De berekening (Kajafas)
Over een som die klopt, de plek die beschermd moet worden, en de waarheid die iemand zegt zonder haar te zien
De vergadering duurt al twee uur als de oudste zoon het zegt. Rustig, redelijk, met de stem van iemand die de verantwoordelijkheid neemt die niemand anders wil nemen. Het is beter voor het bedrijf dat hij eruit gaat dan dat we het allemaal verliezen.
Hij bedoelt zijn broer. En iedereen aan tafel weet dat het waar is. De broer is lastig, de broer maakt het onrustig, de bank kijkt mee, de klanten praten. Als je het uitrekent, klopt het: één eruit, de rest gered. Niemand heeft de broer bekeken tijdens die twee uur. Hij is een post geworden op een balans.
Dat is Johannes 11:50, en het is de eerste keer in deze reeks dat de toeschouwer helemaal niet kijkt. Hij rekent.
Lazarus is net uit het graf gekomen. Velen van de Joden die gekomen waren en aanschouwd hadden wat hij deed, geloofden. En sommigen gingen naar de Farizeeën. De raad komt bijeen, het Sanhedrin, en de vraag die op tafel ligt is geen vraag over waarheid. Het is een vraag over risico.
Wat doen wij? Want deze mens doet vele tekenen. Als wij hem zo laten begaan, zullen allen in hem geloven, en de Romeinen zullen komen en ons zowel de plaats als het volk ontnemen.
Lees wat ze zeggen. Ze ontkennen de tekenen niet. Ze zeggen: hij doet vele tekenen. Ze hebben het gezien, of gehoord van wie het zagen, en ze geloven het. Het probleem is niet dat het niet waar is. Het probleem is wat het kost.
En wat het kost is de plaats. Ho topos. De tempel, ja, maar ook: onze positie, onze plek, wat wij hier zijn. De Romeinen zullen ons onze plaats ontnemen. Dat is de angst onder de hele vergadering, en het is de angst onder elke vergadering waarin iemand wordt weggerekend: niet dat er iets onwaars gebeurt, maar dat wij onze plek kwijtraken als het doorgaat.
Dan spreekt Kajafas. Hogepriester, dat jaar, zegt Johannes, alsof het ambt van jaar tot jaar wisselde, en dat deed het niet, Kajafas was achttien jaar hogepriester; maar Johannes wil dat je het jaar hoort. Dat jaar. Het jaar waarin dit gebeurde en hij het ambt had.
Jullie weten niets.
Ik moet even stilstaan bij die zin, want hij is de omkering van alles wat de reeks tot nu toe zei. Nicodemus: wij weten. De menigte: wij weten. De Farizeeën: wij weten, vier keer. En nu de hoogste van allen, tegen zijn eigen raad: jullie weten niets. Het is minachting, en het is de minachting van de rekenaar voor wie nog aan het aarzelen is. Kajafas is voorbij het weten. Hij heeft de som al.
En jullie berekenen niet dat het nuttig is voor jullie dat één mens sterft voor het volk, en niet het hele volk verloren gaat.
Berekenen. Het werkwoord van de boekhouding, van logos in de betekenis van rekening. Jullie hebben de som niet gemaakt. En sympherei: het is nuttig, het brengt op, het is in ons voordeel. Dat is het woord van de winst. Kajafas zegt niet dat Jezus schuldig is, niet dat hij gevaarlijk is, niet eens dat hij een leugenaar is. Hij zegt: het rendeert. Eén tegenover allen. De uitkomst is gunstig.
En de som klopt. Dat is wat deze scène zo moeilijk maakt. Eén sterft, het volk blijft. Als je de posten optelt, is er niets op aan te merken. Het is de meest redelijke zin van het hele evangelie, en zij is de zin waarmee de moord wordt besloten: van die dag af beraadslaagden zij om hem te doden.
Hier zit iets wat ik alleen kan zien als ik mij herinner wat een hogepriester deed.
Eén keer per jaar, op Grote Verzoendag, ging de hogepriester het allerheiligste in. Het was de enige dag en hij was de enige mens. En hij had die dag twee bokken. Op de ene legde hij de handen en beleed de zonden van het hele volk, en die bok werd de woestijn in gestuurd, weg, met alles erop, zodat het volk schoon achterbleef. Eén draagt het voor allen. Dat is Leviticus 16. Dat is het ambt.
Kajafas spreekt dus niet als politicus. Hij spreekt als hogepriester. Zijn som is de som van Verzoendag: één weg, allen gered. Hij kent die som beter dan wie ook in Israël, hij voert haar elk jaar uit met zijn eigen handen op een dierenkop. En hij past haar toe op een mens, in een vergadering, om een plek te redden.
En nu Johannes’ commentaar, en het is het vreemdste vers van het hoofdstuk:
Dit zei hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus zou sterven voor het volk; en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen van God tot één te vergaderen.
Hij profeteerde. De man die rekent, zegt de waarheid. Niet omdat hij haar ziet, hij ziet niets, hij ziet een balans. Maar het ambt spreekt door hem heen, en wat het zegt is waar op een manier die hij niet bedoelt. Hij zegt: één sterft opdat het volk blijft. En het is waar. Alleen niet zoals hij het rekent.
Dat is de laag die ik het langst heb gemist. Waarheid kan gezegd worden door iemand die haar niet ziet. Een berekening kan kloppen en blind zijn. Kajafas heeft gelijk, en hij heeft niet gekeken.
Wat berekent hij precies verkeerd, als de som klopt?
