13 – De rode draad van Hooglied
Dit artikel hoort bij de serie: een-mystieke-reis-door-het-hooglied/
Slothoofdstuk: De liefdesdans van ziel en Ene
De rode draad van het Hooglied: mysterie, verlangen en de helende kracht van liefde
Het Hooglied der Hooglieden is meer dan poëzie; het is een mystieke beweging, een uitnodiging tot een innerlijke reis door verlangen, aanwezigheid en openheid. In deze serie hebben we gezien hoe de stemmen van geliefden, broers en de vrouw zelf een ritme van roep en antwoord ontvouwen, een voortdurende circulatie van nabijheid en afstand.
In dit slothoofdstuk richten we ons op het geheel: de rode draad van het Hooglied als een onafgebroken dans van liefde en bewustzijn. Hier gaat het niet om plot of historische context, maar om de beweging zelf — een beweging die zich ontvouwt in lichaam en ziel, in verlangen en overgave, in roep en mystieke eenwording.
De kernvraag die dit hoofdstuk draagt is: hoe wordt liefde een weg, een ritme en een helende kracht, wanneer het zich niet laat bezitten, maar zich ontvouwt in voortdurende dialoog met het goddelijke en het zelf? Het antwoord vinden we in de dans van de ziel en de Ene: een dans die begint in roep en eindigt in overgave, en die nooit ophoudt.
Een lied zonder begin of einde
Het Hooglied der Hooglieden opent abrupt, zonder inleiding, zonder auteurstitel, zonder historische of literaire kaders. Wat we horen, is geen verhaal in de gebruikelijke zin, maar een stem. Of beter: een samenspel van stemmen — die zingen, roepen, verlangen, zoeken, wachten, vinden, verliezen en weer opnieuw verlangen.
Vanaf de eerste woorden, “Laat hij mij kussen met de kussen van zijn mond,” tot de laatste oproep, “Maak haast, mijn geliefde,” ontvouwt zich een cirkel van liefde die zich telkens opnieuw beweegt. Elke beweging is voltooid en tegelijk nieuw, een ritme dat nooit stilstaat.
Het Hooglied is geen lineair verhaal, geen plot met begin, midden en einde. Het is een innerlijke beweging, een liturgie van de ziel, een dans van aanwezigheid en verlangen die de lezer uitnodigt om deel te nemen, te luisteren en mee te ademen met de ritmiek van liefde.
De centrale dynamiek: nabijheid en afstand
Door het hele Hooglied heen keert hetzelfde motief terug: de Geliefde is soms nabij, soms ver weg. Hij verschijnt in talloze gedaanten — als geur, stem, gazelle, koning, schaduw, licht — telkens verschijnend, telkens weer verdwijnend. Er ontvouwt zich een ritme van naderen en terugtrekken, van aanraking en onbereikbaarheid.
Dit ritme weerspiegelt het mystieke patroon van de ziel die verlangt. We zoeken God in de nabijheid van het liefdesmoment, in de aanraking en de blik, maar leren ook liefhebben in de afwezigheid. De afstand zelf wordt een drager van verlangen, een ruimte waarin openheid kan ontstaan en leven kan ademen.
De beweging van nabijheid en afstand leert dat liefde niet enkel gaat over bezitten of vervullen, maar over aanwezig zijn, gewaar zijn, en het mysterie respecteren dat altijd groter blijft dan wijzelf.
Liefde als mystieke weg
De liefde die door het Hooglied stroomt is meer dan lichamelijk of emotioneel; ze is sacramenteel, een heilige beweging van ziel en lichaam.
Dodim symboliseert het vurige verlangen, het erotisch vuur dat het lichaam en de ziel tegelijk in beweging zet. Het is de passie die ons opent, die ons doet verlangen en voelen dat we leven.
Ahavah is de diepere, verbindende liefde die ruimte schept voor wederkerigheid, trouw en innerlijke vrede. Het is de liefde die ademruimte laat, die aandacht schenkt en de ander werkelijk ziet.
Deze twee vormen van liefde zijn geen tegenpolen, maar danspartners. Ze tonen een pad waarin het lichamelijke niet wordt verdreven, maar geheiligd, en waarin het goddelijke niet abstract blijft, maar tastbaar, intiem en voelbaar in het dagelijks ervaren van verlangen en nabijheid.
