Bouwen in plaats van gaan (de rijke dwaas)
Over een man die alleen met zichzelf praat, een oogst die het land heeft gemaakt, en de vraag die hij pas ’s nachts krijgt: van wie
Hij is achtenzestig en hij bouwt. Een nieuwe loods, groter dan de vorige, want de oude is te klein voor wat er binnenkomt. Het gaat goed met de zaak; het is nooit beter gegaan. Zijn vrouw zegt dat hij moet stoppen. Zijn zoon werkt in het bedrijf en weet niet wat hij van hem mag verwachten, want er is nooit over gesproken. En hij zegt tegen mij, met de tekeningen van de loods op tafel: als deze staat, dan ga ik het rustiger aan doen.
Ik vraag hem wie de loods krijgt. Hij kijkt me aan alsof ik iets onbeleefds heb gezegd.
Dat is Lucas 12:20, en de vraag komt daar ook als een onbeleefdheid, midden in de nacht.
Een broer, een erfenis
De gelijkenis begint niet bij de rijke man. Ze begint bij iemand in de menigte die roept: Meester, zeg mijn broer dat hij de erfenis met mij deelt.
Een broer. Een erfenis. Twee mannen die over hetzelfde land ruziën omdat de vader er niet meer is en niets heeft geregeld. Jezus weigert scheidsrechter te zijn: mens, wie heeft mij tot rechter of verdeler over jullie aangesteld? En dan vertelt hij, aan de twee broers en aan iedereen, hoe het zover komt. De gelijkenis van de rijke dwaas is het antwoord op een erfeniskwestie. Wie dat vergeet, leest een verhaal over hebzucht. Wie het onthoudt, leest een verhaal over wat er gebeurt met een erf als de man die het bouwde nooit heeft gevraagd van wie het wordt.
Pas op voor alle pleonexia. Het woord betekent letterlijk: meer-hebben. Niet gierigheid, niet rijkdom; de beweging van het meer. Want het leven van een mens bestaat niet in de overvloed van zijn bezit. Perisseuein: overlopen, meer hebben dan er past. Daar draait de gelijkenis om: wat doe je als er meer is dan erin past.
Het land bracht voort
Het land van een rijk mens had goed gedragen.
Het land bracht goed voort. Het onderwerp van de eerste zin is niet de man; het is het land, hē chōra. De oogst heeft hij niet gemaakt. Hij is hem overkomen, van de aarde, van de regen, van een jaar dat meezat. Lucas laat de eerste zin over de grond gaan, en de rest van de gelijkenis over de man die de grond niet meer noemt.
Want kijk wat de man zegt. Wat zal ik doen, want ik heb geen plaats om mijn vruchten te verzamelen. Mijn vruchten. De vruchten van het land zijn in één zin zijn vruchten geworden. En de overvloed is een probleem. Dat is het eerste wat hij ziet: niet een gift die te groot is, maar een opslagkwestie. Pou, waar. Waar laat ik het. Het is de vraag van de weg, waar, maar dan naar binnen gericht: niet waar ga ik heen, maar waar berg ik op.
Elf keer ik
En dan het gesprek, en het is een gesprek met één deelnemer.
Hij overlegde bij zichzelf. In zichzelf. Er is niemand anders in de gelijkenis. Geen vrouw, geen kinderen, geen knecht, geen buurman, geen broer. Alleen de man en zijn land en zijn schuren, en hij praat met de enige die er is: zichzelf. In drie verzen komt de eerste persoon elf keer voor. Ik, mijn, mij. Mijn vruchten, mijn schuren, mijn koren, mijn goederen, mijn ziel.
Dit zal ik doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en daar zal ik al mijn koren en mijn goederen verzamelen.
Afbreken en bouwen. Dat is de enige beweging in de hele gelijkenis. Niemand gaat ergens heen. Er wordt niets weggebracht, niet naar de markt, niet naar de armen, niet naar de broer. Alles wat beweegt, beweegt op het erf: omlaag en omhoog, de oude schuur neer, de grotere op. De weg is teruggebracht tot een bouwplaats. Wie bouwt, blijft. Dat is de manier van verdwalen die deze scène laat zien: niet de verkeerde kant op gaan, niet omkijken, maar de weg vervangen door een gebouw, en het gebouw steeds groter maken zodat je nooit meer hoeft te gaan.
Ik zal verzamelen, bijeenbrengen, naar binnen halen. Het werkwoord van de synagoge. De man maakt van zijn erf een gesloten ruimte waar alles naar binnen gaat en niets naar buiten. In het taal-stuk van deze serie stond de orcha, het karavaanspoor dat ontstaat door samen te lopen. Deze man heeft geen spoor. Hij heeft een schuur.
