De felheid en de vorm
Ik wil niet beginnen bij de felheid. Felheid is een uitdrukking, geen bron. Als ik daar begin, beschrijf ik alleen het gezicht van iets, en niet wat erachter ademt.
Dus eerst dit: waarom draagt het huwelijk in de christelijke verbeelding een gewicht dat geen enkele andere menselijke afspraak draagt? Een zakelijk contract kan ontbonden worden zonder dat er een preek over gehouden wordt. Een vriendschap kan doodbloeden zonder dat iemand het een zonde noemt. Alleen het huwelijk krijgt deze status — dat het verbreken ervan wordt beleefd als iets dat God zelf raakt.
Dat is niet toevallig, en het is ook geen overdrijving van gelovigen die de plank misslaan. Het is precies wat de tekst zelf doet. Efeziërs 5 noemt het huwelijk een mysterion — niet zomaar een beeld, maar een verborgenheid die iets laat zien van de verhouding tussen Christus en zijn gemeente. Hosea trouwt, op Gods eigen instructie, met een vrouw die ontrouw wordt, om zichtbaar te maken hoe God zich verhoudt tot een ontrouw volk. Het huwelijk is in deze teksten niet een menselijke instelling die toevallig als metafoor wordt gebruikt. Het is aangewezen als het zichtbare orgaan van iets onzichtbaars: Gods trouw, die je niet kunt zien, wordt voelbaar in het feit dat twee mensen elkaar trouw blijven terwijl dat niet meer voor de hand ligt.
En daar zit de wortel die ik zoek. Als het huwelijk het zichtbare bewijsstuk is van een onzichtbare trouw, dan is het uiteenvallen van een huwelijk nooit alleen het uiteenvallen van een relatie. Het is, in de onbewuste logica van de gemeenschap die eromheen staat, een barst in het enige bewijs dat ze hebben dat trouw houdbaar is. Niemand kan Gods trouw aan Israël rechtstreeks controleren. Iedereen kan wél zien of de dominee, de ouderling, de buurvrouw bij elkaar blijft. Het huwelijk van een ander is, zonder dat iemand het zo zou benoemen, het testbed geworden voor de vraag of het hele verhaal standhoudt.
Friedrich Weinreb zou hier, denk ik, wijzen op de verhouding tussen de zichtbare wereld en de wereld die haar draagt. Het huwelijk is niet een zelfstandig ding dat toevallig ook iets religieus symboliseert. Als het beeld in de spiegel breekt, is de eerste angst van de omstander niet: wat een verdriet voor die twee mensen. De eerste angst is: is het licht daarboven er dan eigenlijk niet? Die angst wordt zelden uitgesproken, want wie zou hardop durven zeggen dat zijn geloof afhangt van andermans huwelijk. Maar de felheid waarmee die angst wordt afgeweerd, verraadt hoe dicht ze bij de oppervlakte ligt.
Dat verklaart nog niet waarom het zo fel moet. Angst kan ook stil zijn, verdrietig, terughoudend. Waarom wordt ze scherp?
Hier moet ik bij Drewermann zijn, en bij wat hij telkens weer blootlegt in de omgang van instituties met de wet: een vorm die ooit is aangewezen om iets onzichtbaars zichtbaar te maken, kan zelf gaan functioneren als het ding waarnaar wordt gekeken, in plaats van als het venster waar doorheen wordt gekeken. Op het moment dat dat gebeurt, is de vorm zelf een afgod geworden — niet in de zin van een beeldje, maar in de striktste, oudtestamentische zin: iets gemaakts dat wordt aanbeden in de plaats van wat het hoorde te weerspiegelen. En een gemeenschap die, zonder dit ooit hardop te erkennen, de vórm van het huwelijk is gaan aanbidden in plaats van de trouw die de vorm hoorde te dragen, moet die vorm wel met alle kracht verdedigen zodra hij wordt aangeraakt. Niet omdat ze gelooft in trouw. Omdat ze, onbewust, gelooft in de vorm zelf als heilig object. En je verdedigt een afgod altijd feller dan je een levende relatie verdedigt — precies omdat een afgod geen eigen leven heeft dat zich kan herstellen. Hij kan alleen kapot.
