Aan de overkant voorbijgaan (de priester en de leviet)
Over een werkwoord dat maar één keer in de Bijbel voorkomt, een weg die alleen maar naar beneden gaat, en de vraag wat je doet met iemand van wie je van een afstand niet kunt zien of hij nog leeft
Ze zegt: we hebben er geen contact meer mee. Ze bedoelt haar broer. Hij drinkt, hij heeft schulden, hij heeft dingen gezegd op de begrafenis van hun vader die niemand is vergeten. De familie heeft besloten dat het beter is om er geen contact meer mee te hebben; voor de kinderen, voor de rust, voor het bedrijf. Ze zegt het zonder wrok. Ze zegt het zoals je een verkeersregel noemt.
Ik vraag hoe het met hem gaat. Ze weet het niet. Niemand weet het. Dat is precies wat “geen contact” betekent: je hebt de weg zo ingericht dat je het niet hoeft te weten.
Lucas heeft daar één werkwoord voor, en het komt in de hele Griekse Bijbel twee keer voor, allebei in dezelfde gelijkenis, drie verzen uit elkaar.
Naar beneden
Een mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho.
Daalde af. De weg van Jeruzalem naar Jericho is de steilste weg van Israël: ruim duizend meter naar beneden over zevenentwintig kilometer, door een kloof, langs rotsen, met de Dode Zee als bestemming, het laagste punt van de aarde. De Romeinen noemden een stuk ervan de rode helling, Adummim, naar de kleur van de rotsen of naar het bloed dat er vloeide. Het was de weg van de rovers. Iedereen die het verhaal hoorde, wist dat je die weg niet alleen liep.
Lucas laat de man naar beneden gaan. Dat is geen decor. De oudste uitleggers hebben in dit afdalen de hele mens gelezen: Jeruzalem de plaats van de vrede, Jericho de stad in de diepte, en daartussen de weg waar je alles kwijtraakt. Wie de gelijkenis hoort als een verhaal over een ongeluk onderweg, hoort haar goed. Wie haar hoort als een verhaal over wat er met een mens gebeurt als hij afdaalt, hoort haar zoals de kerkvaders haar hoorden. Beide kanten zijn waar, en ik laat ze allebei staan.
Hij viel onder rovers, die hem uitkleedden en sloegen en weggingen, en hem lieten liggen, halfdood.
Halfdood. Dat woord is de sleutel van de gelijkenis, en ik heb er jaren overheen gelezen. Halfdood betekent: je kunt van een afstand niet zien of hij nog leeft. Hij beweegt niet, hij is naakt, hij ligt in het stof aan de kant van de weg. Om te weten of het een lijk is of een mens, moet je dichterbij komen.
En de hele gelijkenis gaat over wie dichterbij komt en wie niet.
Het werkwoord
Toevallig daalde een priester af langs die weg, en toen hij hem zag, ging hij aan de overkant voorbij.
Antiparēlthen. Ik moet dat woord uit elkaar halen, want de vertaling maakt er “ging voorbij” van, en er staat drie keer zoveel. Erchomai is gaan. Para is langs. Anti is tegenover, aan de andere kant. De priester gaat niet langs de man. Hij steekt eerst de weg over, naar de andere kant, en gaat dán langs. Hij maakt een omweg. Hij verlegt zijn route zodat de man aan de overkant komt te liggen, en dan loopt hij door.
Dat is niet het werkwoord van iemand die iets niet ziet. Het is het werkwoord van iemand die iets heeft gezien en zijn lichaam zo verplaatst dat hij het niet meer hoeft te zien. De omweg is het bewijs van het zien. Wie niets had gezien, was gewoon rechtdoor gelopen.
En dan de leviet, drie verzen later, met hetzelfde woord: hij kwam bij de plaats, zag hem, en ging aan de overkant voorbij. Lucas gebruikt het werkwoord nergens anders, en niemand in het Nieuwe Testament gebruikt het, en in de Griekse vertaling van het Oude Testament komt het niet voor. Het is een woord dat hij nodig had voor deze ene beweging en dat hij daarna nooit meer nodig had.
Ik ken die beweging. Ik zie haar in de stad, als er iemand op de stoep ligt en de stroom mensen een halve meter naar links buigt zonder dat iemand kijkt. Ik zie haar in families, als er een broer is die drinkt en de gesprekken een bocht maken om zijn naam heen. En ik zie haar in mezelf, in de dagen dat ik iemand in mijn agenda een halve week later zet, omdat ik weet wat er ligt en er nog niet langs wil.
