Altijd afgestemd, pas alleen tot rust: als de ander een taak is
Een tweelinghelft die in de baarmoeder sterft, is meestal niet van het ene op het andere moment weg. Een ritme dat eerst naast het jouwe klopte wordt zwakker, de bewegingen nemen af, en ergens daarna is het stil. Het zenuwstelsel dat daarnaast ligt, doet in die weken maar één ding: afstemmen. Het stemt dus ook dáárop af. Op een ander die minder wordt.
Ik denk dat daar twee dingen tegelijk worden vastgelegd. Het eerste: de ander is mijn bron van ritme en rust, zonder de ander val ik uit elkaar. Het tweede: de ander kan wegzakken terwijl ik meevoel, en mijn meevoelen heeft het niet tegengehouden. Beide indrukken zitten in hetzelfde lichaam, ze zijn in dezelfde weken ontstaan, en ze vragen iets tegengestelds. De eerste zegt: zoek de ander op. De tweede zegt: zodra er een ander is, let op.
Waar de eerste indruk de boventoon voert, ontstaat de mens die niet alleen kan zijn. Waar de tweede de boventoon voert, ontstaat iemand bij wie in gezelschap een wachtdienst aangaat die pas eindigt wanneer de laatste ander de kamer uit is.
Wat er gebeurt als iemand binnenkomt
Een zenuwstelsel dat de ander leest — gezicht, stem, adem, de spanning in een schouder — gebruikt daarvoor dezelfde aandacht waarmee het ook het eigen lichaam zou kunnen waarnemen. Bij de meeste mensen wisselt dat vanzelf af. Bij deze alleengeboren tweeling wint de ander het, elke keer, zonder dat daar een besluit aan voorafgaat. Zolang er iemand in de ruimte is, komen de eigen signalen niet door.
Dat is te merken aan wat er gebeurt als de deur dichtgaat. Dan pas blijkt dat de blaas vol is, dat er honger is, dat de schouders al uren opgetrokken zaten, dat de vermoeidheid er al sinds de middag was. De ontspanning in het alleen-zijn is voor een groot deel dit: het eigen lichaam komt weer in beeld.
Er komt iets bij. Wat van de ander wordt opgevangen, komt binnen zonder afzender. De onrust van de collega, het verdriet dat de partner zelf nog niet voelt, de irritatie van iemand aan de andere kant van de tafel: het wordt in het eigen lijf gevoeld als eigen spanning. En spanning die in jouw lichaam zit maar bij een ander hoort, kun je op maar één manier kwijt: door te zorgen dat het met die ander beter gaat. Zorgen is hier zelfregulatie via een omweg. Het ziet eruit als toewijding, en dat is het ook, maar de motor eronder is een lichaam dat zijn eigen rust alleen terugkrijgt wanneer de ander rustig is.
Daarom voelen deze mensen ook vóór de ander, in de dubbele betekenis van het woord: eerder dan de ander, en in diens plaats. Wie tegenover hen zit, gaat vaak lichter naar huis. Zijzelf blijven achter met iets wat ze niet kunnen thuisbrengen.
Het contact dat de meeste zenuwstelsels kalmeert — een gezicht, een stem, iemand naast je op de bank — zet hier dus iets aan in plaats van uit. Gezelschap is werk. Ook prettig gezelschap, ook van de mensen van wie ze houden. Juist van hen.
Alleen zijn terwijl er iemand is
Een kind leert alleen zijn op een merkwaardige plek: in de buurt van zijn moeder. Ze is in de kamer, ze vraagt niets, ze hoeft niet in de gaten gehouden te worden, en het kind zakt weg in zijn spel. Daar ontstaat de ervaring dat er iemand kan zijn zonder dat er iets moet. Wie dat vaak genoeg heeft meegemaakt, kan later naast een ander zitten en bij zichzelf blijven.
De alleengeboren tweeling komt ter wereld met antennes die al maanden aanstaan, bij een moeder wier lichaam een verlies heeft doorgemaakt waar meestal niemand van weet, zijzelf ook niet. Een kind met zulke antennes vindt bij haar iets om op af te stemmen. Aanwezigheid zonder opdracht maakt het dan niet of nauwelijks mee.
Hier raken de twee vormen elkaar. Degene die niet alleen kan zijn en degene die alleen in afzondering ontspant, missen precies dezelfde ervaring. De een heeft de ander en raakt zichzelf kwijt, de ander heeft zichzelf en kan er niemand bij hebben. In beide gevallen passen ik en jij niet tegelijk in één kamer. Vaak kent één mens ze allebei, als een slinger: honger naar contact, vol raken, zich terugtrekken, en na een tijd opnieuw gaan zoeken.