De vrouwelijke stem als drager van wijsheid
Wat in het Hooglied meteen opvalt, is de centrale rol van de vrouwelijke stem. Zij is niet slechts een figuur in het verhaal, maar het hart van het boek: zij spreekt het meest, verlangt het diepst, zoekt, zingt, roept en herinnert.
Van “ik ben zwart en bekoorlijk” tot “ik ben een muur” en “mijn wijngaard is voor mijzelf” — de vrouwelijke stem doorloopt een innerlijk pad van zelfontdekking. Ze beweegt zich van kwetsbaarheid naar waardigheid, van afhankelijk verlangen naar vrede in haar eigen centrum.
Haar stem is meer dan woorden: zij is een metafoor voor de ziel zelf. Niet als passief object van genade, maar als actieve deelnemer in de heilige ontmoeting. Zij toont hoe innerlijke wijsheid en autonomie samenkomen in een liefde die zowel intens als vrij is.
De wijngaard als symbool van de ziel
De wijngaard keert in het Hooglied steeds terug als een kernbeeld. Hij verschijnt in verschillende toestanden en markeert zo de innerlijke ontwikkeling van de vrouw — en daarmee van de ziel. Soms ligt de wijngaard verwaarloosd, veronachtzaamd door omstandigheden of door zorg voor anderen. Soms is hij uit handen gegeven, toevertrouwd aan wie erover beschikt zonder werkelijk te hoeden.
Pas aan het einde klinkt de beslissende wending: de wijngaard wordt bewaakt en teruggenomen. “Mijn wijngaard is voor mijzelf.” Daarmee wordt de wijngaard een krachtig symbool voor het innerlijke terrein van liefde, vruchtbaarheid en spiritualiteit. Het is de plaats waar verlangen wortel schiet en waar zorg, aandacht en verantwoordelijkheid nodig zijn.
In de loop van het Hooglied herwint de vrouw deze wijngaard. Niet door afsluiting, maar door bewustwording en trouw aan haar eigen innerlijk. Zo wordt de wijngaard een beeld van herwonnen autonomie: een liefde die vrij is, maar geworteld; open, maar geheeld; ontvankelijk, maar niet langer uitgeleverd.
De Geliefde als beeld van het goddelijke
De Geliefde in het Hooglied blijft bewust ongrijpbaar. Hij verschijnt en verdwijnt, spreekt en zwijgt, is nabij en tegelijk onbereikbaar. Juist in die beweeglijkheid weerspiegelt hij het beeld van God zoals dat in de mystieke traditie wordt ervaren.
Dit is niet de God van afstand en almacht, niet primair de Wetgever die voorschrijft en oordeelt, maar de Intieme Andere: degene die roept en antwoordt, kust en zich terugtrekt, sluimert en wacht. Een God die zich niet laat vastleggen in definities, maar zich toont in relatie.
De Geliefde is de Ene die zoekt en gezocht wordt. Niet om begrepen of bezeten te worden, maar om bemind te worden. In deze liefdesband openbaart het goddelijke zich niet als macht of beheersing, maar als nabijheid, wederkerigheid en verlangen. Zo wordt God niet tegenover de mens geplaatst, maar ervaren als de levende aanwezigheid die zich ontvouwt in de ruimte van liefde.
Liefde als bestemming en begin
Het Hooglied eindigt zoals het begon: met een roep, met een open gebaar dat geen afsluiting zoekt. Er is geen huwelijksscène, geen slotfeest, geen definitieve vervulling. Wat blijft, is het verlangen dat zich uitspreekt: “Maak haast, mijn geliefde, wees als een gazelle…”
Dit open einde is geen gemis, maar een mystieke waarheid. Liefde blijkt geen eindpunt te zijn, geen bekroning van een afgelegde weg, maar het ritme zelf dat de beweging draagt. Zij houdt de ziel wakker, ontvankelijk en levend.
Het Hooglied nodigt zo uit tot een levenshouding van open verlangen. Niet als rusteloosheid of tekort, maar als een ruimte waarin liefde steeds opnieuw kan verschijnen, zich kan tonen en weer kan verdwijnen — een voortdurende uitnodiging tot nabijheid, vertrouwen en overgave.
