De prijs weten (Judas bij de zalving)
Over driehonderd denariën, een huis vol geur, en de man die de kas beheert en daarom alles kan taxeren
Ze had in de laatste week van haar vader elke nacht bij hem gezeten. Ze had haar werk laten liggen, haar gezin, haar slaap. Ze had een verpleegster ingehuurd voor de uren dat ze zelf niet kon, uit eigen zak, en de dag na de begrafenis vroeg haar broer, niet onvriendelijk, wat dat allemaal had gekost. Of dat niet ook anders had gekund. Of het niet beter was geweest dat geld te bewaren voor de kinderen.
Hij had gelijk. Het had anders gekund. En zij zat tegenover me en kon niet uitleggen waarom zijn vraag haar meer pijn deed dan de dood van haar vader.
Johannes 12 heeft daar een scène voor, en de man die de vraag stelt heet Judas.
Zes dagen voor het Pascha kwam Jezus te Bethanië, waar Lazarus was, die hij uit de doden had opgewekt. Een maaltijd. Martha bedient, Lazarus zit aan tafel, de man die vier dagen dood was eet mee. En dan Maria.
Maria nam een pond echte, kostbare nardusmirre, zalfde de voeten van Jezus en droogde zijn voeten af met haar haar; en het huis werd vervuld met de geur van de mirre.
Een pond. Een litra, ruim driehonderd gram. Nardus kwam uit de Himalaya, over de zijderoute, in verzegelde albasten flesjes. Pistikēs, staat er: echt, onvervalst, de betrouwbare soort. En zij giet het niet op zijn hoofd, zoals je een koning zalft, maar op zijn voeten, zoals een slaaf een gast wast. En ze droogt met haar haar. Een vrouw die in het bijzijn van mannen haar haar losmaakt, in dat Israël: dat is al een schandaal voordat de mirre is genoemd.
En dan de zin die ik het langst heb overgeslagen: het huis werd vervuld met de geur. Johannes had dat niet hoeven zeggen. Hij zegt het omdat het is wat een gift doet als ze niet berekend is. Ze vult het huis. Iedereen ruikt het, ook wie het niet wilde ruiken. En een hoofdstuk eerder, in hetzelfde Bethanië, zei Martha bij het graf: Heer, hij ruikt al, het is de vierde dag. De stank van de dood in hoofdstuk 11, de geur van de nardus in hoofdstuk 12, in hetzelfde dorp, om dezelfde tafel. Wat Maria doet, is het antwoord op wat er in het graf hing.
En dan Judas.
Waarom is deze mirre niet verkocht voor driehonderd denariën en aan de armen gegeven?
Driehonderd denariën. Een denarie was een dagloon. Driehonderd is een jaar werken. Judas weet het op de denarie precies, op het moment dat de geur het huis vult. Hij heeft het flesje getaxeerd terwijl het leegliep.
En zijn vraag klinkt goed. Zij klinkt beter dan wat Maria deed. De armen. Wie kan er iets tegen de armen hebben? Judas is de enige aan tafel die iets zegt over wie er niet aan tafel zit, en dat is precies de vorm waarin de berekening zich vermomt: zij spreekt namens de afwezigen om de aanwezige niet te hoeven zien. Kajafas rekende één tegen allen. Judas rekent het flesje tegen de armen. Het is dezelfde som, alleen vromer.
Johannes laat het niet staan. Hij doet iets wat hij zelden doet, hij legt uit: dit zei hij niet omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en, de kas hebbend, wegnam wat erin gedaan werd.
De kas. Glōssokomon. Het kistje. Judas beheert het geld van de groep, en wie het geld beheert, leert de prijs van alles. Dat is geen karakterfout, het is een beroepsdeformatie. Wie de hele dag telt, ziet getallen als hij naar dingen kijkt. Het flesje is driehonderd, de maaltijd is zoveel, het huis is zoveel. En de voeten en het haar en de geur staan nergens, want die hebben geen prijs en passen niet in het kistje.
En hij steelt eruit. Ebastazen, staat er, hij droeg weg. Het is het werkwoord dat Johannes ook gebruikt voor het kruis dragen. De man die de kas draagt, draagt eruit. Dat is wat een kas met een mens doet als hij haar te lang alleen beheert: ze wordt de plek waar hij zichzelf bedient, en het gebeurt bijna ongemerkt, als iets wat hem toekomt, omdat hij toch degene is die telt.
Waarom kan de man die de prijs weet, de waarde niet zien?
Omdat prijs en waarde in verschillende organen wonen. Een prijs is een getal, en een getal kun je vergelijken met andere getallen; daarvoor is het gemaakt. Driehonderd is meer dan tweehonderd en minder dan vierhonderd, en het is een jaar werken, en dat kun je verdelen onder de armen. Een prijs is uitwisselbaar; daarin zit zijn nut.
Waarde is niet uitwisselbaar. Dat is de definitie. Wat Maria doet, kan niet worden omgezet in iets anders zonder dat het verdwijnt. Je kunt de nardus verkopen, maar dan is er geen zalving; je kunt de driehonderd geven, maar dan vult niets het huis. Waarde zit in het onherhaalbare, in het ene moment, in dit lichaam en deze voeten en dit haar, en ze komt binnen door de neus, niet door het hoofd. De geur is de laag van de zaak die Judas niet ruikt, omdat hij aan het tellen is.
Dat is fysiologie voordat het karakter is. Reuk is het oudste zintuig, en het gaat rechtstreeks naar het deel van het brein dat ruikt, herinnert en hecht, zonder langs het rekenende deel te komen. Een geur laat zich niet taxeren; ze overvalt. En wie zijn hele bestaan heeft ingericht op taxeren, heeft dat zintuig afgeleerd. Hij kan in een huis vol nardus zitten en driehonderd denken.
