De ereplaats (de verkeerde plek)
Over gasten die hun eigen plaats uitkiezen, een gastheer die zegt “maak plaats voor deze”, en waarom wie te hoog gaat zitten aan het eind de laatste stoel overhoudt
Hij zit aan het hoofd van de tafel. Zijn vader leeft nog, zit drie stoelen verderop, en heeft die plek niet afgestaan; de zoon heeft hem genomen, geleidelijk, eerst als de vader ziek was, toen omdat het praktisch was, toen omdat iedereen het gewend was. Hij leidt de vergadering, hij leidt het bedrijf, hij leidt het kerstdiner.
En hij is degene die mij belt, want hij slaapt niet. Niemand valt hem aan. Zijn broers zeggen niets. Zijn vader zegt niets. Hij heeft de hoogste plek en hij voelt zich nergens.
Lucas 14:7 gaat over die stoel.
Ze kozen de eerste plaatsen
Hij zei tot de genodigden een gelijkenis, toen hij opmerkte hoe zij de eerste plaatsen uitkozen.
Het is sabbat, een maaltijd in het huis van een van de leiders van de Farizeeën, en ze houden hem in de gaten, staat er, paratēroumenoi. Zij kijken naar hem. Maar hij kijkt naar hen, en wat hij ziet is hoe ze binnenkomen: exelegonto tas prōtoklisias. Ze kozen de eerste ligplaatsen uit. Het werkwoord is kiezen, uitzoeken, selecteren. Ze komen binnen en kiezen zelf waar ze horen.
Dat is het hele probleem in één werkwoord. Aan een tafel in het Israël van die tijd werden de plaatsen gegeven. De gastheer wees ze aan, naar rang, naar leeftijd, naar eer. Wie zelf koos, deed alsof hij de gastheer was. Wie de eerste plaats koos, deed alsof hij wist wat alleen de gastheer weet: wie er allemaal komen, en wie van hen belangrijker is dan hij.
Als je door iemand op een bruiloft wordt genodigd, ga dan niet op de eerste plaats aanliggen; misschien is er iemand genodigd die aanzienlijker is dan jij.
Een bruiloft. Niet zomaar een maaltijd: het feest waar de plaatsen om een bruidspaar heen liggen, waar de rang gegeven is door wie er trouwt en wie familie is en wie vriend. Op een bruiloft is de tafel een systeem. Iedere plaats zegt iets over de verhouding tot het midden. En wie de eerste plaats neemt, neemt niet zomaar een stoel. Hij neemt een verhouding die niet de zijne is.
Maak plaats voor deze
En dan komt hij die jou en hem genodigd heeft, en zegt tot jou: geef deze plaats. En dan begin je met schaamte de laatste plaats in te nemen.
Geef deze de plaats. Drie woorden, gezegd door de gastheer, voor iedereen hoorbaar. Het is de zin die niemand ooit wil horen en die aan elke tafel waar iemand te hoog zit, een keer wordt gezegd. Niet altijd door de gastheer. Soms door een ziekte, een testament, een schoondochter die het niet meer pikt, een kleinkind dat vraagt waarom opa niet aan het hoofd zit. Het systeem spreekt de zin uit, vroeg of laat: geef deze de plaats.
En dan komt het detail dat de gelijkenis tot een systemische wet maakt: de laatste plaats. Niet: een lagere plaats. Niet: je eigen plaats. De laatste. Waarom? Omdat alle andere plaatsen inmiddels bezet zijn. Terwijl hij op de eerste plaats lag, zijn de gasten binnengekomen en hebben ze de plaatsen gekregen die hun toekwamen, inclusief de plaats die de zijne was geweest als hij daar was gaan liggen. Nu is die plek vol. Wie de verkeerde plek inneemt, verliest zijn eigen plek. Niet als straf. Omdat het systeem zich vult terwijl hij op de verkeerde plek zit, en zijn plek intussen door een ander is ingenomen.
Dat is precies wat ik in opstellingen zie, en wat ik nooit zo scherp in een tekst had gezien. De zoon die de plek van de vader neemt, heeft daarmee niet twee plekken. Hij heeft er nul. De plek van de vader is niet de zijne; hij kan haar innemen maar niet bewonen. En zijn eigen plek, die van de zoon, wordt intussen ingenomen door een broer, door een schoonzoon, door het bedrijf zelf. Als hij ooit terug wil, is ze vol. Er blijft hem de laatste over. Met schaamte, met’ aischynēs. Schaamte is het gevoel dat hoort bij de verkeerde plek; het is het lichaam dat weet dat het ergens ligt waar het niet hoort.