Een uitnodiging tot contemplatief leven
Het Hooglied leert ons geen leerstellingen, maar een levenshouding. Het nodigt uit tot een manier van leven waarin verlangen niet wordt onderdrukt, maar erkend als heilig; waarin liefde niet wordt gereduceerd tot emotie of idee, maar lichaam en ziel omvat.
Het leert dat afwezigheid niet het tegendeel is van aanwezigheid, maar haar soms draagt en verdiept. En dat ware liefde zich niet vastklampt of bezit, maar ruimte schept en omarmt.
Daarom is het Hooglied geen boek om uitsluitend te begrijpen of te verklaren. Het is een tekst om te belichamen — in relaties, in stilte, in gebed, in het dagelijkse leven. Wie zich eraan toevertrouwt, leert liefhebben met open handen en een wakker hart.
Wat betekent het om het Hooglied te belichamen?
Wanneer we zeggen dat het Hooglied niet alleen begrepen, maar belichaamd wil worden, bedoelen we iets fundamenteels anders dan moreel toepassen of spiritueel interpreteren. Belichamen betekent dat de wijsheid van de tekst zich vertaalt naar de manier waarop we leven, voelen, grenzen stellen, verlangen toelaten en relaties aangaan — in en door het lichaam.
In het Hooglied is het lichaam geen obstakel voor spiritualiteit, maar haar drager. Verlangen wordt niet gesublimeerd of gecorrigeerd, maar serieus genomen als plaats van openbaring. De geur, de stem, de aanraking, de beweging van komen en gaan: het zijn geen metaforen die losstaan van het lichamelijke, maar ervaringslagen waarin liefde zichtbaar en voelbaar wordt.
Belichamen betekent daarom: leren luisteren naar wat zich in het lichaam aandient — verlangen, terughoudendheid, vreugde, schaamte, aantrekking, vermoeidheid — en deze signalen niet te negeren, maar te betrekken in het spirituele leven. Het lichaam wordt zo geen instrument dat gestuurd moet worden, maar een plaats van wijsheid, een wachttoren van de ziel.
In relaties krijgt belichaming concreet gestalte. Het Hooglied leert een liefde die niet samensmelt uit angst, en zich niet terugtrekt uit controle, maar die aanwezig durft te zijn in nabijheid én in afstand. Belichamen betekent hier: voelen wanneer je wilt naderen en wanneer je moet wachten; weten wanneer aanraking helend is en wanneer ruimte liefdevoler is dan bezit.
Ook in de verhouding tot het goddelijke vraagt belichaming om incarnatie. God wordt niet alleen gezocht in ideeën, teksten of overtuigingen, maar in adem, stilte, verlangen, gemis en vreugde. Zoals de Geliefde verschijnt en verdwijnt, zo leert de ziel God ervaren in het ritme van het leven zelf — niet als vast bezit, maar als levende nabijheid.
Belichamen is daarmee geen techniek, maar een houding: een bereidheid om liefde, verlangen en openheid toe te laten in de concrete werkelijkheid van het bestaan. Het is het oefenen van aanwezigheid — met open handen, een wakker lichaam en een ziel die durft te luisteren.
Zo wordt het Hooglied niet afgerond, maar voortgezet. Niet op papier, maar in het geleefde leven, waar de liefdesdans van ziel en Ene telkens opnieuw gestalte krijgt.
Slotgebed: In de tuin van liefde
Laat mij jouw stem blijven horen
in de stilte en in het verlangen,
jouw geur ademen
tussen de bloemen van het leven.
Laat mijn lichaam spreken
zonder schaamte of angst,
laat mijn huid getuigen
van een verlangen dat waarachtig is.
Laat mijn wijngaard bloeien
uit vrije wil en trouwe zorg,
niet uit plicht of bezit,
maar uit liefde die draagt en opent.
Wees nabij als vuur dat verwarmt,
onttrek je als wind die ruimte laat,
en leid mijn ziel in jouw spoor,
waar nabijheid en afstand elkaar omarmen.
Laat mij blijven dansen
in het ritme van jouw komen en gaan,
tot alles één wordt
in de liefde die niet sterft.
MUZIEK geïnspireerd door of gebaseerd op het Hooglied (Song of Songs):
Luisteren als contemplatieve praktijk
Door de eeuwen heen heeft het Hooglied componisten diepgaand geraakt. De zinnelijke en mystieke taal van verlangen, nabijheid en afwezigheid vroeg als het ware om verklanking. In deze muziek wordt het Hooglied niet uitgelegd, maar gezongen — en juist daarin krijgt het een nieuwe, belichaamde vorm. Luisteren wordt hier een vorm van contemplatie.