Wat de priester wist
De gebruikelijke uitleg is dat de priester rein moest blijven. Leviticus 21: een priester mag zich niet verontreinigen aan een dode, behalve aan zijn naaste verwanten. Wie een lijk aanraakt, is zeven dagen onrein en kan geen dienst doen. De man lag daar halfdood; voor wie van een afstand keek, kon hij dood zijn. Dus bleef de priester weg. Hij deed zijn plicht.
Lucas heeft dat excuus vooraf weggehaald, en het is een van de scherpste dingen in de gelijkenis. De priester daalt af. Hij gaat van Jeruzalem naar Jericho. Zijn tempeldienst zit erop. Jericho was een priesterstad, veel priesters woonden er en gingen na hun dienstweek naar huis. Deze priester heeft niets meer te vrezen van onreinheid: hij hoeft de komende tijd geen dienst te doen. Hij is op weg naar huis.
Dus de reden die het verhaal aanreikt, is niet de reden. De reden waarom mensen aan de overkant voorbijgaan, is zelden de reden die ze noemen. De regel komt na de beweging. Eerst steekt het lichaam over. Dan vindt het hoofd de wet die dat rechtvaardigt.
Wat er werkelijk gebeurde, laat Lucas open, en ik denk dat hij het openlaat omdat het niet één ding is. Angst, want de rovers konden nog in de rotsen zitten. Haast, want de zon ging onder in de kloof. Walging, want een naakte geslagen man in het stof is geen prettig gezicht. En onder dat alles het ene wat halfdood zo ondraaglijk maakt: als je dichterbij komt en hij leeft nog, moet je iets. Als je aan de overkant blijft, hoef je niets, omdat je niet weet.
De omweg bewaart het niet-weten. Dat is zijn functie. Wie “geen contact meer” heeft, weet niet hoe het gaat. Dat is geen bijverschijnsel van de beslissing. Het is het doel ervan.
Het lichaam dat oversteekt
Er is iets in een mens dat de weg oversteekt voordat hij heeft besloten. Wie een gewonde ziet, krijgt een reactie die ouder is dan zijn moraal. De ademhaling verandert, de blik schiet naar de omgeving, en het lichaam zoekt afstand. Dat is geen lafheid. Het is de eerste reactie van een zenuwstelsel dat gevaar en pijn waarneemt en zichzelf in veiligheid brengt. Bij de meeste mensen, in de meeste situaties, wint die reactie. De weg wordt overgestoken, en de reden komt later.
Wat de Samaritaan onderscheidt, is dat hij een tweede beweging heeft. Lucas beschrijft haar in één werkwoord: esplanchnisthē. Zijn ingewanden bewogen. Splanchna: de darmen, de plek waar het Grieks het medelijden lokaliseert, dieper dan het hart. Hij zag, en er gebeurde iets in zijn buik, en de buik trok hem naar de man toe in plaats van ervan weg. Prosēlthen: hij kwam naar hem toe. Het tegendeel van antiparēlthen.
De priester en de Samaritaan zagen hetzelfde. Lucas gebruikt drie keer hetzelfde werkwoord: idōn, toen hij hem zag. Het zien is niet het verschil. Het verschil is welke kant het lichaam op gaat na het zien. Naar de overkant, of ernaartoe.
En ik geloof niet dat de Samaritaan dat besloot. Ik geloof dat zijn buik het deed en dat hij zijn buik volgde. Dat is wat de gelijkenis over de naaste zegt: de naaste is niet wie je hebt uitgekozen om te helpen. De naaste is degene bij wie je buik bewoog en je voeten meegingen.
De Samaritaan die niet blijft
Er is nog iets aan de Samaritaan dat ik lang niet zag, en het is wat hem van een heilige tot een reiziger maakt.
Lucas noemt hem hodeuōn: onderweg zijnde, reizende. Het is het werkwoord van hodos, en het komt in het hele Nieuwe Testament alleen hier voor. De priester daalde af, katebainen. De leviet kwam bij de plaats, kata ton topon. De Samaritaan was op weg. Hij is de enige van de drie die het woord van deze hele serie draagt.
En hij blijft niet. Hij verbindt de wonden, giet er olie en wijn op, zet de man op zijn eigen rijdier, brengt hem naar een herberg, zorgt die nacht voor hem. De volgende ochtend haalt hij twee denariën tevoorschijn, geeft ze aan de waard, en zegt: zorg voor hem, en wat je meer uitgeeft, zal ik je betalen als ik terugkom. En hij gaat.
Hij gaat door met zijn reis. Hij wordt niet de verpleger van de man. Hij neemt hem niet mee naar huis. Hij geeft wat nodig is, regelt de rest, belooft terug te komen, en zet zijn weg voort. Dat is het verschil tussen dichterbij komen en opgeslokt worden. De naaste komt naar je toe en gaat ook weer verder. Twee denariën en een belofte.