Vriend, ga hoger
Maar als je genodigd bent, ga dan de laatste plaats innemen, opdat wanneer hij komt die jou genodigd heeft, hij tot je zegt: vriend, ga hoger. Dan zal het een eer voor je zijn tegenover allen die met je aanliggen.
Vriend, ga hoger op. Het werkwoord is anabainō, opgaan, het werkwoord van de weg naar Jeruzalem, van het opgaan naar het feest. Ga hoger op, zegt de gastheer, en de gast beweegt. Hij beweegt naar zijn plek, aangewezen, voor ieders ogen. Dat is de weg aan een tafel: niet zelf kiezen waar je hoort, maar op een plek gaan zitten waarvandaan je geroepen kunt worden.
En let op het woord: vriend. De gastheer noemt hem bij een naam die een verhouding aanduidt. Wie de eerste plaats had genomen, wordt aangesproken als deze, iemand die plaats moet maken. Wie de laatste plaats heeft genomen, wordt vriend genoemd. De plek die je krijgt, komt met een naam; de plek die je neemt, komt met een aanwijzing om te verhuizen.
Lucas heeft dit niet bedacht. Het staat in de Spreuken, bijna letterlijk: verhef je niet voor het aangezicht van de koning, en ga niet staan op de plaats van de groten; want beter dat men tot je zegt: kom hierheen omhoog, dan dat men je vernedert voor het aangezicht van een edele. En Jezus Sirach: hoe groter je bent, hoe meer je je moet vernederen. Het is oude wijsheid. Wat Lucas eraan toevoegt is de tafel, de bruiloft, het systeem waarin het gebeurt, en de laatste plaats die overblijft.
Makom
Ik moet hier naar het Hebreeuws, omdat het Griekse topos iets mist wat de hoorders van Jezus hoorden.
Plaats is in het Hebreeuws makom. En HaMakom, de Plaats, is een van de namen van God. De rabbijnen zeiden: Hij is de plaats van de wereld, en de wereld is niet zijn plaats. Alles wat is, heeft zijn plaats in Hem; Hij heeft zijn plaats in niets. Wie een plaats krijgt, krijgt haar van de Plaats. Jakob, op de vlucht, kwam op de plaats en sliep er, en zag de ladder, en zei: dit is niets anders dan het huis van God. De plaats was er al voordat hij kwam. Hij vond haar, hij koos haar niet.
Dat is de laag onder de gelijkenis. Een plek is geen positie die je verovert; het is een plaats die je wordt gegeven door wat groter is dan jij, de familie, de orde, de Plaats zelf. Wie zijn plaats zelf kiest, doet alsof hij HaMakom is. En aan een bruiloft is dat zichtbaar, omdat daar iedereen ziet wie de gastheer is.
En de systemische wet die ik in mijn werk elke dag gebruik, is niets anders dan deze tekst in een andere taal: ieder heeft een plek, de plek is gegeven door de orde waarin je bent gekomen, de ouders vóór de kinderen, de eerste vóór de tweede, de oudste vóór de jongste. Wie op zijn plek staat, heeft kracht zonder dat hij ervoor hoeft te vechten. Wie op een verkeerde plek staat, moet hem elke dag verdedigen, en slaapt niet.
De zoon aan het hoofd
Nu de man die mij belde. Hij zit aan het hoofd van de tafel en zijn vader zit drie stoelen verderop. Niemand heeft geef deze de plaats gezegd. Zijn vader zwijgt. En precies dat zwijgen is wat hem wakker houdt, want hij weet dat de zin nog komt. Niet uit de mond van zijn vader; die zal hem nooit zeggen. Uit de mond van het systeem. Het komt als een broer die na de begrafenis de erfenis aanvecht. Het komt als een kind dat het bedrijf niet wil omdat het heeft gezien wat de plek met zijn vader deed. Het komt als een lichaam dat niet slaapt op een plek die niet de zijne is.
Wat hij niet ziet, is dat hij zijn eigen plek al kwijt is. Hij is niet meer de zoon. Zijn broers behandelen hem als een vader die ze niet hebben gevraagd, en zijn vader als een concurrent. De plaats van de zoon, de plek waarvandaan hij zijn vader had kunnen eren en van hem had kunnen ontvangen, is leeg gebleven en dichtgegroeid. Als hij nu terug wil, is er alleen de laatste plaats: de zoon die zich terugtrekt, met schaamte, en niets meer heeft.
Tenzij hij het anders doet. Tenzij hij, voordat de zin komt, zelf opstaat en de stoel teruggeeft. Niet als vernedering. Als de enige beweging waarmee hij zijn eigen plek terugkrijgt. Want alleen wie de plek van de vader teruggeeft, kan de plek van de zoon weer innemen. En vanaf die plek kan de vader zeggen wat hij nu niet kan zeggen: vriend, ga hoger op. Neem het over. Ik geef het je.
