Alles meewerken ten goede
Romeinen 8:28: En wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn.
Wat er staat
Het eerste woord is oidamen. Niet ginōskomen, het kennen dat groeit en dat je al doende opdoet, maar oidamen: een voltooid verleden vorm van ‘zien’ die als tegenwoordige tijd functioneert. Wij hebben gezien, en daarom weten wij. Het is bovendien een wij-woord, en Paulus gebruikt het door de hele brief heen op de momenten dat hij iets aanhaalt wat de gemeente al bezit (2:2, 3:19, 7:14). Hij introduceert hier niets nieuws. Hij raapt iets op dat er al lag.
Dan de kwestie van het onderwerp. In een aantal van de vroegste handschriften — papyrus 46, de Vaticanus, de Alexandrinus, en bij Origenes — staat achter synergei het woord ho theos: God werkt alle dingen mee ten goede. In de meeste andere getuigen ontbreekt dat woord, en de tekstkritische edities laten het weg, op de overweging dat een verduidelijking eerder wordt toegevoegd dan geschrapt. Wat overblijft is een zin zonder uitgesproken subject. Panta kan het onderwerp zijn: alle dingen werken mee. Of het onderwerp is nog altijd het onderwerp van de twee voorafgaande verzen — en dat is de Geest, die daar zucht en pleit. Wie doorleest zonder het vers uit zijn omgeving te tillen, leest dus: de Geest werkt alles mee ten goede.
Het verschil tussen die twee lezingen is de afstand tussen een God die van buitenaf omstandigheden ordent en een Geest die van binnenuit meezucht. De handschriften die ho theos toevoegen hebben die afstand al gekozen. De oudste vorm van de zin laat hem staan.
Synergei. Syn-ergein, samen-werken. Het is het werkwoord bij synergos, en dat woord gebruikt Paulus voor mensen: Timoteüs, Titus, Prisca en Aquila heten zijn synergoi, zijn medewerkers (Romeinen 16:3, 16:9, 16:21). Het komt uit de werkplaats, niet uit het vocabulaire van bestuur of voorzienigheid.
En dan de datief, waar het hele vers op scharniert: ‘aan/voor/met hen die God liefhebben’. Vertalingen kiezen bijna altijd voor de datief van voordeel: het werkt mee ten gunste van hen die God liefhebben. Maar synergein neemt in het Grieks normaal gesproken een datief van degene mét wie je werkt. In Jakobus 2:22 staat het onbetwistbaar zo: het geloof werkte samen mét zijn werken. Leg die grammatica naast Paulus’ zin en er staat iets anders: alle dingen werken samen mét hen die God liefhebben, tot goed.
In de ene lezing zijn wij ontvangers. In de andere zijn wij partij. Paulus lost dat niet op.
Ten slotte eis agathon. Eis is richting, geen bestemming die je kunt afvinken. En agathon staat er zonder lidwoord — niet ‘het goede’ als een gedefinieerd eindpunt, maar goed als hoedanigheid, als kant waarheen iets beweegt. Er staat niet dat het goed afloopt. Er staat dat het goedwaarts werkt.
Het achtste MET-woord
Wie hoofdstuk 8 leest met het oog op één woorddeel, ziet iets wat in geen vertaling overleeft. Het hoofdstuk is gebouwd op syn.
De Geest getuigt mét onze geest (8:16). Wij zijn mede-erfgenamen, wij lijden mét hem, opdat wij mét hem verheerlijkt worden (8:17). De hele schepping zucht mét, en heeft mét weeën (8:22). De Geest grijpt mét ons aan (8:26). Alle dingen werken mét (8:28). En wij worden mede-gevormd naar het beeld van de Zoon (8:29).
