Bij het vuur (Petrus)
Over twee keer “ik ben het niet”, de kou, en het tweede houtskoolvuur
Op een verjaardag, in een kring van mensen die hem niet kennen, hoort hij iemand een grap maken over zijn vrouw. Niet gemeen, wel raak. Ze is nogal, hoe zeg je dat, intens. En hij lacht mee. Een fractie, niet meer dan een halve seconde, maar hij lacht, en later in de auto weet hij precies wat hij heeft gedaan, en zij weet het ook, en geen van beiden zegt er iets over.
Hij heeft niet gelogen. Hij heeft alleen een halve seconde niet bij haar gehoord.
Dat is Johannes 18:17, en het is de toeschouwer die het dichtst bij kwam van allemaal.
Petrus volgt. Dat is het eerste. Als iedereen is gevlucht in de tuin, volgde Simon Petrus Jezus, en een andere leerling. Hij gaat mee tot in het huis van de hogepriester. Die andere leerling kent de hogepriester en komt naar binnen; Petrus staat buiten bij de deur, tot de ander terugkomt en met de portierster spreekt en hem binnenlaat. Hij is verder gekomen dan wie ook. Hij staat op de binnenplaats van het huis waar het verhoor plaatsvindt. Vanuit de zaal is hij doorgelopen tot achter het toneel.
En dan de eerste vraag, en ze komt van het laagste lid van het huishouden, het meisje bij de deur: ben jij niet ook een van de leerlingen van deze mens?
Niet ook jij. Er zit een ook in, en daar hangt de hele scène aan. De vraag is niet: wie ben jij. De vraag is: hoor jij erbij. Hoor jij ook bij hem, zoals die andere die net naar binnen ging.
En Petrus zegt: Ik ben het niet.
Ik moet die twee woorden naast andere twee woorden leggen, want Johannes heeft ze zo gebouwd.
Een paar uur eerder, in de tuin. De soldaten komen met lantaarns en fakkels, en Jezus gaat naar buiten en vraagt: wie zoeken jullie? Jezus de Nazoreeër. En hij zegt: egō eimi. Ik ben het. En de soldaten deinzen terug en vallen op de grond. Hij vraagt het nog eens, zegt het nog eens, ik heb jullie gezegd dat ik het ben, en dan: als jullie mij zoeken, laat dezen dan gaan. Drie keer egō eimi in de tuin, en de derde keer koopt hij de leerlingen ermee vrij.
En dan, in dezelfde nacht, op de binnenplaats: ouk eimi. Twee keer. En een derde keer zonder de woorden, alleen hij loochende het weer, en de haan.
Drie keer ik ben het, drie keer ik ben het niet. Johannes zet ze in één nacht, twee mannen, twee vuren. De één zegt wie hij is tegen soldaten met zwaarden en zij vallen om. De ander zegt wie hij niet is tegen een portierster en blijft staan.
Waar staat hij als hij het zegt?
De knechten en de dienaars hadden een houtskoolvuur gemaakt, omdat het koud was, en stonden zich te warmen. En ook Petrus stond bij hen en warmde zich.
Het was koud. Johannes noemt de kou. Het is een nacht in april in Jeruzalem, en er is een vuur, en het vuur is van de mensen die hem net hebben gearresteerd. En het lichaam van Petrus doet wat een lichaam doet als het koud is: het gaat naar de warmte. Er is geen ander vuur. Hij gaat staan bij de mensen bij wie het warm is, en dat zijn de dienaars van Kajafas.
Staande met hen. Dat is zijn positie, en de vraag van het meisje is de vraag naar zijn positie. Ben jij niet ook van hem? En Petrus, staande bij hen, warm aan hun vuur, zegt: ik ben niet van hem. Zijn lichaam had het al gezegd voordat zijn mond het zei. Wie bij een vuur staat, hoort bij wie het vuur heeft aangelegd. De kou heeft de vraag beslist voordat ze gesteld werd.
Dat is wat ik in de auto na de verjaardag zie. Hij lachte niet omdat hij de grap goed vond. Hij lachte omdat het koud was in die kring, en de grap was het vuur, en meelachen was warm. Zijn lichaam koos de warmte, en zijn vrouw was op dat moment de kou.