Jezus zegt: laat haar. Aphes autēn. Laat haar begaan. En dan: zij heeft het bewaard voor de dag van mijn begrafenis.
Maria wist iets wat niemand aan tafel wist. Ze zalft geen koning, ze zalft een dode, zes dagen te vroeg. Ze heeft geroken wat er in Bethanië hing en ze heeft begrepen wat er komt, en haar antwoord is een gift die niet meer terug te draaien is. Dat is wat liefde doet als zij iets ziet aankomen: ze wordt buitensporig. Ze koopt niet wat nodig is, ze koopt wat het huis vult. En de enige die daar een prijskaartje aan hangt, is degene die het niet ziet aankomen omdat hij bezig is met de kas.
En dan de laatste zin, en daar staat het woord van de reeks weer: de armen hebben jullie altijd bij je, maar mij hebben jullie niet altijd. Pantote. Altijd. Het woord van de menigte bij het brood, het woord van de broers met hun tijd die altijd gereed is. De armen zijn altijd. Het is waar, en het is geen reden om nu niets te doen. Judas spreekt in het altijd: er is altijd een betere bestemming, een nuttiger besteding, een armere arme. Maria handelt in het nu: dit lichaam, deze avond, zes dagen voor. Wie in het altijd rekent, komt nooit toe aan het uur.
Ik moet naar de tafel, en ik zie het aan twee kanten.
De ene kant is de broer na de begrafenis. Hij is niet slecht. Hij beheert de kas, letterlijk of in zijn hoofd, en hij ziet wat alles kost. En hij zegt het namens de kinderen, namens de toekomst, namens de armen, en het is allemaal waar. Wat hij niet kan, is ruiken wat zijn zus heeft gedaan: dat zij een week lang het huis heeft gevuld, dat hun vader is gestorven in een geur en niet in een stank, en dat dat nooit meer te koop is. Zij kan het hem niet uitleggen, omdat waarde niet uit te leggen is aan iemand die prijs vraagt. Ze kan alleen doen wat Jezus doet: laat haar.
De andere kant is de kas. Want ik ken huwelijken waarin één de kas beheert, en niet alleen het geld. De tijd, de aandacht, wat er wel en niet kan. En die ene wordt, langzaam, zonder het te willen, Judas: hij weet van elke gift van de ander wat ze kost, en van geen enkele wat ze waard is. Dat had niet gehoeven. Wat heeft dat gekost. Dat had ook anders gekund. Elke zin klopt. En de ander houdt op met zalven, want wie steeds getaxeerd wordt, giet geen nardus meer. Het huis blijft leeg, en de kas is op orde.
Wie de kas beheert, moet weten dat het hem iets afleert. Niet uit boze wil. Uit tellen.
Judas zelf krijgt in dit evangelie nooit een prijs. Dat is opmerkelijk. Mattheüs vertelt van dertig zilverlingen; Johannes niet. Bij Johannes is de enige som die Judas ooit maakt de som over het flesje. Driehonderd. Dat is zijn prijs geworden. De man die alles kon taxeren, wordt herinnerd aan de ene taxatie die de geur niet meetelde.
En bij het laatste avondmaal, als hij opstaat en naar buiten gaat, denken de anderen dat hij iets gaat kopen voor het feest, of iets aan de armen gaat geven. Want Judas had de kas. Hij gaat de nacht in met het kistje. Of hij ooit iets geroken heeft, staat er niet.
Wat kun je hiermee.
Je kunt merken wanneer je omrekent. Een gift komt binnen, een gebaar, een buitensporigheid van iemand die van je houdt, en er gaat in je hoofd een teller lopen: wat kost dit, had dit gehoeven, wat had er anders mee gekund. Die teller is niet verkeerd, maar hij is het orgaan van de prijs, en zolang hij loopt, ruik je niets.
Je kunt de armen leren wantrouwen als argument. Niet de armen; het argument. Wie een gift die voor hem staat afwijst met een beroep op wie er niet is, gebruikt de afwezigen om de aanwezige niet te zien. Het klinkt beter dan Kajafas. Het is dezelfde som.
Je kunt één keer buitensporig zijn. Niet nuttig, niet verstandig, niet in verhouding. Een pond in plaats van een druppel. De mensen die ik ken die iets hebben gedaan wat niet in verhouding stond, herinneren zich dat als het moment dat het huis vol was. De mensen die altijd in verhouding zijn gebleven, herinneren zich dat de kas klopte.
Als je de kas beheert, in geld of in tijd of in wat er mag: weet wat het je afleert. Geef de kas af en toe uit handen, al is het maar om te ruiken wat er in huis is.
En als iemand je zalft en een ander zegt wat het kost: laat haar. Dat is de enige zin die erop past. Waarde verdedigt zich niet. Ze vult het huis, en wie het niet ruikt, krijgt geen uitleg.
Centrale figuren in dit artikel:
Maria van Bethanië,
Judas met de kas,
de zus na de begrafenis en haar broer
Bijbelgedeelten:
Johannes 12:1-8 (de zalving; een pond echte nardus; het huis vervuld met de geur; driehonderd denariën; een dief met de kas; laat haar; de armen altijd, mij niet altijd);
Johannes 11:39 (hij ruikt al);
Johannes 13:27-30 (Judas had de kas; hij ging naar buiten en het was nacht);
Johannes 19:39 (Nicodemus met honderd pond);
Mattheüs 26:14-16 (dertig zilverlingen, die Johannes niet noemt)

