, deze, is de naam van de Shechina, de aanwezigheid die hier beneden te zien is, die je kunt aanwijzen. Mi zot: de verborgen vraag en het aanwijsbare antwoord in één adem. Wie is deze? Het hoogste vraagt naar het laagste en noemt het bij zijn naam.
Olah: opkomend, opstijgend. Het is ook het woord voor het brandoffer, het offer dat helemaal in rook opgaat. En ze komt als timrot ashan, als zuilen van rook. Wie uit de woestijn opkomt, komt op zoals een offer opgaat, helemaal, zonder dat er iets achterblijft. En de rookzuil kennen we: zo ging God voor Israël uit, door de woestijn, overdag een wolk, ’s nachts vuur.
Midbar, woestijn, heeft de wortel d-b-r. Davar, woord. Medaber, spreken. De plek waar niets groeit, is de plek waar gesproken wordt. Bij Hosea zegt God over zijn ontrouwe vrouw: ik zal haar lokken en haar in de woestijn brengen, en ik zal tot haar hart spreken. En een paar verzen later: ik zal je voor eeuwig aan mij verloven. De woestijn is in de Bijbel de plaats van de verloving. Ze komt er niet uit als een overlevende van een zware tijd. Ze komt eruit als iemand tot wie gesproken is.
Dan het bed. Zestig helden eromheen, het zwaard aan de heup, vanwege de verschrikking in de nachten. Een bruiloft, bewaakt door soldaten, tegen de angst van de nacht. De rabbijnen telden: de priesterzegen uit Numeri, de Heer zegene u en behoede u, telt precies zestig letters. De zestig helden rond het bed zijn zestig letters van zegen. Wat de nacht bewaakt, is de zegen die over het lichaam wordt uitgesproken.
Waarom is er een verschrikking in de nacht van een bruiloft? Ik denk aan de huwelijksnacht van Tobias en Sara, waarin een demon zeven bruidegoms had gedood. En ik denk aan wat er gebeurt als twee lichamen zich werkelijk openen voor elkaar. De nabijheid die zo lang gezocht werd, raakt de oudste angsten aan. De angst om verzwolgen te worden, de angst om verlaten te worden, de angst die in het lichaam zat van lang voordat er een geliefde was. De nacht van de vereniging is de nacht waarin die angsten wakker worden. Wie echt samenkomt, heeft bewaking nodig. Of zegen.
De draagkoets heet appiryon, een vreemd woord, waarschijnlijk geleend uit het Grieks of het Perzisch. De stijlen van zilver, de rugleuning van goud, merkavo argaman: de zitting van purper. Merkav, zitting, rijplaats. Het is de wortel van merkavah, de troonwagen van God die Ezechiël zag, met wielen vol ogen en vier gezichten. Het woord waarmee de hele joodse mystiek van de hemelse troon werd genoemd, staat hier voor de zitplaats in de draagstoel van een bruidegom. Het goddelijke voertuig is een bruiloftskoets.
En dan het binnenste. Het binnenwerk was ingelegd met liefde, door de dochters van Jeruzalem. Ratsuf is geplaveid, ingelegd, zoals een vloer met stenen wordt ingelegd. De buitenkant is zilver, goud, purper, ceder, allemaal materiaal dat je kunt kopen. De binnenkant is ingelegd met iets wat je niet kunt kopen, en het is ingelegd door vrouwen. De dochters van Jeruzalem, die in dit boek steeds de toeschouwers waren, blijken de binnenkant gemaakt te hebben. De lezers hebben het hart van de koets bekleed.
Ga naar buiten en zie, dochters van Sion. De Misjna citeert juist dit vers op een verrassende plek. Op de vijftiende van Av en op Jom Kipoer, staat er, gingen de dochters van Jeruzalem naar buiten in geleende witte kleren, zodat niemand zich hoefde te schamen die zelf geen mooie kleren had, en ze dansten in de wijngaarden. En de jongemannen kwamen kijken. Op de Grote Verzoendag, de dag van vasten en schuld, dansten de meisjes. En de Misjna legt het vers erbij uit: op de dag van zijn bruiloft, dat is de dag van de Tora op de Sinai. Op de dag van de vreugde van zijn hart, dat is de bouw van de tempel.
Koning Salomo met de kroon waarmee zijn moeder hem kroonde. Zijn moeder. Niet de priester, niet de profeet, niet zijn vader. Zijn moeder was Batseba. Wie het verhaal kent, weet waar Salomo vandaan komt: van een dak, een blik, een vrouw die met een ander getrouwd was, een man die in de frontlinie werd gezet om te sneuvelen. Het eerste kind van David en Batseba stierf. Salomo was het tweede. En het is Batseba die hem kroont op zijn bruiloftsdag.
Hier moet ik het voorzichtig zeggen. De vreugde van zijn hart rust op een geschiedenis die niet vreugdevol was. De kroon komt uit handen die schuld en rouw hebben gekend. Een bruiloft wordt nooit gevierd op onbeschreven grond. Wie trouwt, trouwt met alles wat in de families is gebeurd voordat hij geboren werd. De moeder kroont haar zoon toch, en dat kan alleen omdat wat er was, niet verzwegen wordt. Het staat in het boek Samuel, voor iedereen leesbaar. Het staat onder deze kroon.
Zo loopt het fragment af: een koets van ceder en goud, met een binnenkant van liefde, bewaakt door een zegen, gedragen uit een woestijn waarin gesproken werd, en een kroon uit de handen van een vrouw met een verleden. Of zij degene is die opkwam uit de woestijn, zegt de tekst nergens. De vraag was naar haar. Het antwoord was hij. Ik laat ze staan zoals ze staan.
