Al weten voor je gekeken hebt (Nathanaël)
Over de vijgenboom, de man zonder bedrog, en de ladder die aan een geleerde wordt beloofd
Ik herken hem binnen dertig seconden. Dat is het probleem.
Hij komt binnen, hoger opgeleid, belezen, hij heeft de boeken al gelezen die ik ook heb gelezen. Hij gaat zitten en zegt, vriendelijk, in de eerste vijf minuten, dat hij niet zeker weet of dit iets voor hem is. Opstellingen — hij heeft erover gelezen, hij snapt het principe, het is hem wat te veel geloof. En ik zit tegenover hem en heb hem al ingedeeld. Ik weet wat hij gaat doen. Ik weet welke weerstand er komt en op welk moment.
Twee mensen aan een tafel, allebei al klaar met kijken voordat er iets is gebeurd.
Dat is Johannes 1:46, en het is niet de scène van de één, het is de scène van de twee.
Filippus komt uit Bethsaïda, dezelfde stad als Andreas en Petrus. Hij is net geroepen, één woord, volg mij, en het eerste wat hij doet is een ander zoeken. Hij vindt Nathanaël en zegt: wij hebben hem gevonden van wie Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.
Let op hoe Filippus het zegt. Hij begint met Mozes en de profeten, hij eindigt met Nazareth. Hij biedt de grootste claim die er in Israël te doen valt, en hij hangt er het kleinste adres aan dat er te vinden was.
En Nathanaël hoort alleen het adres. Kan uit Nazareth iets goeds zijn?
Ik heb die zin lang gelezen als de zin van een snob. Dat is ze niet. Nathanaël heeft gelijk. Nazareth komt in de hele Hebreeuwse Bijbel niet voor. Niet in de wet, niet bij de profeten, niet in de psalmen. Als er een messias komt, komt hij uit Bethlehem, dat staat bij Micha; of hij komt als de twijg uit de stronk van Isaï, dat staat bij Jesaja. Nazareth staat nergens. Wie de Schrift kent, weet dat uit Nazareth niets komt, omdat er niets over is geschreven.
Zijn oordeel is dus geen vooroordeel in de zin van: hij heeft niet nagedacht. Het is de vrucht van nadenken. Het is wat je weet als je goed hebt gestudeerd.
Daar zit hij ook. Onder de vijgenboom.
De vijgenboom is in het Israël van die tijd geen willekeurige boom. Ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, zegt Micha over de vrede die komt, en de rabbijnen zaten er letterlijk onder om Thora te leren. De vijgenboom was de studieplek, de plek van de geleerde die de tekst uit zijn hoofd kent. De Talmoed vergelijkt de Thora zelf met een vijgenboom: je plukt er niet in één keer alles van, je vindt er elke dag weer wat, en wie eronder zit, blijft vinden.
Nathanaël zit onder de vijgenboom als Filippus hem komt halen. Hij zit op de plek waar je alles weet wat er te weten is. En precies daarom kan uit Nazareth niets goeds komen.
Dit is de laag die ik lang niet zag: de blindheid van Nathanaël is zijn kennis. Niet zijn domheid, niet zijn luiheid, niet zijn hoogmoed. Hij ziet Nazareth niet omdat hij de Schrift zó goed kent. Wie het meest weet, heeft het minste ruimte over voor wat er niet in staat.
Er is hier iets wat het brein doet dat de vijgenboom verklaart. We zien niet wat er is. We zien wat we verwachten, en we corrigeren dat met wat de ogen aanleveren. Het brein voorspelt, en de waarneming is de correctie op de voorspelling. Bij een kind is de voorspelling nog zwak en de correctie groot; het ziet alles voor het eerst. Bij een expert is de voorspelling scherp en de correctie klein. Hij ziet sneller, beter, preciezer, en hij ziet alleen nog wat zijn voorspelling toelaat. Zijn kennis is een vijgenboom geworden waar hij onder zit, met dichte bladeren, in de schaduw, en wat buiten de schaduw staat bereikt zijn ogen niet meer als iets wat gezien moet worden maar als iets wat al bekend is.