Hij berekent dat het volk blijft als de één sterft. En Johannes zet er direct de andere beweging naast: om de verstrooide tot één te vergaderen. Synagagē eis hen. Bijeenbrengen tot één. Kajafas denkt in bewaren: houd wat je hebt, de plaats, het volk, snijd het lastige weg. Wat er gebeurt is het omgekeerde: het weggesnedene wordt het midden waaromheen bijeenkomt wat verstrooid was.
En dan de wrangste noot, die elke lezer van Johannes kende: de Romeinen kwamen toch. In het jaar 70. Ze namen de plaats en het volk. De som was gemaakt om precies dat te voorkomen, en het gebeurde. De één was gedood, en de plek ging alsnog verloren. Berekeningen die een mens wegrekenen om een plek te redden, redden de plek nooit. Ik heb dat nog nooit anders gezien, niet in Jeruzalem en niet in een familiebedrijf.
Want dit is de wet die eronder zit, en ze is systemisch voordat ze moreel is.
Een systeem dat onder druk staat, zoekt de één. Het gezin met een kind dat te veel ziet, de familie met de broer die de onrust maakt, de firma met de partner die niet meewerkt, de kerk met de twijfelaar. En het systeem rekent, en de som klopt altijd: als deze eruit gaat, kunnen wij verder. Het is nuttig. Het rendeert. De som wordt gemaakt door de meest verantwoordelijke aan tafel, met de stem van iemand die de last op zich neemt, en zij voelt als leiderschap.
Maar wie uitgesloten wordt om het systeem te redden, verdwijnt niet. Dat is de wet. Het systeem draagt hem verder als leegte, en de leegte zoekt een plek, en meestal vindt zij die bij iemand die er niets mee te maken had: een kleinkind dat het lastige gedrag herhaalt, een volgende partner die opnieuw de één wordt, een bedrijf dat tien jaar later dezelfde ruzie voert met andere namen. De weggerekende komt terug, niet als persoon maar als patroon. Kajafas’ volk werd verstrooid. En de één die hij wegsneed, werd het midden.
Ik zie het aan tafel, en ik zie het aan mezelf. Want ik heb die som ook gemaakt. Ik heb in een familie gezeten waar iedereen wees naar de broer, en ik heb gedacht: ze hebben gelijk, hij is het probleem. Jullie weten niets — ik voelde het zelf, de minachting van wie de som al heeft voor wie nog kijkt. Dat is het moment waarop de coach Kajafas wordt: als de berekening van het systeem redelijker klinkt dan de mens die erin verdwijnt.
Kajafas komt nog één keer terug, en het is een korte zin, bij de arrestatie. Kajafas was het die de Joden geraden had dat het nuttig is dat één mens sterft voor het volk. Johannes herhaalt de som op het moment dat ze wordt uitgevoerd. Niet: hij die de waarheid profeteerde. Maar: hij die de berekening maakte. Het ambt sprak de waarheid; de man wordt herinnerd aan zijn som.
En nergens staat dat Kajafas Jezus heeft bekeken. Hij verhoort hem in hoofdstuk 18, kort, Johannes laat het verhoor bij Annas plaatsvinden en zegt alleen dat hij naar Kajafas werd gestuurd, geboeid. Geen gesprek, geen blik, geen vraag. De hoogste toeschouwer van dit evangelie heeft de hoofdpersoon nooit aangekeken. Hij had hem al uitgerekend.
Wat kun je hiermee.
Je kunt het woord leren horen. Het is beter voor ons. Het is beter voor het bedrijf. Het is beter voor de kinderen. Sympherei. Zodra een mens in de zin een post wordt tegenover een geheel, wordt er gerekend en niet gekeken. En de som klopt, altijd, dat is geen argument tegen de som. Het is de reden om te vragen wie er niet is aangekeken.
Je kunt vragen welke plek beschermd wordt. Onder elke berekening die een mens wegrekent, ligt een topos: de plek van wie rekent. De Romeinen zullen ons onze plaats ontnemen. Wie bang is voor zijn plek, rekent sneller. Als je merkt dat je een som maakt over een ander, kijk eerst waar je eigen plek bedreigd is; daar begint de som, niet bij de ander.
Je kunt weten dat het niet werkt. De één wegdoen om het geheel te bewaren, heeft het geheel nog nooit bewaard. De plek ging verloren, in 70 en in elke familie die ik ken. Wat je weg rekent, komt terug als leegte, en de leegte vindt een kind.
Als je zelf de één bent: je wordt niet gezien, je wordt geteld. Dat is een ander soort pijn dan niet gezien worden door je broers, en het helpt om het verschil te kennen. Tegen een som kun je niet argumenteren. Je kunt alleen weigeren een post te zijn, en dat is meestal: weggaan, of blijven staan tot de som mislukt.
En je kunt onthouden dat een som waar kan zijn en blind. Wie zegt dat één beter sterft dan allen, kan gelijk hebben op een manier die hij niet bedoelt. Dat is geen troost. Het is de mededeling dat waarheid soms uit een mond komt die niet heeft gekeken, en dat je die mond dan niet moet volgen, alleen de waarheid.
Centrale figuren in dit artikel:
Kajafas,
de oudste zoon aan de vergadertafel,
de broer als post op een balans
Bijbelgedeelten:
Johannes 11:45-53 (velen geloofden; de raad; de Romeinen zullen onze plaats ontnemen; jullie weten niets; jullie berekenen niet; nuttig dat één sterft; hij profeteerde; de verstrooide tot één vergaderen; van die dag af);
Johannes 18:13-14, 24, 28 (naar Annas, naar Kajafas, geboeid; hij die geraden had);
Leviticus 16:7-22 (de twee bokken, de hogepriester op Verzoendag);
Johannes 10:16 (één kudde, één herder)