=> Klassieke motetten en renaissancestukken
Giovanni Pierluigi da Palestrina – Canticum Canticorum (1584)
Deze monumentale cyclus van 29 a-capella motetten behoort tot de meest verfijnde muzikale interpretaties van het Hooglied. Palestrina laat de tekst ademen in pure vocale polyfonie, zonder instrumentale ondersteuning. De stemmen bewegen om elkaar heen zoals de geliefden in de tekst: soms innig verweven, dan weer op afstand. De muziek maakt hoorbaar hoe verlangen, tederheid en heilige intimiteit samenkomen.
Guillaume Dufay & John Plummer – polyfone motetten (15e eeuw)
In vroege renaissancemotetten, zoals Anima mea liquefacta est (“Mijn ziel smolt weg toen hij sprak”), klinkt het Hooglied als innerlijke ontroering. De trage, doorzichtige polyfonie laat ruimte voor stilte en resonantie. Hier wordt het verlangen niet uitbundig gezongen, maar ingetogen gedragen — als een innerlijke beweging van de ziel die zich opent voor de Geliefde.
=> Barok & vroege moderne tijden
In de barok verschuift de muzikale benadering van het Hooglied merkbaar. De polyfone gelijkwaardigheid van stemmen maakt plaats voor expressie, affect en persoonlijke beleving. De tekst wordt niet alleen gezongen, maar doorleefd. Muziek wordt een middel om innerlijke bewegingen van verlangen, overgave en goddelijke nabijheid hoorbaar te maken.
Heinrich Schütz – Symphoniae sacrae I (1629)
In deze verzameling geestelijke concerten verwerkt Schütz verschillende teksten uit het Hooglied. De muziek verbindt woord en emotie in een dramatische helderheid die typerend is voor de vroege barok. De solostem krijgt ruimte om het verlangen van de tekst te dragen, terwijl de instrumentale begeleiding de spanning tussen nabijheid en afstand verklankt. Het Hooglied klinkt hier als een innerlijke dialoog tussen ziel en God, intens en persoonlijk.
Francesca Caccini – Chi è costei (1618)
Deze solocantate op Hooglied 6:10 is een uitzonderlijk voorbeeld van vrouwelijke compositorische stem in de vroege barok. De tekst — “Wie is zij die verschijnt als de dageraad?” — wordt muzikaal uitgewerkt als een moment van verwondering en openbaring. Caccini’s muziek is intiem, direct en sensueel, en laat de vrouwelijke stem niet alleen spreken, maar stralen. Hier wordt het Hooglied hoorbaar als een ontmoeting waarin schoonheid, verlangen en heiligheid samenvallen.
=> 20e-eeuwse kamermuziek & hedendaags
In de twintigste eeuw keert het Hooglied terug in een nieuwe muzikale taal. De grote dogmatische kaders vallen grotendeels weg; componisten zoeken niet langer naar kerkelijke representatie, maar naar innerlijke resonantie. Het Hooglied wordt hier geen liturgische tekst alleen, maar een existentieel landschap waarin liefde, kwetsbaarheid en mysterie klinkend vorm krijgen.
Ralph Vaughan Williams – Flos Campi (1925)
Flos Campi (“Bloem van het veld”) is geen traditionele vocale cyclus, maar een instrumentaal-meditatieve suite waarin teksten uit Hooglied 2 als motto’s functioneren. De altviool neemt de rol van de zwijgende geliefde op zich: geen woorden, maar klank als drager van verlangen. Het koor zingt zonder tekst, waardoor de muziek een woordloze spiritualiteit oproept. Zo wordt het Hooglied hier belichaamd als sfeer en beweging — een innerlijke tuin waarin liefde wordt gesuggereerd, niet verklaard.
Benjamin Britten – Canticle I: My beloved is mine and I am his (1947)
Brittens eerste Canticle zet een tekst van Francis Quarles op muziek, sterk geïnspireerd door het Hooglied. Tenor en piano voeren een intieme dialoog waarin wederkerigheid centraal staat: “My beloved is mine and I am his.” De muziek is kwetsbaar, soms gespannen, soms teder, en laat horen hoe liefde tegelijk geborgenheid en overgave vraagt. Hier klinkt het Hooglied als een persoonlijke geloofsbelijdenis, waarin mystiek en menselijkheid elkaar aanraken.