Ik ken die boom. Ik zit er zelf onder als hij binnenkomt en ik hem in dertig seconden heb.
Filippus zegt: kom en zie. En Nathanaël komt. Dat is het eerste wonder van de scène, en het wordt nooit genoemd: de geleerde die het al weet, staat op van zijn plek en gaat kijken naar wat er volgens hem niet kan zijn. Hij laat zijn oordeel staan, hij neemt het mee, en hij komt.
En dan de omkering waar dit evangelie steeds op uitkomt: voordat hij ziet, wordt hij gezien. Jezus ziet hem aankomen en zegt, tegen de omstanders, niet tegen hem: zie, waarlijk een Israëliet, in wie geen bedrog is.
Waarlijk. Alēthōs. Het waarheidswoord, voor het eerst in dit evangelie uit de mond van Jezus. En het wordt gezegd over de man die zojuist zijn vooroordeel heeft uitgesproken. Dat had ik niet verwacht. Ik had verwacht dat het vooroordeel bestraft werd, of tenminste gecorrigeerd. Het wordt geprezen. Geen bedrog.
Het Griekse woord is dolos. En dolos is het woord dat de Griekse Bijbel gebruikt op één beslissende plaats in Genesis: als Izaäk tegen Ezau zegt dat zijn broer met bedrog is gekomen en de zegen heeft weggenomen. Jakob is de man van de dolos. Jakob, die later Israël gaat heten. De hele naam Israël is gebouwd op een man die zijn vader bedroog om te krijgen wat hij wilde.
Een Israëliet zonder dolos. Een Jakob zonder het bedrog van Jakob. Iemand die de naam draagt en de list niet. En het bewijs dat hij geen list heeft, is precies zijn vooroordeel: hij zei het hardop. Kan uit Nazareth iets goeds komen? Hij verzweeg het niet, hij pakte het niet in, hij deed niet alsof hij openstond terwijl hij dicht zat. Hij zei wat hij dacht, tegen de man die hem kwam halen.
Dat is het verschil met Nicodemus, die in de nacht komt. Nicodemus heeft ook een oordeel, en hij houdt het binnen; hij komt met beleefdheid, rabbi, wij weten dat u van God gekomen bent, en pas veel later, in de nacht, komt de vraag die hij werkelijk heeft. Nathanaël begint met zijn bezwaar. Wie zo begint, kan gezien worden. Wie beleefd begint, moet eerst nog gevonden worden achter de beleefdheid.
Vanwaar kent u mij? vraagt Nathanaël, en het antwoord is de zin waar dit stuk om draait: voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom was, zag ik je.
Ik werd gezien terwijl ik zat te weten.
Dat is wat hem omgooit. Niet een argument voor Nazareth; er wordt geen argument gegeven. Niet een wonder; er gebeurt niets. Alleen dit: dat de plek waar hij zijn oordeel zat te vormen, de schaduw van zijn eigen geleerdheid, van buitenaf gezien was. Dat er iemand keek naar de man onder de boom terwijl de man onder de boom dacht dat hij de enige was die keek.
En dan komt uit de mond van de scepticus de hoogste belijdenis tot dan toe: rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël. Van “kan er iets goeds uit komen” naar “de koning van Israël” in vier verzen. Zo snel gaat het niet als een oordeel wordt weerlegd. Zo snel gaat het alleen als een oordeel overbodig wordt, omdat degene die het had, ontdekt dat hij gekend was terwijl hij het had.
En dan iets wat ik pas begreep toen ik de naam van het dorp nog eens bekeek.
Nazareth. Er is een oude gedachte, Mattheüs speelt ermee, dat de naam samenhangt met netser: twijg, loot. Er zal een twijg opschieten uit de stronk van Isaï, Jesaja 11. Het messiaanse woord dat Nathanaël onder zijn vijgenboom zeker heeft gelezen. Het zat in de naam van het dorp waarvan hij zei dat er niets uit kon komen. Hij hoorde de naam, en hij hoorde het woord niet, omdat hij het dorp al kende.