Dat is voor de vrouw met de broer misschien de belangrijkste zin van de gelijkenis. Ze denkt dat er twee mogelijkheden zijn: geen contact, of alles. De overkant, of haar leven opgeven. En de Samaritaan laat een derde zien: naar hem toe gaan, kijken of hij leeft, doen wat nodig is, en doorgaan. Met een terugkomst in het vooruitzicht.
De Samaritaan uit Kronieken
Waarom een Samaritaan? Niet alleen omdat hij de buitenstaander is, de verachte, de man met de verkeerde religie. Er is een tekst achter de gelijkenis die de eerste hoorders kenden en die bijna niemand meer kent.
2 Kronieken 28. Het noordelijke rijk, Israël, heeft Juda verslagen en tweehonderdduizend gevangenen meegenomen naar Samaria. En dan staat er een profeet op, Oded, en hij zegt tegen de mannen van Samaria dat ze de gevangenen moeten laten gaan. En ze doen het. Zij kleedden allen die naakt waren, gaven hun kleren en sandalen, te eten en te drinken, zalfden hen, en droegen allen die zwak waren op ezels, en brachten hen naar Jericho, de palmenstad.
Naakt, gekleed, gezalfd, op ezels, naar Jericho. Het is de gelijkenis, achthonderd jaar eerder, en de mensen die het deden waren Samaritanen, mannen van Samaria. Lucas heeft de barmhartige Samaritaan niet verzonnen. Hij heeft hem uit Kronieken gehaald, waar hij al stond, en hem op de weg naar Jericho gezet. Wie de Schrift kende, hoorde het: de mensen die jullie verachten, hebben dit al eens gedaan met jullie.
In de praktijk
Ik vraag de vrouw niet of ze haar broer moet opzoeken. Die vraag zet haar aan de overkant, in de verdediging, met de regels: de kinderen, de rust, het bedrijf. Allemaal Leviticus 21. Allemaal waar, en allemaal na de beweging bedacht.
Ik vraag: wanneer ben je overgestoken?
En ze weet het. Mensen weten altijd wanneer ze zijn overgestoken. Het was op de begrafenis, zegt ze. Toen hij die dingen zei. Ze had hem aangekeken en gezien dat er iets in hem was omgevallen, en ze was naar de andere kant van de kamer gelopen, en ze is nooit meer teruggelopen.
Dan vraag ik: weet je of hij nog leeft?
Ze begint te huilen, want dat is de vraag die de omweg al twee jaar bewaart. Ze weet het niet. Halfdood. Van de overkant kun je het niet zien.
Wat ik haar dan niet vraag, is om hem in huis te nemen. Ik vraag wat de Samaritaan deed: dichterbij komen, kijken of hij leeft, doen wat nodig is, en doorgaan. Eén bericht. Eén vraag. Twee denariën en een belofte. Ze hoeft niet zijn verpleegster te worden. Ze hoeft alleen van de overkant af te komen, tot ze kan zien of hij ademt.
Wie is de naaste
De wetgeleerde had gevraagd: wie is mijn naaste? Plēsion, de nabije, degene die dichtbij is. Hij wilde een grens: tot hoever gaat mijn verplichting, wie hoort erbij en wie niet. En Jezus draait de vraag om. Wie van deze drie is de naaste geworden van de man die onder de rovers viel? Niet: wie is mijn nabije. Maar: wie is nabij gekomen.
De naaste is niet een categorie. Het is een beweging. Je bent de naaste van degene naar wie je toe bent gegaan. En je bent het niet van degene voor wie je bent overgestoken, ook al is het je broer.
De wetgeleerde kan het woord Samaritaan niet over zijn lippen krijgen. Hij zegt: die hem barmhartigheid bewezen heeft. En Jezus zegt: ga heen en doe evenzo. Ga. Het werkwoord van de serie, weer. Niet: denk erover na. Ga, en kom van de overkant af.
Centrale figuren in dit artikel:
de man die afdaalde,
de priester op weg naar huis,
de leviet bij de plaats,
de Samaritaan die onderweg was,
de vrouw die op de begrafenis overstak
Bijbelgedeelten:
Lukas 10:25-37 (wie is mijn naaste; afdalen naar Jericho; halfdood; de priester en de leviet, antiparēlthen; de Samaritaan, hodeuōn, esplanchnisthē, prosēlthen; olie en wijn, de herberg, twee denariën; wie is de naaste geworden; ga heen en doe evenzo);
Leviticus 21:1-4 (de priester en de dode);
Leviticus 19:18 (heb uw naaste lief);
2 Kronieken 28:8-15 (de mannen van Samaria kleden, zalven en dragen de gevangenen naar Jericho)