Karel Candael – Das Hohelied (1936)
In dit grootschalige oratorium verbindt Candael de symboliek van het Hooglied met een bredere spirituele visie op liefde en gemeenschap. Solisten, koor en orkest wisselen elkaar af in een dramatische verbeelding van verlangen, roep en vervulling. Anders dan in de intieme kamermuziekwerken wordt het Hooglied hier collectief gedragen: liefde als kosmische kracht die mensen, stemmen en generaties verbindt.
=> Hedendaagse werken met Hooglied-inspiratie
In hedendaagse muziek verschuift het Hooglied definitief van tekst naar ervaring. Componisten gebruiken de woorden niet langer om een verhaal te vertellen, maar om een ruimte te openen: een klankveld waarin verlangen, afwezigheid en heilige intimiteit tastbaar worden. Het Hooglied klinkt hier niet als citaat, maar als echo.
Alex Weiser – After Shir Hashirim (2017)
In After Shir Hashirim keert Weiser terug naar de wortels van de Hebreeuwse taal zelf. Hij laat zich inspireren door de traditionele cantillatie — de melodische tekens waarmee de bijbeltekst wordt gezongen. Het resultaat is geen illustratie van het Hooglied, maar een doortrokken herinnering eraan: alsof de tekst net is uitgesproken en nog natrilt in de stilte. Hier wordt liefde niet benoemd, maar gedragen door klank, adem en ritme. Het werk ademt ballingschap en verlangen — precies de spanning waarin het Hooglied blijft resoneren.
Alexander Knaifel – Make me drunk with your kisses (1993)
Knaifels compositie is radicaal in haar soberheid. Voor koor en cello ontvouwt zich een bijna ascetische klankruimte, waarin teksten uit Hooglied 8 langzaam worden uitgesproken, herhaald en uitgedund. De muziek lijkt zich voortdurend terug te trekken, alsof zij weigert de geliefde vast te leggen. De titel — Make me drunk with your kisses — klinkt hier niet sensueel in aardse zin, maar mystiek: als een verlangen naar verlies van het zelf in goddelijke nabijheid. Stilte is hier even belangrijk als klank; afwezigheid wordt hoorbaar.
Tristan Murail – C’est un jardin secret… (1976)
Murails solostuk voor altviool vertaalt Hooglied 4:12 (“Een besloten tuin is mijn zuster, mijn bruid”) in puur timbre en resonantie. Zonder woorden ontstaat een klanklichaam dat zowel afgeschermd als uitnodigend is. De altviool beweegt zich in microtonale nuances, fluisterend, zoekend, soms schurend. De ‘tuin’ is hier geen plaats, maar een toestand: innerlijk, kwetsbaar, niet te betreden zonder aandacht. Het Hooglied verschijnt als een geheim dat zich alleen aan de luisterende ziel openbaart.
David Lang – Just (After Song of Songs) (2014)
In Just reduceert Lang de tekst tot herhaalde fragmenten: “just your voice”, “just your eyes”, “just your love”. Wat overblijft is een ritueel van aandacht. Door herhaling wordt elk woord losgemaakt van bezit en verwachting. De muziek, bekend geworden door de film Youth, creëert een ruimte waarin liefde niet wordt opgeëist, maar waargenomen. Dit is het Hooglied als contemplatieve praktijk: liefde die bestaat bij de gratie van aandacht, niet van vervulling.
Gezamenlijke lijn
In al deze werken klinkt hetzelfde mystieke inzicht door:
liefde wordt niet sterker door vastleggen, maar door loslaten.
Het Hooglied leeft voort waar klank durft te verdwijnen, waar stilte niet leeg is, maar zwanger van betekenis.
Zo wordt muziek zelf tot wijngaard —
een plek waar verlangen mag rijpen,
waar de Geliefde niet gevangen wordt,
maar vrij blijft om te komen en te gaan.
Andere invloeden & populaire muziek
Het Hooglied resoneert niet alleen in de klassieke en hedendaagse kunstmuziek, maar ook in de populaire muziek. Hier verschuift de inspiratie van ritueel en liturgie naar beeld en emotie: het Hooglied wordt een bron van symbolen, verbeelding en persoonlijke beleving.
