1. De kus en de roes van liefde (1:1–4)
Dit artikel hoort bij de serie: een-mystieke-reis-door-het-hooglied/
Yishakeni mineshikot pihu. Laat hij mij kussen met de kussen van zijn mond. Het eerste wat de vrouw zegt, gaat over iemand die er niet is. Hij, derde persoon, op afstand. En dan, in hetzelfde vers, zonder overgang: want jouw liefde is beter dan wijn. Jij. Halverwege de zin is hij er. Het verlangen spreekt over hem en merkt dat het tegen hem spreekt. Wat afwezig was, wordt aanwezig in het uitspreken van het verlangen zelf.
Ik probeer dat te vertalen en het lukt niet netjes. Elke vertaling wil de grammatica gladstrijken. Het Hebreeuws laat de breuk staan, en die breuk is misschien het eerlijkste van het vers. Zo gaat verlangen: je begint over iemand te praten en je bent al tegen hem aan het praten.
Nashak, kussen. In Genesis 29 komt Jakob bij de bron, rolt de steen weg en geeft de schapen van Rachel te drinken. Vayashk: hij gaf te drinken. Een vers later: vayishak, hij kuste Rachel. De verteller zet de twee woorden naast elkaar zodat je ze bijna niet uit elkaar kunt houden. Kussen en laven klinken als elkaar. De kus is een vorm van water geven aan wie dorst heeft.
Daar komt het tweede deel van het vers vandaan. Beter dan wijn. De kus lest een dorst die wijn alleen verdooft.
Maar dieper dan de bron ligt de mond. Het eerste orgaan waarmee een mens een ander mens kent, is de mond. Een pasgeborene zoekt de borst, drinkt, en in dat drinken ligt de eerste verbondenheid: warmte, geur, een hartslag die tegen het gezicht klopt. De lippen behoren tot de gevoeligste plekken van het lichaam, en dat is geen toeval. Daar begon het. Wie kust, keert terug naar het oudste weten dat een lichaam heeft: dat een ander je kan voeden. Later in het boek zegt de vrouw het zelf. Was je maar mijn broer, die aan de borst van mijn moeder heeft gedronken, dan kon ik je buiten kussen. De kus en de moederborst liggen in dit boek naast elkaar.
Dat verklaart iets wat ik in de praktijk steeds zie. In lange relaties verdwijnt het kussen vaak eerder dan de seks. Mensen blijven met elkaar slapen, maar ze kussen niet meer, niet echt, niet met de mond open. Het kussen is kwetsbaarder. Het raakt aan de plek waar je ooit gevoed werd, of niet gevoed werd. Wie als kind aan die mond iets te kort kwam, bewaakt haar.
De rabbijnen lazen het vers als Sinai. Laat Hij mij kussen met de kussen van zijn mond: dat is Israël dat verlangt naar de woorden die God van mond tot mond sprak. De Tora als kus. Het is dezelfde beweging als bij de borst: iets gaat van een mond naar een mens en voedt.
En dan de dood. Van Mozes staat dat hij stierf al pi Adonai, letterlijk: op de mond van de Heer. De Talmoed zegt dat hij stierf door een kus. Er zijn er zes, zegt de traditie, over wie de engel van de dood geen macht had, omdat God hun ziel met een kus uit hen nam. Mitat neshikah, de dood door de kus. De adem die in Genesis in Adams neus werd geblazen, wordt aan het eind van een leven teruggenomen, mond op mond.
Hier moet ik stilstaan. De kus waarmee het Hooglied opent, is dezelfde kus die een leven beëindigt. De oudste mystici lazen dat niet als dreiging. Een oud midrasj leest in vers 3 alamot ahevucha, de meisjes hebben jou lief, als al-mut: tot in de dood hebben zij jou lief. Wie kust met de kussen van zijn mond, laat iets van zichzelf gaan. Elke echte kus is een klein sterven, een moment waarop het eigen afgebakende ik even ophoudt te weten waar het eindigt.
Daarom is de roes van dit vers ook gevaarlijk. Zij vraagt om iets waarvan zij weet dat het haar zal veranderen.
In vers 4 wordt het verlangen een beweging. Moshkheni: trek mij. Enkelvoud. Acharecha narutsah: achter jou aan zullen wij rennen. Meervoud. Het ene woord wordt gesproken door een ik, het volgende door een wij. Wie getrokken wordt, rent niet alleen. Ze neemt de meisjes mee, het koor, de lezer. Het verlangen van één mens trekt een gemeenschap in beweging. Wie ooit een mens heeft zien opleven omdat hij verliefd werd, weet dat de mensen om hem heen mee opleven.
De koning heeft mij binnengebracht in zijn kamers. Chadar is de binnenste ruimte, de slaapkamer, de plek waar niemand anders komt. In de eerste vier verzen van het boek is zij al binnen. Het boek begint met aankomst en zal daarna nog zeven hoofdstukken nodig hebben om te leren wat die aankomst betekent. Zoals liefde vaak begint: eerst ben je binnen, pas later weet je waar.
Het fragment sluit met meisharim ahevucha. Vertalingen maken ervan: terecht hebben zij jou lief. Maar meisharim betekent rechtheid, oprechtheid, een effen weg. Zij hebben jou lief met rechtheid. Na de roes, na de wijn, na de kus die aan de dood raakt, eindigt het met een woord uit de wetgeving en uit de Psalmen. Rechtop. De roes en de rechtheid staan in één adem. Ik weet nog niet hoe die twee samengaan. Het boek begint in elk geval met allebei.