Of die etymologie klopt, is omstreden, en ik laat het bij: het is de gedachte van een tijdgenoot. Maar ik ken de ervaring die erin zit. Dat het antwoord op de vraag die je al jaren hebt, verstopt zat in het woord dat je afwees omdat je het al kende. De moeder over wie je alles wist. De collega die je had ingedeeld. De coach van wie je dacht dat het geloof was.
Jezus sluit de scène niet met de belijdenis. Hij zegt: omdat ik zei dat ik je zag onder de vijgenboom, geloof je? Grotere dingen zul je zien. Jullie zullen de hemel geopend zien en de engelen van God opstijgen en neerdalen op de Zoon des mensen.
Dat is Genesis 28. Jakob, op de vlucht na zijn bedrog, slaapt met een steen onder zijn hoofd en ziet een ladder, met engelen die opstijgen en neerdalen. En als hij wakker wordt zegt hij: waarlijk, de Heer is op deze plaats, en ik wist het niet.
Ik wist het niet. Dat is Jakob. Nathanaël is het tegendeel: hij wist het wel, alles, en daarom kon uit Nazareth niets komen. En aan hem, de Israëliet zonder bedrog, wordt de droom van de bedrieger beloofd. De ladder gaat open voor de man die te veel wist, zoals ze openging voor de man die niets wist. Alleen moest de een eerst vluchten, en de ander eerst opstaan van onder zijn boom.
Wat kun je hiermee.
Je kunt de zin leren herkennen. Ze klinkt zelden als “kan uit Nazareth iets goeds komen”. Ze klinkt als: dat heb ik al geprobeerd. Als: ik ken mijn moeder. Als: ik weet hoe hij reageert. Als: dat is niets voor mij. Als: ik snap het principe. Het zijn allemaal zinnen van onder de vijgenboom, en ze zijn allemaal redelijk, en ze hebben allemaal gelijk op grond van alles wat je weet. Het enige wat ze niet kunnen, is iets zien wat er niet in staat.
Je kunt hem hardop zeggen. Dat is wat Nathanaël doet en Nicodemus niet, en het is het enige wat de scène van hem vraagt. Zeg tegen wie je komt halen: ik denk dat hier niets uit komt. Zonder inpakken, zonder beleefdheid. Wie zijn oordeel eerlijk zegt, is een Israëliet zonder bedrog, en dat is de mens die gezien kan worden. Wie het inslikt en toch meegaat, zit nog steeds onder zijn boom, alleen nu in een andere kamer.
En je kunt opstaan terwijl je het nog denkt. Dat is het hele geheim van deze scène: Nathanaël bekeert zich niet eerst van zijn vooroordeel en komt dan. Hij komt met zijn vooroordeel. Het oordeel hoeft niet weg voordat je gaat kijken. Het hoeft alleen mee.
Wat er dan gebeurt, kan ik niet beloven, en Johannes belooft het ook niet. Nathanaël komt nog één keer voor in dit evangelie, op de laatste bladzijde, vissend in het meer, na de opstanding. Of hij de ladder ooit heeft gezien, staat er niet.
Ik weet alleen wat er in mijn praktijk gebeurt als de man die het al weet, opstaat en meedoet. Hij wordt niet overtuigd. Hij ontdekt dat iemand hem zag zitten onder zijn boom. En daarna heeft hij zijn vooroordeel nog steeds, maar hij zit er niet meer onder.
Centrale figuren in dit artikel:
Nathanaël,
Filippus,
Jakob onder de ladder
Bijbelgedeelten:
Johannes 1:43-51 (Nathanaël; de vijgenboom; een Israëliet zonder bedrog; de hemel geopend);
Johannes 21:2 (Nathanaël uit Kana, na de opstanding);
Genesis 27:35 (Jakob kwam met bedrog, dolos);
Genesis 28:10-17 (de ladder; de Heer is op deze plaats en ik wist het niet);
Micha 4:4 (ieder onder zijn vijgenboom);
Jesaja 11:1 (de twijg, netser, uit de stronk van Isaï);
Talmoed Eruvin 54a (de Thora als vijgenboom)