Dat is het eerste deel van het antwoord. Het tweede deel zit dichter bij wat er in de kerkbank zelf gebeurt, niet in de theologie erboven.
Bert Hellingers eerste systemische wet is het recht om erbij te horen — voor ieder lid van een systeem, zonder uitzondering. Wat een groep instinctief doet zodra iemand vertrekt uit een huwelijk dat “erbij hoorde”, is die persoon het lidmaatschap ontzeggen — niet formeel, zelden formeel, maar wel voelbaar, in blikken, in het uitblijven van uitnodigingen, in het gesprek dat plotseling stokt zodra zij binnenkomt. Dat uitsluiten lost iets op voor de groep, en dat is waar het systemisch gezien om gaat: zolang er één zichtbaar voorbeeld is van iemand die “het niet heeft volgehouden”, hoeft niemand anders zich af te vragen of zijn eigen huwelijk nog leeft of alleen nog de vorm heeft. De vertrekker draagt, zonder dat ze erom heeft gevraagd, het uitgesloten deel van het systeem — het deel dat zegt: dit houdt geen stand. Door haar buiten te sluiten, kan de rest doen alsof dat deel niet bij hén hoort.
Carl Jung zou hetzelfde zien vanuit een andere hoek. Wat een gemeenschap het felst afwijst bij een ander, is zelden vreemd aan haarzelf. Het is meestal het eigen ongeleefde, het eigen niet-erkende — hier: de eigen twijfel of het native geloof in onvoorwaardelijke trouw houdbaar is binnen een gewoon, moe, teleurgesteld huwelijk. Die twijfel wordt niet bij zichzelf onderzocht. Ze wordt geprojecteerd op wie vertrekt, en daar veroordeeld, zodat ze niet meer hoeft te worden gevoeld als eigen twijfel. Dat is precies waarom de felheid zo onevenredig is aan de daad. Je veroordeelt nooit iets zo hard als het deel van jezelf dat je niet mag kennen.
Dan de andere kant van dezelfde beweging — de verheerlijking van wie blijft, ook als het huwelijk is uitgehold tot een lege huls. Dat is niet simpelweg de beloning voor deugd. Het is de bevestiging die de groep nodig heeft. Elk paar dat zichtbaar “volhoudt” — ongeacht wat er binnen die vier muren werkelijk gebeurt — is een nieuw bewijsstuk dat het systeem nodig heeft om zichzelf gerust te stellen: zie je wel, het houdt stand. Niemand in de kerkbank vraagt door naar wat volhouden werkelijk kost, want die vraag zou het bewijsstuk beschadigen. Zo ontstaat een gemeenschap die onbewust een prijs uitreikt aan wie het beste kan verbergen dat er niets meer leeft, en een straf aan wie eerlijk maakt wat al waar was.
Kazimiers Dąbrowski zou hier de scherpste vraag stellen, denk ik, en niet de meest troostende: wat zegt het over het niveau van integratie van een gemeenschap, als ze een crisis die tot groei kan leiden — het onder ogen zien dat een vorm niet langer overeenkomt met wat ze bevat — alleen kan waarnemen als bedreiging? Een systeem dat zelf nog functioneert op het niveau van aanpassing, van normen volgen zonder ze persoonlijk te hebben doorleefd, heeft simpelweg geen instrument om positieve desintegratie bij een ander te herkennen als iets anders dan verval. Het ziet uiteenvallen, en noemt dat mislukking, omdat het zelf de taal niet spreekt van een niveau waarop uiteenvallen een noodzakelijke stap kan zijn naar iets waarachtigers.
Wat overblijft, is niet een verklaring die de felheid goedpraat of veroordeelt. Het is een vraag die ik mezelf, en misschien de lezer, niet kan besparen: wanneer een gemeenschap zo hard vasthoudt aan de vorm van een huwelijk, houdt ze dan vast aan trouw — of houdt ze vast aan het enige bewijsstuk dat ze nog heeft dat trouw bestaat? En als het dat laatste is, wat zegt dat dan over hoe zeker ze eigenlijk is van wat ze zegt te geloven?