Synergei is het achtste van negende met-woord in veertienverzen. Het staat niet op zichzelf en het is geen algemene uitspraak over de loop der dingen; het is het voorlopige hoogtepunt van een reeks. Alles wat Paulus in dit hoofdstuk over God zegt, zegt hij met een voorvoegsel dat nabijheid betekent. De beweging gaat niet van boven naar beneden maar van naast naar naast.
Dat verandert wat er in vers 28 gebeurt. Een God die alles ten goede leidt, doet dat vanaf een plek waar het niet zeer doet. Een God die alles ten goede meewerkt, staat in het materiaal.

Na de derde zucht
De plaats van het vers is even sprekend als zijn woordkeus.
Drie keer wordt er in dit hoofdstuk gezucht. Eerst de schepping, die in barensweeën ligt (8:22). Dan wijzelf, die de eersteling van de Geest hebben en juist daarom zuchten (8:23) — het zuchten neemt toe naarmate er meer Geest is, niet af. En dan de Geest zelf, met zuchten die niet in woorden komen (8:26).
En precies tussen de derde zucht en vers 28 staat de zin die alles draagt: wat wij bidden zullen zoals het behoort, weten wij niet.
Wij weten niet.
Twee verzen later: Wij weten wel.
Hetzelfde werkwoord, ontkend en bevestigd, met een adempauze ertussen. Het weten van vers 28 is geen weten dat over het niet-weten heen is gegroeid. Het staat erop. Paulus zegt niet: nu je dit weet, hoef je niet meer radeloos te zijn in je gebed. Hij zegt het omgekeerde. Het enige weten dat hij aanbiedt, is het weten dat overblijft wanneer je bij God niet meer uit je woorden komt.
Wie vers 28 losmaakt van vers 26 krijgt een spreuk. Wie het laat staan waar het staat, krijgt iets veel ongemakkelijkers: een zekerheid die alleen bestaat in de vorm van niet weten wat je vragen moet.
Wat ‘goed’ is, staat in de volgende zin
Er is geen reden om te raden wat eis agathon betekent, want Paulus zegt het in vers 29. Zij die hij tevoren kende, heeft hij ook tevoren bestemd — mede-gevormd naar het beeld van zijn Zoon.
Het goede is een vorm. Geen afloop, geen uitkomst, geen herstel van wat kapotging. Vorm.
En de vorm waarnaar gevormd wordt, is die van iemand die in dit hoofdstuk twaalf verzen eerder werd omschreven: mét hem lijden. Het goede waarheen alles meewerkt, sluit het lijden niet uit — het loopt erdoorheen, want de gestalte waarnaar gevormd wordt is die gestalte.
Hier is de plek waar de kerkelijke lezing van dit hoofdstuk het grondigst is misgegaan. De reeks van vers 29 en 30 — tevoren gekend, tevoren bestemd, geroepen, gerechtvaardigd, verheerlijkt — is in de westerse traditie een leerstuk geworden waaruit je kunt afleiden of je erbij hoort. Een tekst die geschreven is voor mensen die niet meer wisten hoe ze bidden moesten, werd omgebouwd tot een instrument dat precies die angst produceert die hij wegneemt. Drewermann leest zulke passages terug naar de zielsbeweging waaruit ze opkomen, en die is hier zonder omhaal aanwijsbaar: het hele hoofdstuk begint met geen veroordeling, en eindigt met de opsomming van alles wat níet scheiden kan. Wat daartussen ligt is niet bedoeld om te sorteren. Het is bedoeld om de bodem uit de angst te slaan dat je eruit kunt vallen.
Wanneer 8:29 een selectiecriterium wordt, is het goede van 8:28 al verdwenen. Dan werkt niet alles mee ten goede — dan werkt het mee ten oordeel, en moet je hopen bij de goede groep te horen.
Jozef, en het woord dat de eerste tet draagt
Een Griekssprekende Jood in Rome hoorde bij eis agathon iets wat wij niet meer horen. In de Septuaginta staat in Genesis 50:20, waar Jozef zijn broers tegemoet treedt: jullie hebben over mij beraadslaagd ten kwade, maar God heeft over mij beraadslaagd ten goede.