Kate Bush – “Song of Solomon” (1993)
Kate Bush verwijst expliciet naar het Hooglied in zowel titel als tekst. Haar muziek combineert sensuele beelden met spiritueel verlangen, waarbij de geliefde zowel lichamelijk als mystiek aanwezig is. Bush belichaamt hiermee het archetype van het Hooglied: verlangen dat intens en teder tegelijk is, een dans van nabijheid en vrijheid.
Indie- en rockartiesten
Artiesten zoals Steve Kilbey, The Residents en Bat for Lashes gebruiken het Hooglied als inspiratiebron voor beelden, metaforen en songtitels. Vaak worden de wijngaard, de gazelle of de roep van de geliefde vertaald naar persoonlijke, poëtische ervaringen van liefde, verlangen en mysterie. Hier vervaagt de grens tussen religieuze tekst en artistieke expressie: het Hooglied leeft als een universele bron van intimiteit, verlangen en vrijheid.
In populaire muziek wordt het Hooglied geen tekst om te bestuderen, maar een wereld om in te dwalen — een ruimte waarin persoonlijke en goddelijke liefde elkaar ontmoeten.
=> Moderne koren & vocale ensembles
Het Hooglied blijft een rijke bron voor hedendaagse vocale ensembles en koren, die zowel de muzikale als de poëtische diepte van de teksten verkennen.
Singer Pur brengt het Hooglied tot leven met werken zoals Canticum Canticorum I & II van Ivan Moody, Il nome del bel fior van Joanne Metcalf en Gesang der Gesänge van Wilhelm Keller. Deze composities combineren moderne harmonieën met respect voor de oude tekst, waardoor de stemmen een ruimte creëren waarin verlangen, mysterie en spirituele aanwezigheid voelbaar worden.
Stile Antico, bekroond met een Gramophone Award in 2009, vertolkt renaissance-motetten op teksten uit het Hooglied. Hun uitvoeringen laten zien hoe eeuwenoude polyfonie en hedendaagse interpretatie elkaar kunnen versterken, en hoe het mystieke en sensuele van het Hooglied nog steeds krachtig resoneert in de hedendaagse luisterervaring.
In beide voorbeelden wordt het Hooglied niet slechts gezongen, maar beleefd: de muziek maakt de taal tastbaar, laat de dynamiek van nabijheid en afstand, roep en antwoord, verlangen en vervulling hoorbaar — een echte dans van stem en ziel.
=> Video highlight
Voor wie de sfeer van het Hooglied in klank wil ervaren, biedt Anton Bruckners Das Hohe Lied een indrukwekkende indruk. Hoewel de compositie niet letterlijk uit de Hooglied-tekst citeert, draagt de titel en muzikale opbouw het mystieke en poëtische thema van het Hooglied in zich: verlangen, nabijheid, roep en echo.
De transcriptie voor hoornensemble benadrukt de ademruimte tussen tonen, het langzaam ontwakende drama en de tedere lyriek — alsof de stemmen van de Geliefde en de Ziel zich in klank ontmoeten. Het is een luisterervaring die de innerlijke beweging van het Hooglied vertaalt naar muzikale resonantie en symbolische aanwezigheid.
KORTOM:
Van de polyfone motetten van Palestrina en Dufay, via barokke cantates van Schütz en Caccini, tot 20e-eeuwse kamermuziek van Vaughan Williams en Britten, en hedendaagse werken van Weiser, Knaifel en Lang — telkens klinkt het Hooglied door als een echo van verlangen en aanwezigheid.
In populaire muziek en vocale ensembles, van Kate Bush tot Singer Pur en Stile Antico, worden de beelden van wijngaarden, gazellen en roepstemmen opnieuw vertolkt. Zelfs Bruckners hoornensemble toont hoe klank het mysterie van liefde kan dragen.
Deze muzikale lijnen verbinden het menselijke en het goddelijke, het lichamelijke en het spirituele. Ze laten horen wat woorden alleen niet kunnen uitdrukken: dat liefde zich beweegt, dat verlangen zich herhaalt, dat de roep van de ziel altijd weer echoot.
Muziek wordt zo een contemplatieve ruimte, een verlengstuk van de liturgie van de ziel die het Hooglied ons leert: een dans van nabijheid en afwezigheid, een voortdurend ontwaken van hart en geest.

