4. De komst van de Geliefde (2:8–17)
Dit artikel hoort bij de serie: een-mystieke-reis-door-het-hooglied/
De stem van mijn geliefde. Nog voor hij er is, is zijn stem er. Zie, daar komt hij. Ze hoort hem voordat ze hem ziet, en in het horen is hij al gekomen.
Het gehoor is het eerste zintuig dat een mens heeft. Maanden voor de geboorte hoort een kind al de stem van zijn moeder, gedempt door vruchtwater, en na de geboorte draait het zijn hoofd naar die stem. Een stem kennen we eerder dan een gezicht. Het is dus niet vreemd dat de geliefde in dit boek als stem aankomt. Zo kwam liefde altijd al aan: van buiten het gezichtsveld, door een wand heen.
Springend over de bergen, huppelend over de heuvels. Medaleg komt van dalag, springen, overspringen. Dezelfde wortel als het dilugo uit het vorige fragment, waar het midrasj de verspreking van een eenvoudig mens liefde noemde omdat God over de fout heen sprong. De geliefde die over de bergen springt en de God die over de verkeerde letter springt, bewegen op dezelfde manier. Wat tussen hen en haar in ligt, wordt niet weggeruimd. Het wordt overgesprongen.
Dan staat hij stil. Zie, daar staat hij achter onze muur. Kotel. Het woord waarmee Joden later de Westmuur noemden, de laatste muur van de tempel waar ze bidden. De Shechina, zegt de traditie, is nooit van die muur geweken. Mashgiach min hachalonot, metsits min hacharakim: hij kijkt door de vensters, hij gluurt door de tralies. Hij staat buiten de muur, zij binnen. Hij ziet haar in stukjes, door de openingen van een traliewerk. Zo wordt zij bekeken door wie haar liefheeft: niet ineens, in fragmenten, door de spleten van wat haar beschermt.
En hij zegt: Sta op voor jezelf, mijn vriendin, mijn mooie, en ga voor jezelf. Lechi lach. Het is de vrouwelijke vorm van lech lecha, de roep aan Abraham. In het tweede fragment klonk die wending al zacht mee in een bijzin. Hier staat hij er letterlijk. Abraham moest weg uit zijn land, uit zijn geboortegrond, uit het huis van zijn vader. Zij heeft geen vaderhuis in dit boek. Waar moet zij uit weg?
Het antwoord komt meteen. Want zie, de winter is voorbij. Hasetav, een woord dat nergens anders in de Bijbel staat. De regen is over, voorbij gegaan. Zij moet niet weg uit een land. Zij moet weg uit een seizoen. Uit de tijd dat het verstandig was om binnen te blijven, achter de tralies, in de beschutting. Die tijd heeft haar beschermd. Nu is hij voorbij, en wat beschermde, houdt haar nu vast.
De vijgenboom kleurt zijn groene vijgen. Van alle bomen is het deze die als eerste in de Bijbel een rol speelt na de val. Adam en Eva naaiden zich schorten van vijgenbladeren toen ze ontdekten dat ze naakt waren. De boom van de schaamte. Hier rijpt hij. De bladeren waarmee de mens zich bedekte, dragen nu vrucht. Ik kan niet bewijzen dat de dichter daaraan dacht. Maar in een lied over twee naakte lichamen die elkaar weer mogen zien, is het de vijgenboom die als eerste rijp wordt.
Mijn duif in de kloven van de rots, in de schuilplaats van de steile wand. Laat mij je gezicht zien, laat mij je stem horen. Ik moet denken aan Mozes. Hij vroeg God om Zijn heerlijkheid te zien, en God zette hem in een kloof van de rots en bedekte hem met Zijn hand terwijl Hij voorbijging. Mozes mocht alleen de rug zien. Wie Gods gezicht ziet, blijft niet leven.
Hier is het omgekeerd. De mens zit in de rotskloof, en de geliefde vraagt haar om eruit te komen. Hij wil haar gezicht zien. In Exodus beschermt de rots de mens tegen het goddelijke. Hier verbergt de rots de mens voor de liefde, en de liefde vraagt haar om zich te laten zien. Het risico ligt nu aan haar kant. Wie gezien wordt, kan afgewezen worden.
Dan een vreemde onderbreking. Vang voor ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden vernielen, want onze wijngaarden staan in bloei. Na de lente, de duif, de stem: vossen. Kleine. De grote bedreigingen worden in dit boek nauwelijks genoemd. Het zijn de kleine dieren die de bloeiende wijnstok kapot knagen. Wie paren begeleidt, weet dat. Relaties gaan zelden stuk aan één grote breuk. Ze slijten aan kleine dingen die niet gevangen worden: de toon, de blik die wegdraait, de vraag die niet gesteld wordt. Juist als de wijngaard in bloei staat, is hij kwetsbaar, want dan zijn de knoppen nog zacht.
Het fragment sluit met een opdracht die haar geliefde weer wegstuurt. Tot de dag gaat ademen en de schaduwen vluchten, keer om, mijn geliefde, wees als een gazelle op de bergen van Beter. Harei vater. Beter komt van batar, in stukken snijden. In Genesis 15 sluit God een verbond met Abraham tussen de gehalveerde dieren, brit bein habetarim, het verbond tussen de stukken. Een rokende oven en een vuurfakkel gaan tussen de helften door.
Daar staat het dus. Het fragment begon met een woord uit Abrahams roeping en eindigt met een woord uit Abrahams verbond. Lechi lach, en de bergen van de doorsnijding. De liefde die haar roept om op te staan, is een verbond, en het verbond wordt gesloten tussen wat in tweeën is gesneden. Zij en hij zijn twee helften, en de gazelle springt tussen die helften heen en weer. Een vuur gaat ertussendoor. Of dat vuur hen samenvoegt of de afstand juist heilig maakt, weet ik aan het eind van dit fragment nog niet.