Het is dezelfde wending. Jozef is het schoolvoorbeeld van alles wat meewerkt: de put, de verkoop, het valse getuigenis, de gevangenis, het vergeten worden. En het goede waar het op uitloopt is niet Jozefs herstel of zijn genoegdoening, maar het overleven van een volk waar hij zelf nauwelijks meer bij hoort. Het goede in dat verhaal komt niemand persoonlijk toe.
Wie in die richting doorgraaft, komt bij het Hebreeuwse woord uit. Tov. Het staat voor het eerst in Genesis 1:4 — God zag het licht, dat het goed was — en dat is meteen de eerste keer dat de letter tet in de Torah voorkomt. De tet is in de traditie de letter die als een naar binnen gekeerd vat wordt gelezen, de vorm waarin iets bewaard wordt dat je niet ziet. En de plaats waar tov voor het eerst valt, is niet de plaats waar de wereld af is, maar de zin waarin licht en duisternis uit elkaar worden gehaald. Het goede verschijnt op het moment van scheiding. Niet als het tegendeel van het donker, en niet als wat overblijft wanneer het donker weg is, maar als datgene wat zichtbaar wordt zodra de twee niet meer één brij zijn.

Bij Friedrich Weinreb is een getal nooit een sleutel waarmee je een tekst openbreekt; het is een structuur waarin verhalen op elkaar blijken te rijmen. Tet-vav-beet: negen, zes, twee. Zeventien. En zeventien is het getal waarmee het Jozefverhaal begint en eindigt. Jozef is zeventien jaar wanneer hij verkocht wordt (Genesis 37:2), en Jakob leeft zeventien jaar in Egypte voordat hij sterft (Genesis 47:28). Tussen die twee zeventienen ligt alles wat een mens kan overkomen. Het verhaal van tov is aan beide uiteinden gemerkt met tov, en de inhoud ertussen is verraad, slavernij en honger.
Er is nog een derde plek waar dit vandaan komt, en die staat aan het begin. Genesis 2:3 sluit de scheppingsdagen af met een zin die grammaticaal niet klopt: ‘die God geschapen heeft om te maken’. Er staat een infinitief waar je een voltooiing verwacht. De joodse traditie heeft dat nooit gladgestreken maar juist opgepakt: de schepping is afgeleverd in de staat van nog-te-doen. Er is werk in achtergelaten.
En dat is precies waarover Romeinen 8 het heeft, negen verzen voor 28. De schepping is onderworpen aan ’tevergeefsheid’, niet uit zichzelf, en ligt in barensweeën te wachten. Daar ligt een schepping die nog niet af is omdat ze niet af bedoeld was, en dus iets anders vraagt dan reparatie.
Samenwerken veronderstelt onafheid. Aan iets wat klaar is valt niet mee te werken.
Het brood van het aangezicht
Kata prothesin. Naar het voornemen. Het woord prothesis betekent letterlijk: het vóór-stellen, het neerleggen-vóór. En in de Griekse bijbel is het bovenal een woord uit de tempel: de toonbroden heten artoi tēs protheseōs, de broden van de prothesis, en het Hebreeuws daarachter is lechem hapanim — brood van het aangezicht. Twaalf broden, elke sabbat vervangen, permanent neergelegd/uitgestald voor Gods gezicht, zonder dat er iets mee gebeurt.
Wie in Rome dit hoofdstuk hoorde voorlezen en Grieks bijbelgrieks kende, had die klank in het oor. Geroepen ‘naar het voornemen’ is dan niet: geroepen volgens een plan dat ergens is opgesteld. Het is: geroepen naar wat is neergelegd/uitgestald voor het aangezicht. Iets wat er ligt en gezien wordt en niet weggaat.
