Beginnen zonder te rekenen (de toren en de koning)
Over een fundament waar iedereen langs loopt, een koning die tienduizend telt, en de prijs die pas halverwege zichtbaar wordt
Ze is de overname begonnen. Twee jaar geleden, met vaart, met een plan, met een bank die meedeed. Ze zou het bedrijf van haar vader overnemen en hij zou terugtreden. En nu zit ze halverwege. De aandelen zijn voor de helft over, haar vader zit nog elke dag op kantoor, het personeel weet niet naar wie het moet luisteren, en zij kan niet verder en niet terug. Ze zegt: ik had niet gedacht dat het dit zou kosten.
Ik vraag wat het kost. En ze zegt niet: geld. Ze zegt: mijn vader.
Dat is Lucas 14:28, en het is de gelijkenis waar niemand aan wil, omdat ze zo verstandig klinkt.
Hij keerde zich om
Er reisden grote menigten met hem mee.
Ze trokken met hem op, ze liepen mee in de stoet. Het is het woord poreia, de reis, het traject; niet hodos. Een massa mensen die meebeweegt met iets wat beweegt. En dan: hij keerde zich om. Hij draait zich naar de stoet toe en zegt tegen wie meeloopt wat het kost.
Als iemand tot mij komt en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, kan hij mijn leerling niet zijn.
Ik laat het woord haten hier even staan zoals het staat, omdat het Semitisch is, en Semitisch haten betekent: achterstellen, de tweede plaats geven, kiezen als het erop aankomt. Maar de lijst is de lijst. Vader, moeder, vrouw, kinderen, broers, zusters, het eigen leven. Het is de volledige inventaris van een familie. Dat is de prijs. Niet geld, niet moeite. Je plek in het systeem waar je vandaan komt.
En daarna komen de twee gelijkenissen, en ze gaan over precies dat: over mensen die begonnen zonder de inventaris te hebben opgemaakt.
Eerst gaan zitten
Wie van jullie, die een toren wil bouwen, gaat niet eerst zitten en berekent de kosten, of hij genoeg heeft om hem af te maken?
Gaan zitten. Dat is het eerste werkwoord, en ik lees het nu, na Martha, anders dan vroeger. De weg begint met zitten. Niet met vertrekken. Wie een toren wil bouwen, gaat eerst zitten, en de koning die ten strijde wil trekken, gaat eerst zitten. Twee keer kathisas. Lucas zet de rust vóór de beweging, zoals hij Maria aan de voeten zette terwijl de anderen op weg waren.
Hij berekent de kosten. Psēphos is een kiezelsteen, het steentje waarmee men telde en stemde. Berekenen is hier letterlijk: steentjes leggen. Eén voor één. Niet schatten, niet aanvoelen, niet hopen. Steentjes. Zoveel stenen heb ik, zoveel kost een laag, zoveel lagen tot de top. En dan de vraag waar het om gaat: tot de voltooiing. Niet: kan ik beginnen. Kan ik afmaken.
Dat is het verschil dat de hele gelijkenis draagt. Beginnen kan iedereen. Het fundament leggen is het makkelijkste deel: er is geld, er is energie, er is een plan, er zijn mensen die meelopen. De vraag is niet of je kunt beginnen. De vraag is of je genoeg hebt voor het midden, het stuk waar de vaart weg is en de kosten zichtbaar worden en het gebouw nog niet staat.
Het fundament waar iedereen langs loopt
Opdat niet, als hij het fundament heeft gelegd en het niet kan voltooien, allen die het zien hem beginnen te bespotten en zeggen: deze mens begon te bouwen en kon het niet afmaken.
Een half gebouw is zichtbaar. Dat is de wreedheid van deze manier van verdwalen. Wie omkijkt, wordt een zoutpilaar op de weg; wie halverwege stopt, laat een fundament achter waar iedereen langs loopt. Het is een monument, niet voor het omkijken, maar voor het onderschatten. En het staat er jaren. Iedereen die erlangs komt, weet wie het begon.
Hij had de kracht niet om het af te maken. Ischys is kracht, vermogen, draagkracht. Niet: hij wilde niet. Hij kon niet. De wil was er, de wil was zelfs groot, groot genoeg voor een toren. Maar de wil is geen kracht; de wil is wat je hebt bij het begin. Kracht is wat overblijft halverwege.