En nu het gruwelijkste van de scène, en Johannes heeft het zo gemonteerd dat je het niet kunt missen.
Terwijl Petrus buiten bij het vuur staat, wordt Jezus binnen verhoord. En de hogepriester vraagt naar zijn leerlingen en zijn leer. En Jezus zegt: ik heb in openheid tot de wereld gesproken; ik heb altijd geleerd in de synagoge en in de tempel, waar alle Joden samenkomen, en in het verborgene heb ik niets gezegd. Waarom vraag je mij? Vraag het aan hen die gehoord hebben wat ik tot hen gesproken heb; zie, zij weten wat ik gezegd heb.
Vraag het aan wie het gehoord hebben. Vraag het aan de getuigen.
En op datzelfde moment, twintig meter verderop, wordt de getuige gevraagd, en hij zegt: ik ben het niet.
Johannes doet het twee keer. Vers 18: Petrus bij het vuur. Verzen 19-24: het verhoor, vraag het aan de getuigen. Vers 25: en Simon Petrus stond zich te warmen. Hij laat de camera heen en weer gaan. Binnen zegt de beklaagde dat zijn zaak rust op de getuigen. Buiten zegt de getuige dat hij niet bestaat.
Openheid, zegt Jezus binnen. Het woord van de broers, die eisten dat hij zich in openheid zou tonen. Hij heeft het gedaan. Alles publiek, niets verborgen. En de man die hem daarin het langst heeft gevolgd, verbergt zich achter een vuur. Wat er verborgen wordt in deze nacht, wordt niet door de beklaagde verborgen.
Waarom doet Petrus dit? Hij, die een paar uur eerder een zwaard trok en een oor afsloeg. Johannes noemt de knecht bij naam, Malchus, en de derde vraag komt van een familielid van Malchus: heb ik jou niet in de tuin met hem gezien? De daad van de tuin haalt hem in. Hij kon vechten. Hij kan niet staan.
En dat is het, denk ik. Petrus is de man van de daad. Hij zei: ik zal mijn leven voor u geven. Hij meende het, en hij trok het zwaard om het te bewijzen. Maar wat hier gevraagd wordt is geen daad. Het is een positie: zeg dat je erbij hoort, hier, in de kou, bij hun vuur, met niets in je handen. Wie zijn moed in de daad heeft gelegd, staat met lege handen als er alleen maar te zeggen valt wie hij is.
En er is nog iets, en het is lichaam voordat het karakter is. Als een mens ziet dat degene bij wie hij hoort wordt weggevoerd, gebonden, geslagen, en hij kan niets doen, dan doet het zenuwstelsel wat het doet bij een dreiging die niet te bevechten en niet te ontvluchten is: het koppelt los. Ik ben het niet. Niet als leugen; als bescherming. Het lichaam maakt zich los van wat het ziet, omdat wat het ziet niet te dragen is. Ouk eimi is de zin van iemand die kijkt naar iets wat hem verscheurt en zichzelf daaruit terugtrekt om heel te blijven.
Dat is de toeschouwer van deze scène. Niet de man die niet kijkt, zoals Kajafas. Petrus kijkt. Hij is er, hij ziet alles, hij staat het dichtst bij. En hij maakt zich los van wat hij ziet, omdat erbij horen op dat moment betekent: meegaan in wat er met hem gebeurt.
En terstond kraaide de haan.
Dat is het einde bij Johannes. Geen tranen. Bij Lucas kijkt Jezus om en Petrus gaat naar buiten en weent bitter. Bij Mattheüs hetzelfde wenen. Johannes laat het weg. Geen blik, geen tranen, geen naar buiten gaan. Alleen de haan, en dan meteen: zij brachten Jezus van Kajafas naar het gerechtsgebouw. De scène gaat door. Petrus blijft staan waar hij staat, of niet, we horen het niet. Niemand ziet hem. Dat is misschien het ergste: bij Johannes is er niemand die omkijkt. Hij heeft het zelf gehoord, en dat is alles.