En Paulus gebruikt prothesis in deze brief precies één keer opnieuw. Drie hoofdstukken verder, in 9:11: het voornemen van God naar verkiezing. Waar gaat het daar over? Over Israël. Over Jakob en Ezau, over de vraag of God zijn volk heeft losgelaten, over de olijfboom en de takken.
Het woord waarmee vers 28 eindigt, is dus het woord waarmee Paulus even later de vraag van Israël aan de orde stelt. Het ‘voornemen‘ van 8:28 gaat niet over de levensloop van een individu. Het is volkstaal, verbondstaal. Wie het hoort als een persoonlijke bestemming, hoort het in een register dat Paulus in deze brief nergens gebruikt.
Dat geldt ook voor de aanduiding zelf. Tois agapōsin ton theon — hen die God liefhebben — is een staande formule uit de Septuaginta, geen omschrijving van bijzonder vrome christenen. Exodus 20:6: barmhartigheid aan duizenden tois agapōsin me. (Deuteronomium 7:9, Richteren 5:31, Psalm 145). Het is de echo van het Sjema, van het we’ahavta dat twee keer per dag wordt uitgesproken. In Romeinen 8:28 staat de zelfaanduiding van Israël.
Rome, in het jaar 57
Nu de ruimte waarin deze zinnen voor het eerst klonken.
In het jaar 49 vaardigde keizer Claudius een edict uit dat Joden uit Rome verdreef — Suetonius noteert het droog, en Handelingen 18:2 laat zien wat het praktisch betekende: Aquila en Prisca kwamen als ontheemden in Korinthe terecht. Claudius stierf in 54. De verdrevenen keerden terug. En zij troffen een gemeente aan die zich in die jaren zonder hen had gereorganiseerd, met een heidense meerderheid, andere gewoonten rond eten en drinken, andere leiders, andere huizen. Iedereen was zijn plek kwijt of had een plek ingenomen die niet van hem was.
Dat is het conflict dat in hoofdstuk 14 en 15 met zoveel omzichtigheid wordt behandeld — de sterken en de zwakken, wie wie veroordeelt, wie wie minacht — en het is de reden waarom hoofdstuk 9 tot 11 überhaupt geschreven moesten worden.
De namen in hoofdstuk 16 zeggen de rest. Ampliatus, Urbanus, Herodion, de huisgenoten van Narcissus en van Aristobulus: het zijn overwegend slavennamen en vrijgelatenennamen. Geen grondbezitters, maar mensen in huurkazernes, veelal onvrij, veelal migrant, in een stad waaruit een deel van hen zeven jaar eerder was weggejaagd.
Tegen die mensen zegt Paulus in hoofdstuk 8 dat zij huiothesia hebben ontvangen — en dat woord is in Rome geen beeldspraak. Adoptio is Romeins recht. Een geadopteerde zoon kreeg de volledige status van erfgenaam, zijn oude schulden vervielen, zijn vorige familiebanden werden juridisch doorgesneden. Voor een slaaf, die naar Romeins recht geen vader had en niet kon erven, is dat de meest ondenkbare wending die er bestaat. En de bekendste geadopteerde zoon van dat moment zat op de troon: Nero, in 50 door Claudius geadopteerd, sinds 54 keizer. Over adoptie en erfrecht schrijven, in Rome, in die jaren, is niet neutraal.
En dan de overgang die niemand voorleest. Hoofdstuk 8 eindigt met de grootste zekerheid die Paulus ooit heeft opgeschreven: niets kan ons scheiden. De volgende zin luidt dat hij grote droefheid heeft en onophoudelijke pijn in zijn hart, en dat hij zelf wel vervloekt wilde zijn, weggesneden van Christus, ter wille van zijn broeders naar het vlees.
Er zit geen adempauze tussen. Het lied over de onscheidbaarheid gaat rechtstreeks over in het enige geval waarin die onscheidbaarheid voor Paulus’ gevoel niet opgaat. Hij zingt het en hij houdt het vol en tegelijk breekt hij eronder. Dat mag naast elkaar blijven staan, en Paulus heeft het naast elkaar laten staan.