Israël kende de toren die nooit af kwam. Genesis 11, de toren waarvan de top tot de hemel moest reiken, en het volk dat begon, en ophield met bouwen. Babel is de eerste toren in de Schrift en zij is de toren die halverwege stopte, en de naam die ze kreeg betekent verwarring. Wie begint zonder te rekenen, krijgt geen gebouw. Hij krijgt een naam.
De koning die telt
Of welke koning, die ten strijde trekt tegen een andere koning, gaat niet eerst zitten en overlegt of hij in staat is met tienduizend man tegemoet te gaan wie met twintigduizend tegen hem optrekt?
Nu is het geen geld meer dat geteld wordt. Het zijn mannen. En het is niet een bouwwerk maar een tegenstander. De koning telt tienduizend en hij telt twintigduizend, en het getal is eerlijk. Hij heeft de helft.
En zo niet, dan zendt hij, terwijl de ander nog ver weg is, een gezantschap en vraagt wat tot vrede dient.
Wat tot vrede dient. Ik heb die drie woorden eerder gezien in deze serie, en pas nu zie ik waar ze vandaan komen. Ze staan in het sluitstuk, als Jezus over Jeruzalem weent: als ook jij op deze dag had gekend wat tot uw vrede dient. Lucas gebruikt de uitdrukking twee keer in zijn hele evangelie. Hier, bij de koning die telt, en daar, bij de stad die niet telde. De koning die zijn tienduizend eerlijk naast de twintigduizend legt, weet wat tot vrede dient: hij stuurt een gezantschap terwijl de ander nog ver is. De stad die haar naam niet kent, heeft nooit geteld, en de ander was al bij de poort.
Dat is de tweede gelijkenis, en ze zegt iets wat de eerste niet zei. De toren zegt: reken, of begin niet. De koning zegt: reken, en als het niet genoeg is, vraag om vrede voordat het te laat is. Terugtreden na eerlijk tellen is geen nederlaag. Het is de enige uitkomst die vrede heet. Wat de weg kwijtraakt, is niet de koning die met tienduizend niet gaat. Het is de koning die met tienduizend wel gaat, omdat hij niet heeft gezeten.
De inventaris van een familie
Nu terug naar de prijs, want Lucas zet de gelijkenissen tussen twee zinnen over de prijs, en de tweede is de sleutel:
Zo kan dus niemand van jullie die geen afscheid neemt van alles wat hij heeft, mijn leerling zijn.
Afscheid nemen. Het is precies het werkwoord van de man met de ploeg in hoofdstuk 9: sta mij toe eerst afscheid te nemen van mijn huisgenoten. Daar was afscheid nemen het uitstel. Hier is het de prijs. Wat de man met de ploeg als voorwaarde vooraf stelde, blijkt de kostenpost zelf. De weg kost het afscheid. Niet omdat het afscheid moet worden genomen voordat je gaat; omdat het gaan het afscheid ís.
En daarom is de lijst aan het begin de inventaris die geteld moet worden. Vader, moeder, vrouw, kinderen, broers, zusters, het eigen leven. Wie een weg begint, moet die steentjes leggen. Wat kost het mijn plek bij mijn vader. Wat kost het de verhouding met mijn broers. Wat kost het mijn beeld van mezelf. Wie dat niet telt, heeft een prachtig fundament en stopt halverwege, op het moment dat het systeem zijn rekening presenteert.
Dat is de vrouw met de overname. Ze had de bank geteld, de aandelen, de omzet, het personeel. Ze had de toren goed berekend. Wat ze niet had geteld, was haar vader. Dat hij niet zou gaan. Dat terugtreden voor hem betekende: sterven voordat hij dood was. Dat haar broers zouden kijken of zij het wel verdiende. Dat zij, als het erop aankwam, niet de dochter kon zijn en de directeur tegelijk. Die steentjes lagen niet op tafel toen ze begon, en nu liggen ze er wel, halverwege, met een fundament waar het hele dorp langs rijdt.
Het midden
Waarom stoppen mensen halverwege?
Omdat het midden anders is dan het begin, en niemand het midden kan zien vanaf het begin. Aan het begin is er vaart: het plan, de energie, de mensen die meelopen. Het lichaam is opgewonden, het hoofd ziet de toren al staan. Dat is geen illusie; het is de manier waarop een mens begint. Maar de vaart is een lening, en halverwege wordt ze opgeëist.
