2. De huid van zwartheid en verlangen (1:5–8)
Dit artikel hoort bij de serie: een-mystieke-reis-door-het-hooglied/
De Statenvertaling zegt: ik ben zwart, doch liefelijk. Doch. Alsof het tweede het eerste moet goedmaken. Maar er staat een vav, de kleinste verbinding die het Hebreeuws kent, een haakje. Het betekent en. Zwart ben ik en mooi. Eeuwen van vertalers hebben er een toegeving van gemaakt, en in die toegeving zit hun eigen blik op haar huid, niet de hare.
Shachor, zwart, heeft dezelfde drie letters als shachar, dageraad. Shin, chet, resh. Het donkerste en het eerste licht delen een wortel. Zwart is in deze taal het uur vlak voor het licht, de nacht die al weet dat hij overgaat. Wie haar zo hoort, hoort iets anders dan een vrouw die zich verontschuldigt.
Ze vergelijkt zichzelf met de tenten van Kedar. Kedar komt van qadar: donker zijn, in rouw zijn. Het waren de zwarte tenten van geitenhaar van de nomaden, ruw, verweerd, door zon en zand gegaan. En in één adem: als de tentkleden van Salomo. Het fijnste weefsel van het paleis. Ze is allebei, en ze zegt het zonder dat het een het ander hoeft op te heffen.
Dan vers 6: kijk niet naar mij omdat ik zo donker ben, shesh’zafatni hashamesh, want de zon heeft mij verbrand. Het werkwoord shazaf komt in de Bijbel bijna alleen nog in Job voor, en daar betekent het kijken, een blik werpen. Het oog dat haar zag, zegt Job, zal haar niet meer zien. De zon heeft haar dus niet alleen verbrand. De zon heeft naar haar gekeken, en van dat kijken werd ze zwart.
Daar zit iets waar ik lang naar moet kijken. Kijk niet naar mij, zegt ze, want er is al naar mij gekeken. Ze kent de blik die brandt. Wie opgroeit onder een blik die beoordeelt, die haar lichaam taxeert, die haar gebruikt, die krijgt een huid die van die blik getuigt. En dan vraagt ze aan de dochters van Jeruzalem om niet opnieuw zo te kijken.
Wie deed dat kijken? Ze zegt het meteen. Bnei imi nicharu vi. De zonen van mijn moeder werden kwaad op mij. Nicharu komt van charah, branden, gloeien van woede. De zon brandde, de broers brandden. En ze zeggen niet mijn broers. Ze zegt de zonen van mijn moeder. Er is een moeder, er zijn zonen, en er is geen vader.
Ik kijk het na en het klopt door het hele boek. Het Hooglied noemt de moeder zeven keer, het huis van de moeder, de kamer van haar die mij baarde. Een vader komt in acht hoofdstukken niet voor. Waar de vader ontbreekt, nemen de broers zijn plaats in. Ze beslissen over haar, ze zetten haar aan het werk, en aan het eind van het boek, bij de kleine zuster, beslissen ze nog steeds over wat er met een meisje moet gebeuren. Zonen die de plaats van de vader innemen, doen dat vaak met meer hardheid dan een vader zou doen. Ze dragen iets wat niet van hen is, en de last maakt hen streng.
Ze maakten mij hoedster van de wijngaarden. Karmi sheli lo natarti. Mijn eigen wijngaard heb ik niet gehoed. Dubbel bezittelijk in het Hebreeuws: mijn wijngaard, de mijne. Zij zorgde voor wat van anderen was, en wat van haar was verwilderde. Wie dat leest met ogen die mensen kennen, ziet het kind dat te vroeg voor anderen ging zorgen. Het meisje dat de plek innam die haar niet toekwam, en daardoor de plek verliet die wel van haar was. Haar lichaam, haar verlangen, haar eigen grond.
De tekst doet iets anders. Ze klaagt niet. Ze stelt vast, en in het volgende vers draait ze zich af van de broers naar hem. Vertel mij, jij die mijn ziel liefheeft, waar jij weidt. Voor het eerst in het boek noemt ze hem zo: she’ahavah nafshi, die mijn nefesh liefheeft. Nefesh is de keel, de adem, het levende. Uit de plek waar haar eigen wijngaard verwaarloosd lag, stijgt de vraag naar hem op. Het verwaarloosde wordt niet eerst hersteld en dan pas liefgehad. Juist daarvandaan begint ze te zoeken.
Waarom zou ik zijn als ke’otyah bij de kudden van je metgezellen? Het woord is dubbelzinnig. Het kan gesluierd betekenen, zoals Tamar zich sluierde toen ze aan de weg ging zitten. Het kan ook dwalend betekenen. De oude vertalingen kozen verschillend. Misschien bedoelt ze allebei. Een vrouw die niet weet waar haar geliefde is, dwaalt tussen andere mannen en wordt aangezien voor wat ze niet is. De sluier en de dwaling horen bij elkaar: wie zichzelf niet toebehoort, is voor anderen onleesbaar.
Het antwoord in vers 8 is vreemd. Als je het zelf niet weet, mooiste onder de vrouwen, ga dan uit in de voetsporen van de kudde. Lach, voor jezelf: dezelfde wending als lech lecha, de roep aan Abraham, ga voor jezelf, ga naar jezelf. Als je het voor jezelf niet weet. En het antwoord is geen plaats. Het is een spoor. Ikvei hatson: de hielen van de kudde, de afdrukken die ze achterlieten. Ekev, hiel, is de wortel van Jakob, die zijn broer bij de hiel greep.
Ze krijgt geen adres. Ze krijgt de sporen van wie haar voorgingen, en de opdracht om haar eigen geitjes te weiden bij de tenten van de herders. Haar eigen kudde, niet die van de broers. Het eerste wat haar gevraagd wordt om de geliefde te vinden, is dat ze gaat zorgen voor wat van haar is. Het zwarte, het verbrande, het verwaarloosde, de geitjes. Daar, bij die tenten, zal hij komen. Zo leest het vers. Of het ook zo afloopt, vertelt het niet.