Twee soorten oren in dezelfde kamer
Dezelfde zin viel in Rome in twee volstrekt verschillende wandelgangen.
De Jood in die kamer hoorde het Sjema, hoorde Jozef, hoorde de toonbroden, hoorde een verbondsformule uit Exodus. Voor hem stond er iets over een volk dat wordt vastgehouden.
De heiden in die ruimte hoorde iets anders, en het lag zeer dichtbij. De stoïsche leer van de samenhang van alle dingen, de kosmos als één lichaam waarin niets afzonderlijk gebeurt — was in Rome geen schoolfilosofie maar algemeen beschikbaar levensgevoel. Seneca schreef in diezelfde jaren, aan datzelfde hof, De Providentia, over waarom goede mensen kwaad overkomt. Voor die oren klonk ‘alle dingen werken samen tot goed‘ als een bevestiging van wat men al wist: het geheel klopt, en jouw ongeluk is een onderdeel dat je alleen te klein bekijkt.
Het verschil zit in één woord dat Paulus niet gebruikt. Hij schrijft niet pronoia, voorzienigheid, vooruitzien — het stoïsche kernbegrip. Hij schrijft prothesis, vooruitleggen. Niet een geest die alles overziet, maar iets wat is neergelegd en waarvoor gestaan wordt.
En het tweede verschil is het zuchten. In de stoïsche kosmos is de klacht een vergissing; als je het geheel doorzag, zou je niets te klagen hebben, en de wijze klaagt dus niet. In Romeinen 8 zucht de schepping, zuchten wij, en zucht God zelf mee. De samenhang wordt niet gered door boven het verdriet uit te stijgen. Ze wordt gedragen door iets wat er middenin ligt te kreunen.
Dat is precies het punt waarop een tekst die klinkt als berusting het tegendeel ervan blijkt te zijn. Wie ‘alles werkt mee ten goede‘ leest als ‘alles heeft een reden‘, heeft de stoïsche versie gehoord — het geruststellende halffabricaat dat al in de kamer lag voordat Paulus binnenkwam.
Wat open blijft
De datief blijft open, en dat is geen tekortkoming in het Grieks.
Als tois agapōsin een datief van voordeel is, dan wordt er iets voor ons gedaan en zijn wij de begunstigden. Als het de datief bij synergein is — de datief van degene mét wie gewerkt wordt, zoals bij Jakobus — dan wordt er iets met ons gedaan, en zijn wij mee aan het werk zonder te weten waaraan.
Het hoofdstuk zelf leunt naar het tweede. Negen MET-woorden lang gaat het over niets anders dan samen: mee-getuigen, mee-lijden, mee-zuchten, mee-verheerlijkt, mee-gevormd. Er is geen enkele reden om uitgerekend bij het negende met-woord aan te nemen dat wij er ineens buiten staan.
En dan is de zin niet langer een uitspraak over hoe het afloopt, maar over waar wij ons bevinden. In een schepping die met opzet niet af is afgeleverd, om te maken. Naast een Geest die niet weet te formuleren wat wij nodig hebben en toch niet ophoudt. Op weg naar een vorm, niet naar een uitkomst.
Wat er niet staat, staat er zo nadrukkelijk niet dat het bijna hoorbaar is. Er staat niet dat het goed komt. Er staat niet wanneer. Er staat niet dat wat ons overkwam goed was; over het kwade van de broers zegt Genesis 50 met zoveel woorden dat het kwaad wás. Er staat een richting, een medewerking, en een weten dat alleen bestaat op de plek waar het bidden vastloopt.
Of wij daarin de handen zijn of het materiaal — Paulus heeft dat in het midden gelaten. Misschien omdat het in het midden ligt.
