6b. De intieme ontmoeting (4:1–5:1)
Dit artikel hoort bij de serie: een-mystieke-reis-door-het-hooglied/
Hij begint haar te beschrijven van boven naar beneden, en hij doet het langzaam. Ogen, haar, tanden, lippen, slaap, hals, borsten. Bij de lippen staat: kechut hashani siftotayich. Als een scharlaken draad zijn je lippen. Chut hashani, de scharlaken draad. Het is precies de uitdrukking uit het verhaal van Rachab, de hoer van Jericho, die de verspieders verborg en een scharlaken koord uit haar raam hing, zodat haar huis gespaard zou worden. Tikvat chut hashani, staat er daar. Tikvah betekent koord. Het betekent ook hoop. De lippen van de geliefde hebben de kleur van het koord waaraan een vrouw met een verleden haar hoop ophing, en waarlangs mannen naar buiten klommen om te overleven.
Ik zie het fragment ineens anders. De beschrijving van haar lichaam is een lijst van plaatsen waar iets gered werd.
In vers 6 onderbreekt hij zichzelf. Tot de dag gaat ademen en de schaduwen vluchten, ga ik naar de berg van de mirre en de heuvel van de wierook. Har hamor. De oude uitleggers hoorden hier Moria, de berg waar Abraham Isaak moest offeren en waar later de tempel stond. Mor-yah, zeiden ze: de mirre van God, de plek vanwaar de geur opsteeg. Hij gaat naar de berg van de mirre, midden in de beschrijving van haar borsten. Het lichaam van de vrouw en de tempelberg worden in één beweging bestegen. En het is de berg van de binding, waar een vader bijna zijn zoon doodde en een ram in de struiken de plaats innam.
Je bent helemaal mooi, mijn vriendin, en er is geen gebrek aan je. Mum is een technisch woord. Het is het gebrek dat een priester ongeschikt maakt om te dienen en een dier ongeschikt om geofferd te worden. Een lam zonder mum mag op het altaar. Hij beschrijft haar met de taal van de tempel. Dezelfde vrouw die in het tweede fragment zei: kijk niet naar mij, want de zon heeft mij verbrand. Zij zag haar huid als getekend. Hij ziet haar als zonder smet. Beide blikken staan in het boek. De verbrande huid is niet verdwenen. Hij kijkt alleen met andere ogen dan de zon.
In vers 8 valt voor het eerst het woord kallah. Bruid. Iti miLevanon kallah. Met mij van de Libanon, bruid. Zeven hoofdstukken lang zal ze niet meer zo genoemd worden als in dit ene stuk. Kallah, bruid, klinkt als kalah, voltooid zijn, opgebruikt, tot een einde komen, en als kol, alles. De bruid is in deze taal de voltooide, degene in wie iets tot zijn einde komt. Hij roept haar weg van de toppen van de Amana, de Senir en de Hermon, uit de holen van leeuwen, van de bergen van de luipaarden. Ze zat op hoge, gevaarlijke plekken. Hij roept haar naar beneden.
En dan: je hebt mij mijn hart afgenomen, mijn zuster, bruid. Het werkwoord is gemaakt van het woord lev, hart, en het kan twee kanten op. Je hebt mij ontherzt. Of: je hebt mij een hart gegeven. Het Hebreeuws kiest niet, en de man die dit zegt, weet het zelf niet. Met één blik van je ogen. Met één kraal van je halsketting. Het kleinste detail van haar is genoeg om zijn hart eruit te nemen of erin te leggen.
Mijn zuster, bruid. Die twee woorden naast elkaar komen in het Hooglied vijf keer voor, allemaal in dit fragment. In de Egyptische liefdespoëzie heet de geliefde ook zuster. Het zegt iets over de verhouding. Een zuster sta je naast, uit dezelfde oorsprong, gelijk van rang, zonder dat de een boven de ander staat. Een bruid begeer je. In dit fragment is zij allebei. Er is verlangen zonder dat er hiërarchie in komt. Man en vrouw zijn hier volkomen verschillend en ze zijn verwant. De spanning tussen hen komt uit het verschil, en de veiligheid komt uit de verwantschap. Zonder de zuster wordt de bruid een bezit. Zonder de bruid wordt de zuster een kameraad.
Een gesloten tuin is mijn zuster, bruid, een gesloten bron, een verzegelde fontein. Drie keer dicht. Hij beschrijft haar als afgesloten, en hij zegt het zonder klacht. De geslotenheid hoort bij haar schoonheid. Wie haar liefheeft, begint met erkennen dat ze niet vanzelf open is en dat niemand het recht heeft om binnen te breken.
Vijf verzen later is de verzegelde fontein veranderd. Een bron van tuinen, meervoud, een put van levend water, stromend van de Libanon. Wat verzegeld was, wordt bron voor meer dan één tuin. Het verzegelde en het stromende zijn hetzelfde water. Wie gerespecteerd wordt in haar geslotenheid, gaat stromen.
En dan spreekt zij. Word wakker, noordenwind, en kom, zuidenwind. Uri. Word wakker. Het is het werkwoord van de bezwering: wek de liefde niet, maak haar niet wakker, tot zij het wil. Drie keer heeft zij de dochters van Jeruzalem laten zweren dat ze niet zouden wekken. Hier wekt zij zelf. Ze roept de wind wakker. De tijd die de liefde zelf moest kiezen, is gekomen, en de liefde spreekt door haar mond.
Tsafon, noorden, komt van tsafan, verbergen. De verborgen wind. Teiman, zuiden, komt van yamin, rechts. De wind van de rechterhand. Ze roept de wind uit het verborgene en de wind van de goedheid. Blaas door mijn tuin, laat zijn geuren stromen. En in dezelfde zin: laat mijn geliefde naar zijn tuin komen en er de vruchten van eten. Mijn tuin, zegt ze, en dan: zijn tuin. Binnen één vers geeft ze hem wat van haar was. Hij neemt het niet. Zij noemt het van hem.
Laat hem de vruchten eten. In de eerste tuin van de Bijbel was het eten van de vrucht het begin van de schaamte, van het zich verbergen, van de verdrijving. Hier nodigt een vrouw een man uit om de vrucht van haar tuin te eten. Er is geen slang, geen verbod, geen schaamte. Eden keert terug als een plek waar gegeten mag worden.
Ik ben gekomen in mijn tuin. Voltooide tijd. Een midrasj leest hier de stem van God: ik ben teruggekomen naar mijn tuin, naar de plek waar ik in het begin woonde. De Shechina woonde oorspronkelijk beneden, zegt die uitleg, en door de fouten van de mensen trok zij zich terug naar boven. Met het bouwen van de woonplaats in de woestijn kwam zij terug. Ik ben gekomen in mijn tuin.
Hij plukt zijn mirre, eet zijn honingraat met zijn honing, drinkt zijn wijn met zijn melk. En dan een stem die niemand thuis kan brengen. Eet, vrienden, drink en word dronken, geliefden. Wie zegt dit? Het koor? De dichter? God? De tekst zegt het niet. Het staat ongeveer in het midden van het boek. Op het punt waar de twee eindelijk samen zijn, spreekt een onbekende stem een zegen uit over hun dronkenschap. Dodim, zegt de stem. Hetzelfde woord als in het eerste vers, waar de liefkozingen beter waren dan wijn. Hier worden ze samen gedronken. Wie daar spreekt, laat de tekst open, en ik denk dat hij dat met reden doet.