Ziel, je hebt vele goederen
En ik zal tot mijn ziel zeggen: ziel, je hebt vele goederen liggen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.
Hij spreekt zijn ziel toe alsof ze een ander is.
Psychē. Het is de enige gesprekspartner die hij heeft, en hij spreekt haar toe zoals je een vrouw toespreekt die eindelijk mag gaan zitten: rust nu maar.
Anapauou. Het is het werkwoord van de sabbat, van de rust die God na de schepping nam, van de rust die Jezus belooft aan wie vermoeid is. En de man verleent haar aan zichzelf, als beloning, na de schuren, voor vele jaren.
Vele jaren. Hij heeft de tijd opgeslagen zoals hij het koren heeft opgeslagen. De rust komt later, als de schuren staan. Dat is de zin van de man met de loods: als deze staat, dan. En de rust komt niet, want de schuur is nooit groot genoeg voor wat er nog komt, en de tijd die je opslaat is geen tijd die je hebt.
En hier hoor ik de oudste laag onder de gelijkenis. Jezus Sirach, twee eeuwen eerder: er is iemand die rijk wordt door zijn zorg en zijn vlijt, en dit is het deel van zijn loon: hij zegt, ik heb rust gevonden, nu zal ik eten van mijn goederen; en hij weet niet hoeveel tijd hem nog rest, hij laat ze aan anderen na en sterft. Lucas heeft de gelijkenis bijna woord voor woord uit de wijsheidsliteratuur. En daarachter Prediker, die vraagt wie na hem zal komen, en of die wijs zal zijn of dwaas, en die alles waarvoor hij heeft gezwoegd aan een ander moet laten. Wie er niet over praat, laat het aan een ander na die hij niet heeft gekozen.
Deze nacht
Maar God zei tot hem: dwaas, deze nacht eisen zij je ziel van je op; en wat je hebt klaargemaakt, van wie zal het zijn?
Dwaas. Het is het woord van psalm 14, de dwaas zegt in zijn hart: er is geen God, en in het Hebreeuws is dat nabal. En er is één man in de Schrift die zo heette. Nabal, de rijke schapenhouder in Karmel, die op de dag van de schapenscheerdag een feest hield als een koning en tegen de boden van David zei: wie is David, dat ik mijn brood en mijn water en mijn vlees zou geven aan mensen van wie ik niet weet waar ze vandaan komen? Hij at en dronk en was vrolijk, en de volgende ochtend, toen zijn vrouw hem vertelde wat er bijna was gebeurd, stierf zijn hart in hem en werd hij als een steen, en tien dagen later was hij dood. De rijke dwaas van Lucas is Nabal. Rijk, in feest, met zijn goederen, en de vraag wie er aan de poort staat heeft hij nooit gesteld.
Deze nacht. Tegenover vele jaren. Hij had de tijd opgeslagen; de tijd blijkt van een nacht te zijn. En dan het werkwoord dat de hele gelijkenis omdraait: apaitousin. Zij eisen terug. Niet: je sterft. Zij vragen iets terug wat ze hadden uitgeleend. De ziel was geen bezit. Ze was een lening, en de nacht is het uur van de terugvordering.
Dat is wat elke Jood wist die de psalm zei voor het slapen: in uw hand leg ik mijn geest. Elke nacht wordt de ziel teruggegeven, in bewaring, en elke ochtend opnieuw ontvangen. Wie dat elke avond zegt, weet dat hij niets bezit, ook zijn ziel niet. De rijke dwaas heeft die zin nooit gezegd. Hij heeft tegen zijn ziel gesproken alsof ze de zijne was. En dan komt de nacht en blijkt ze geleend.
Lucas laat die psalm nog één keer klinken, en het is de laatste zin die Jezus in zijn evangelie spreekt, aan het kruis, alleen bij Lucas: Vader, in uw handen beveel ik mijn geest. Het is dezelfde beweging als bij de dwaas, in de omgekeerde richting. De dwaas krijgt zijn ziel opgeëist. Jezus geeft zijn geest terug. Dat zijn de twee manieren waarop een nacht kan eindigen: er wordt teruggevorderd, of je legt het zelf in handen.x
En wat je hebt klaargemaakt, van wie zal het zijn?
Van wie. Tini. De vraag die hij nooit heeft gesteld, gesteld op het enige uur waarop hij haar niet meer kan beantwoorden. Hij had alleen waar gevraagd. Waar laat ik het. Nooit: voor wie. En de gelijkenis eindigt met de vraag open, want de twee broers in de menigte zijn het antwoord: zo komt het, dat er twee mannen om een erfenis vechten. Omdat een derde man ooit grotere schuren bouwde en nooit heeft gezegd van wie ze waren.
