Achtergrond: Shir haShirim
Dit artikel hoort bij de serie: een-mystieke-reis-door-het-hooglied/
Het boek opent met een grammatica die iets over plaats zegt. Shir haShirim, lied der liederen, is gebouwd zoals, het heilige der heiligen: de binnenste kamer van de tempel, waar één mens één keer per jaar naar binnen mocht. Wie de titel in het Hebreeuws hoort, hoort die kamer mee. De overtreffende trap meet dan geen kwaliteit, alsof dit het mooiste lied zou zijn. Hij wijst een ligging aan: het lied dat binnenin de andere liederen ligt, zoals die kamer binnenin het heiligdom.
Toen de rabbijnen zich afvroegen of dit boek wel in de verzameling hoorde, nam Akiva die titel letterlijk. Alle geschriften zijn heilig, zei hij, maar het Lied der liederen is het heilige der heiligen. Hij verdedigde het boek niet ondanks de kussen, de borsten en de nachtelijke straten, en ook niet door ze weg te allegoriseren. Hij plaatste het boek precies waar de titel het zelf plaatst.
En dan het vreemde. In die binnenste kamer staat geen God. Acht hoofdstukken zonder gebod, zonder offer, zonder gebed, zonder de Naam. Bijna. Helemaal aan het eind, in 8:6, wordt de liefde een shalhevetyah genoemd, een vlam. De laatste lettergreep is yah, de korte vorm van de Naam, verstopt in het woord voor vuur. De Naam treedt niet op als spreker of als handelende. Hij is de hitte van de vlam zelf. Het enige moment waarop het boek het goddelijke aanraakt, is het moment waarop de liefde sterker blijkt dan de dood.
Daar wil ik verder graven, in de letters. Ahavah, liefde, alef-hee-bet-hee: 1 + 5 + 2 + 5 is 13. Echad, één, alef-chet-dalet: 1 + 8 + 4 is ook 13. Liefde en eenheid wegen hetzelfde. Tel ze bij elkaar op en je krijgt 26, de waarde van de Naam die in het boek ontbreekt. Hij staat er dus toch, alleen niet als woord. Hij verschijnt in de rekensom van twee die liefhebben en één worden. Of dat toeval is, weet ik niet. De mystici geloofden niet in toeval in letters, en ik merk dat ik het steeds minder doe.
Dodi, mijn geliefde, het woord dat de vrouw steeds weer zegt, bestaat uit dalet-vav-dalet. Dezelfde letters vormen David. Het boek wordt toegeschreven aan Salomo, en in het woord waarmee zijn vrouw haar geliefde roept, staat de naam van zijn vader: de man die halfnaakt danste voor de ark en daarom door zijn eigen vrouw werd veracht. Het verlangen dat in dit lied klinkt, komt uit een geslacht dat het lichaam al eens in de tegenwoordigheid van God had gebracht.
Salomo, Shlomo, draagt de wortel sh-l-m: heel, voltooid, vrede. De Talmoed zegt dat iedere keer dat zijn naam in dit boek staat, met één uitzondering, er niet de koning uit Jeruzalem wordt bedoeld maar de Koning aan wie de vrede toebehoort. Dat is een mooie vergeestelijking, en ik zou er bijna tevreden mee zijn, ware het niet dat de vrouw in 7:1 Shulammit heet. Dezelfde wortel. Zij is de vrouwelijke vorm van zijn naam. Heelheid staat in dit boek twee keer, één keer mannelijk en één keer vrouwelijk, en het hele lied is de beweging tussen die twee. Wat heel is, bestaat hier alleen als twee die elkaar zoeken.
De geleerden dateren het boek laat, ergens tussen de vijfde en de derde eeuw voor onze jaartelling, en een van hun argumenten zit in 4:13. Het woord voor de ommuurde boomgaard, pardes, is Perzisch. Een leenwoord, een filologische vingerafdruk. Maar hetzelfde woord werd later de naam voor de vier lagen van lezen, pshat, remez, drash en sod: letterlijk, verwijzend, zoekend, verborgen. En het werd de naam van de tuin waar volgens de Talmoed vier wijzen binnengingen. De eerste keek en stierf. De tweede keek en verloor zijn verstand. De derde keek en hakte de wortels af. Alleen Akiva ging binnen in vrede en ging uit in vrede, beshalom. Dezelfde Akiva die dit boek het heilige der heiligen noemde. Dezelfde wortel als Shlomo en Shulammit.
De datering en de mystieke weg liggen dus in één woord. Wie het boek historisch leest, stuit op een tuin. Wie het mystiek leest, stuit op dezelfde tuin, en op de vraag of hij er heel uit terugkomt. De tekst is voor het lichaam en voor de ziel even gevaarlijk: hij roept op tot binnengaan, en wie binnengaat zonder vrede, raakt iets kwijt.
Ik schreef net dat het boek over het lichaam gaat en dat de ziel meeleest. Hier glijd ik weg. Zo simpel verdeelt de tekst het niet. Kijk naar de beschrijvingen: haar hals is als de toren van David, haar ogen zijn de vijvers van Chesbon, haar haar is een kudde geiten op de hellingen van Gilead. Het lichaam van de vrouw is een landkaart van het land. Wie haar beschrijft, loopt door Israël. Het lichaam draagt hier niets hogers en staat ook niets hogers in de weg; in het lichaam werd de belofte land. Dat maakt de oude uitleg, dat de geliefden God en Israël zijn, minder een vlucht uit de erotiek dan ik altijd dacht. Het land zelf wordt als een bruid bemind, en de bruid als een land.
Dan de afwezigheid. Het boek kent geen vervulling die blijft. In hoofdstuk 3 zoekt ze hem op haar bed en vindt hem niet. In hoofdstuk 5 staat hij aan de deur, ze aarzelt, en als ze eindelijk opendoet, staat er chamak avar: hij had zich omgekeerd, hij was voorbij. Haar ziel ging uit toen hij sprak, zegt ze. Pas in zijn vertrek hoort ze wat hij zei. De afwezigheid is geen onderbreking van de liefde. Nee, dat schrijf ik te snel. Ze is de vorm die de liefde aanneemt zolang zij nog niet is wat ze worden kan.
Het laatste vers bevestigt dat. Berach dodi: vlucht, mijn geliefde, wees als een gazelle op de bergen van de specerijen. Het heilige der heiligen eindigt met een vrouw die haar geliefde wegzendt. Er wordt niet getrouwd, niet samengewoond, niet afgesloten. Het lied eindigt in beweging.
Misschien is dat waarom het met Pesach wordt gelezen, in de nacht van het vertrek. Een oude Aramese vertaling telt tien liederen in de geschiedenis: het lied van de zee, het lied bij de bron, het lied van Mozes, van Debora, van Hanna, van David. Dit is het negende. Het tiende wordt gezongen door ballingen op de dag dat ze thuiskomen, en het is nog niet gezongen. Hooglied staat daar vlak voor, als het lied dat weet dat het niet het laatste is.
In het Hebreeuws heeft kennen en liefhebben één werkwoord. Adam kende Eva. Wie dit boek leest, wordt gevraagd om op die manier te kennen: met het lichaam, met het risico van de tuin, met de vlam waarin de Naam alleen als laatste lettergreep meebrandt. Wat je zo te weten komt, vlucht zodra je het vasthoudt, als een gazelle.