Het midden is de plek waar de kosten zichtbaar worden en het gebouw nog niet staat. Er is niets meer om naar te kijken behalve wat het kost. De mensen die meeliepen, zijn dunner geworden. Het systeem dat je verliet, heeft zijn rekening gestuurd. En het gebouw is een fundament met een paar lagen erop, dat er nog niet uitziet als iets.
Dat is de plek waar ik de meeste mensen verlies. Niet aan het begin, daar is het makkelijk. Niet aan het eind, daar komen ze zelden. In het midden, als de eerste laag ligt en de prijs op tafel komt en er nog niets staat. Wie daar stopt, laat een fundament achter. Wie daar doorgaat, moet iets hebben dat hij aan het begin niet nodig had: niet de wil, die is op. Kracht. Ischys. En kracht komt uit tellen. Wie heeft geteld, weet dat het midden zou komen, en schrikt er niet van. Wie niet heeft geteld, denkt halverwege dat er iets mis is.
In de praktijk
Ik vraag de vrouw met de overname niet of ze door moet gaan of terug. Beide vragen zetten haar in de verdediging, en beide zijn niet de vraag. Ik vraag haar te gaan zitten. Letterlijk: we doen een uur niets anders dan tellen.
Wat heeft het gekost, tot nu. Niet in geld. Steentje voor steentje. Haar vader die haar niet meer aankijkt aan tafel. Haar broer die zegt dat ze het bedrijf kapotmaakt. Het personeel dat naar haar vader loopt. Haar eigen slaap. Haar huwelijk, waar de overname elke avond aan tafel zit. We leggen de steentjes.
En dan de andere kant: wat heeft ze nog. Tienduizend. Eerlijk geteld, niet gehoopt. En wat staat er tegenover. Twintigduizend, of tienduizend, of meer. Dat weet je pas als je zit.
En dan kijken we naar wat de koning doet als het niet genoeg is. Hij stuurt een gezantschap terwijl de ander nog ver is. Dat is niet opgeven. Het is vragen wat tot vrede dient. Voor haar betekende dat: een gesprek met haar vader over wat hij nodig heeft om te kunnen gaan. Niet als dochter die het overneemt, maar als iemand die tienduizend heeft en dat hardop zegt. Het bleek dat hij één ding wilde: dat er ergens zou staan dat hij het had opgericht. Een steen, een naam, een foto in de hal. Dat had ze nooit geteld. Het kostte niets. Het was de hele twintigduizend.
De toren staat nog niet af. Maar hij is niet meer halverwege. Het verschil is dat ze nu weet wat hij kost.
Zout
De passage eindigt met het zout dat zijn kracht verliest en nergens meer geschikt voor is, euthetos, het woord uit de ploeg. Ik zie nu waarom Lucas het hier zet. Wie begint zonder te rekenen, wordt halverwege als zout zonder smaak: niet slecht, niet weg, alleen nergens meer geschikt voor. Niet voor het land, niet voor de mesthoop. Het fundament staat er en het is niets. Het gebouw is niet af en het is niets. De mens staat ernaast en is niets meer voor de weg die hij begon.
Wie heeft geteld, houdt zijn smaak. Niet omdat het gebouw dan wel af komt. Omdat hij weet wat het kost, en dat weten is precies wat het zout zijn kracht geeft.
Centrale figuren in dit artikel:
de bouwer van de toren,
de koning met tienduizend man,
de vrouw halverwege de overname en haar vader
Bijbelgedeelten:
Lukas 14:25-35 (grote menigten reisden mee; hij keerde zich om; vader en moeder en vrouw en kinderen; zijn kruis dragen; de toren, eerst zitten en de kosten berekenen; hij begon en kon het niet afmaken; de koning, tienduizend tegen twintigduizend; een gezantschap, wat tot vrede dient; afscheid nemen van alles; zout dat nergens meer voor deugt);
Lukas 9:61-62 (afscheid nemen van mijn huisgenoten; de hand aan de ploeg); Lukas 19:42 (wat tot uw vrede dient);
Genesis 11:1-9 (Babel: zij hielden op met bouwen);
Spreuken 24:27 (bereid je werk buiten, en bouw daarna je huis);
Spreuken 20:18 (voer oorlog met overleg)