Het erf als wereld
Waarom is dit een manier om de weg kwijt te raken, en niet gewoon hebzucht?
Omdat de man niet hebzuchtig is. Hij steelt niet, hij buit niemand uit, hij heeft een goed jaar gehad. Wat hij doet, is het antwoord op de overvloed naar binnen richten. Er komt meer dan erin past, en zijn enige idee is: groter maken wat het bevat. De chōra, het land, wordt zijn hele wereld. Hij gaat er niet af, er komt niemand op, en het enige wat verandert is de maat van de schuur.
Dat is het erf als wereld. Ik ken het uit elk familiebedrijf: het bedrijf wordt de plaats waar alles naar binnen gaat, het huis staat op het terrein, de kinderen werken mee, de vrienden zijn klanten, de vakantie is een beurs. En de man in het midden bouwt. Elk goed jaar wordt een grotere loods. Hij noemt het investeren, en het is het ook. Het is alleen ook de manier waarop een mens nooit meer hoeft te gaan.
De weg vraagt dat er iets van het erf af gaat. Een deel van de oogst naar buiten, naar wie er niet is, naar de broer, naar de armen; Lucas zegt het in de zin erna: maak je beurzen die niet verslijten. Niet als moraal, maar als uitgang. Een erf waar niets vanaf gaat, heeft geen weg meer. Alleen een poort die dicht is.
In de praktijk
Ik vraag de man met de loods niet of hij te veel bouwt. Hij weet dat het goed gaat en hij heeft gelijk. Ik vraag hem met wie hij erover praat.
Stilte. Hij praat erover met zichzelf. Elf keer ik. Zijn vrouw zegt dat hij moet stoppen, dat is geen gesprek. Zijn zoon vraagt niets, want er valt niets te vragen aan een man die tegen zijn ziel praat. De loods is besloten in een gesprek waarin niemand anders zat.
En dan stel ik de vraag die ’s nachts komt, maar dan overdag, met de tekeningen op tafel: van wie wordt het? Niet als vraag naar het testament. Als vraag naar de richting van het erf. Voor wie bouw je dit. En hij kan het niet zeggen, want hij heeft het nooit gevraagd, en de loods is het antwoord op een vraag die hij nooit heeft gesteld: waar laat ik het.
Wat ik dan met hem doe, is niet de loods afblazen. Het is de rust naar voren halen. Anapauou nu, niet na de bouw. Eén dag in de week waarop hij van het erf af is. Eén gesprek met zijn zoon over wat die mag verwachten, voordat de nacht het vraagt. En één ding van de oogst dat van het erf af gaat, naar iemand die er niets voor terugdoet, zodat de poort weer open is.
Hij heeft de loods gebouwd. Hij heeft ook zijn zoon gezegd dat het zijn loods wordt. Het gesprek duurde een uur en was het eerste in dertig jaar. Zijn zoon heeft daarna gevraagd of hij de tekeningen mocht zien. Dat had hij nooit eerder gevraagd, want ze waren nooit van hem.
De vraag die openblijft
Van wie zal het zijn?
Lucas laat het antwoord weg, en ik denk dat hij dat doet omdat de twee broers in de menigte het antwoord zijn. Zij zijn wat er van een erf wordt als de vraag nooit is gesteld. En de gelijkenis eindigt niet met een les maar met een zin die naar de hoorder wijst: zo is het met wie voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is naar God toe. Eis theon. Naar God toe. Weer een voorzetsel van richting, zoals bij Maria: pros, naar. Rijk zijn met een richting, tegenover rijk zijn naar binnen.
De man heeft nooit tegen iemand anders gesproken dan tegen zijn ziel. Toen er eindelijk iemand anders sprak, was het God, en het was nacht.
Centrale figuren in dit artikel:
de rijke dwaas,
de twee broers om de erfenis,
Nabal in Karmel,
de man van achtenzestig met de tekeningen
Bijbelgedeelten:
Lukas 12:13-21 (de broer en de erfenis; wie heeft mij tot verdeler aangesteld; pleonexia; het land had goed gedragen; waar zal ik verzamelen; grotere schuren; ziel, rust, eet, drink; dwaas, deze nacht; van wie zal het zijn; rijk naar God toe);
Lukas 12:33 (beurzen die niet verslijten);
Lukas 23:46 (Vader, in uw handen beveel ik mijn geest);
Psalm 31:6 (in uw hand leg ik mijn geest);
Psalm 14:1 (de dwaas, nabal);
1 Samuël 25:2-38 (Nabal: een feest als een koning; wie is David; zijn hart stierf in hem);
Prediker 2:18-21 (wie zal na mij komen);
Sirach 11:18-19 (ik heb rust gevonden, nu zal ik eten van mijn goederen)