Dat is het verschil tussen nemen en krijgen. Het bedrijf dat genomen is, geeft geen slaap. Het bedrijf dat gegeven is, wel.
De gastheer
Lucas laat het niet bij de gast. Hij keert zich naar de gastheer, en zegt iets wat de gelijkenis afmaakt: als je een maaltijd geeft, nodig dan niet je vrienden of je broers of je verwanten of rijke buren, opdat zij jou niet ook terugvragen en het je vergolden wordt. Maar nodig armen, kreupelen, lammen, blinden; en je zult zalig zijn, omdat zij het je niet kunnen vergelden.
Wie nodigt hij? Mensen zonder plek. De armen, kreupelen, lammen en blinden zijn de mensen die aan geen enkele tafel een plaats hebben. En Lucas zegt: geef hún een plaats. Een gastheer is iemand die plaatsen geeft, en de maat van een gastheer is aan wie hij ze geeft: aan wie ze al hebben en kunnen terugbetalen, of aan wie er geen hebben.
Dat is de andere kant van de ereplaats. Wie zelf zijn plek kiest, is een gast die gastheer speelt. Wie plekken geeft aan wie er geen hebben, is een gastheer die de Plaats nadoet. En de man aan het hoofd van de tafel kan iets anders doen dan zich terugtrekken: hij kan een gastheer worden, en beginnen met de plaats van zijn vader.
In de praktijk
Ik zet hem in een opstelling. Niet met zijn vader erbij; met een representant. En ik vraag hem waar hij staat, en hij gaat staan waar hij zit: vooraan, met zijn vader ergens achter hem. Ik vraag hoe dat voelt. Hij zegt: zwaar. Alsof ik iets draag.
Dan vraag ik hem om één stap opzij te doen en zijn vader naar voren te laten. Hij aarzelt lang. Als hij het doet, gebeurt wat er bijna altijd gebeurt: zijn schouders zakken, zijn adem wordt langer, en hij zegt, verbaasd: ik ben lichter. Hij staat nu op de tweede plaats. De zijne. Voor het eerst in tien jaar.
En de representant van zijn vader zegt, zonder dat ik iets heb gevraagd: nu kan ik hem iets geven.
Dat is de hele gelijkenis. Wie te hoog zit, kan niets ontvangen, omdat er niemand boven hem is die geeft. Wie zijn plek inneemt, heeft iemand boven zich, en die kan zeggen: vriend, ga hoger.
Hij is aan het kerstdiner teruggegaan naar zijn oude stoel. Zijn vader zei niets, ging aan het hoofd zitten, en sneed het vlees. Zijn broers, vertelde hij, waren de hele avond anders. Losser. Alsof er iets op zijn plek was gevallen wat jaren had gehangen.
Waarom dit een manier van verdwalen is
Er wordt niet gelopen in deze gelijkenis. Er wordt aangelegen. En toch is het een manier om de weg kwijt te raken, misschien wel de stilste. Wie op de verkeerde plek zit, gaat nergens heen, want een plek die niet de jouwe is, moet je vasthouden, en wie vasthoudt, beweegt niet. De man aan het hoofd van de tafel is tien jaar niet van zijn plaats geweest. Hij kon niet: als hij opstond, zou de plek leeg zijn en zou iedereen zien dat ze niet van hem was.
De weg begint waar iemand zijn plek terugkrijgt. Vanaf een plek die van jou is, kun je opstaan. Vanaf een plek die je hebt genomen, alleen maar bewaken.
Wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden; en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden. Het is geen moraal; het is de beschrijving van wat een tafel doet met wie zijn plek kiest en wie haar krijgt.
Centrale figuren in dit artikel:
de gasten die kozen,
de gastheer die plaats maakt,
de zoon aan het hoofd van de tafel en
zijn vader drie stoelen verderop
Bijbelgedeelten:
Lukas 14:1, 7-14 (zij hielden hem in de gaten; zij kozen de eerste plaatsen; op een bruiloft; geef deze de plaats; met schaamte de laatste plaats; vriend, ga hoger op; wie zichzelf verhoogt; nodig armen, kreupelen, lammen, blinden);
Spreuken 25:6-7 (ga niet staan op de plaats van de groten; beter: kom hierheen omhoog);
Sirach 3:18 (hoe groter je bent, hoe meer je je vernedert);
Genesis 28:11-17 (Jakob kwam op de plaats);
Bereshit Rabba 68:9 (Hij is de plaats van de wereld)