Waar het lichaam geen grens heeft, nemen muren die taak over. De voordeur is de huid. De auto, de badkamer, de wandeling alleen, en vooral de late avond, wanneer het hele huis slaapt en er geen enkel wakker zenuwstelsel meer te lezen valt. Dat zoveel van hen tot diep in de nacht opblijven, lijkt mij hier meer mee te maken te hebben dan met hun bioritme.
De schuld die nergens heen kan
Onder het zorgen ligt nog een laag. Wie overleeft waar een ander stierf, heeft iets gekregen wat de ander niet kreeg. In elk systeem zoeken geven en nemen naar evenwicht, en hier is dat evenwicht vanaf het begin zoek: het leven is genomen, en degene aan wie iets terug te geven zou zijn, is er niet. Een schuld die niet bij de schuldeiser kan worden afgelost, wordt afgelost bij iedereen anders.
Dat maakt nemen zo moeilijk. Iets ontvangen — hulp, aandacht, een avond waarop de ander kookt en jij niets doet — vergroot een schuld die al te groot was. Dus wordt er gegeven, en afgehouden wat terugkomt. In een relatie heeft dat een prijs waar weinig over gesproken wordt: de partner die niets mag teruggeven, komt zelf in de schuld te staan, wordt kleiner, en wordt op den duur boos of vertrekt. Wie alleen geeft, blijft onbereikbaar.
En er is de plek. Naast deze mens is een plaats leeg, en wie dichtbij komt, wordt daar ongemerkt neergezet. De partner, het kind, de cliënt, de collega met een slechte dag: ieder van hen is voor even degene die niet mag wegzakken. Dat zoveel alleengeboren tweelingen in de zorg, het onderwijs of de begeleiding terechtkomen, past daarbij. Zolang de tweelinghelft zelf geen plaats heeft — gezien als iemand die er was, die erbij hoort en die gestorven is — vullen de levenden die plaats op. Krijgt de dode haar plaats, dan kunnen de levenden weer gewone mensen worden, die een slechte dag mogen hebben zonder dat er iemand doodgaat.
Wat de partner meemaakt
Wie met deze mens samenleeft, krijgt veel zorg en mist iemand. Neem de man die merkt dat zijn vrouw opleeft wanneer hij een weekend weg is. Hij trekt de voor de hand liggende conclusie: ik ben te veel, ze houdt niet genoeg van me. Het omgekeerde ligt dichter bij de waarheid. In zijn nabijheid is zij zo volledig bij hém, dat er van haarzelf niets overblijft om bij hem te zijn.
Aantrekkingskracht leeft van verschil. Van een ander die ergens anders staat, een eigen gewicht heeft, iets wil wat jij niet wilt. Iemand die onafgebroken meevoelt, geeft de partner vooral zichzelf terug: zijn eigen stemming, al opgevangen en verzacht. Een man die met elke golf in het gevoel van zijn vrouw meebeweegt, verliest de richting waar zij tegenaan had kunnen leunen. Een vrouw die voortdurend voelt wat haar man nodig heeft, verliest de eigen stroom van gevoel die hem in beweging had gebracht. Wat overblijft is een goed lopende zorgrelatie waarin twee mensen elkaar missen terwijl ze naast elkaar zitten.
Oefenen waar het moeilijk is
Voor wie niet alleen kan zijn, ligt het oefenterrein in het alleen-zijn. Voor deze mens ligt het in de kamer waar een ander is. Blijven voelen waar de eigen voeten staan terwijl de ander onrustig is. De spanning van de ander opmerken en haar bij de ander laten. Niets doen.
Wat er dan opkomt, gaat ver voorbij ongemak. Het lichaam meldt wat het ooit heeft geleerd: als ik ophoud met meevoelen, zakt de ander weg. Niet zorgen voelt als laten sterven. Daarom haalt inzicht hier zo weinig uit en ketsen adviezen over grenzen stellen af. Wat wel iets doet, is een ander die onrustig mag zijn, aan wie niets gedaan wordt, en die het zichtbaar overleeft — keer op keer, in kleine hoeveelheden. En daarnaast het ontvangen: iemand thee voor je laten zetten en blijven zitten tot de kop leeg is.
Eén vraag blijft liggen. Veel van deze mensen beschrijven dat ze in hun eentje niet zozeer zichzelf voelen, als wel even niets. Of de rust van het alleen-zijn een thuiskomen is of alleen het einde van een dienst, weet ik niet, en ik vermoed dat het per mens verschilt. Hetzelfde geldt voor de behoefte zelf. Een deel ervan zal vlucht zijn, een ander deel is misschien gewoon wie iemand is: een mens die van stilte houdt. Van binnenuit zijn die twee niet uit elkaar te houden zolang de afzondering de enige plek is waar het lichaam tot rust komt. Pas wanneer er naast een ander ook rust mogelijk is, wordt zichtbaar hoeveel alleen-zijn iemand werkelijk wil.