Ik ken dat. De man in de auto. Niemand heeft hem zien lachen behalve zijzelf, en zij zegt niets. Er is geen scène. Er is een haan, in de vorm van een stilte in de auto, en verder gaat de avond gewoon door.
Maar Johannes laat één ding terugkomen, en het is een woord.
Houtskoolvuur. Het staat twee keer in het hele Nieuwe Testament. Hier, op de binnenplaats, waar het koud was. En in hoofdstuk 21, op het strand, na de opstanding: toen zij aan land kwamen, zagen zij een houtskoolvuur liggen, en vis erop, en brood. Jezus heeft het aangelegd. En bij dat tweede vuur vraagt hij Petrus, drie keer: heb je mij lief?
Drie keer ik ben het niet bij het eerste vuur. Drie keer heb je mij lief bij het tweede. Hetzelfde woord voor het vuur. Johannes noemt geen tranen op de binnenplaats omdat hij het herstel bewaart voor een strand, met dezelfde geur van houtskool, zodat het lichaam van Petrus het herkent voordat zijn hoofd het begrijpt.
En het antwoord van Petrus bij het tweede vuur is niet: ik ben het. Het is: Heer, u weet alles; u weet dat ik u liefheb. Hij zegt niet meer wie hij is. Hij zegt: u weet het. De man die bij het eerste vuur zichzelf losmaakte van wat hij zag, legt bij het tweede vuur het weten neer bij degene die hem ziet.
Wat kun je hiermee.
Je kunt letten op de kou. Ik ben het niet wordt zelden gezegd uit lafheid. Het wordt gezegd bij een vuur, omdat het koud is, en het vuur is van de anderen. Als je merkt dat je meelacht, meezwijgt, meeknikt in een kring waar iemand van jou niet bij hoort: kijk eerst waar het vuur is en van wie het is. Je lichaam heeft al gekozen voordat je mond opengaat.
Je kunt het ook horen. De vraag is nooit: wie ben jij. De vraag is: hoor jij erbij. Bij je vrouw, bij je afkomst, bij de broer die eruit ligt, bij de zaak die niemand meer verdedigt. Ben jij niet ook. Dat is de vraag die op verjaardagen, in vergaderingen en aan familietafels wordt gesteld, meestal door de portierster, de minste in het gezelschap, en meestal in een halve seconde.
Je kunt weten dat de daad je niet redt. Wie zijn moed in het doen heeft gelegd, staat leeg als er alleen maar te zeggen valt: ik ben van hem. Het zwaard in de tuin maakt de binnenplaats niet goed. Erbij horen is geen daad. Het is een plaats innemen, in de kou, zonder iets in je handen.
Je kunt de haan alleen horen. Bij Johannes kijkt niemand om. Wie zich heeft losgemaakt, weet het zelf, en er komt geen scène. De stilte in de auto is de haan. Wacht niet tot iemand het ziet.
En je kunt weten dat er een tweede vuur is. Niet als belofte dat het goed komt. Als mededeling dat het eerste vuur niet het laatste is, en dat je bij het tweede niet hoeft te zeggen wie je bent. Je mag zeggen: u weet het.
Centrale figuren in dit artikel:
Petrus op de binnenplaats, de portierster,
Malchus’ familielid,
de man op de verjaardag en zijn vrouw
Bijbelgedeelten:
Johannes 18:15-18 (Petrus volgde; de andere leerling; ben jij niet ook; ik ben het niet; het houtskoolvuur, want het was koud; staande met hen);
Johannes 18:19-24 (het verhoor: ik heb in openheid gesproken; vraag het aan wie gehoord hebben);
Johannes 18:25-27 (nogmaals: ik ben het niet; heb ik jou niet in de tuin gezien; de haan);
Johannes 18:4-11 (in de tuin: ik ben het, drie keer; laat dezen gaan; Malchus);
Johannes 13:37-38 (ik zal mijn leven voor u geven);
Johannes 21:9-17 (het houtskoolvuur op het strand; heb je mij lief, drie keer; u weet alles);
Lukas 22:61-62 (de blik en de tranen, die Johannes weglaat)

