De stad die haar naam niet kent (sluitstuk)
Over een zin die niet afkomt, een naam die vrede betekent, en dertien manieren om het uur te missen waarop je wordt aangekeken
Het bedrijf heet naar de grootvader. Zijn naam staat op de gevel, op de vrachtwagens, op het briefpapier. En als ik de drie kleinkinderen die het nu leiden vraag waarvoor hij het heeft opgericht, kijken ze elkaar aan. Ze weten het niet. Ze weten wat het bedrijf doet, wat het omzet, wie er werkt. Ze weten niet waar de naam voor stond. Ze dragen hem elke dag, op alles, en kennen hem niet.
Ze vechten over de koers. Alle drie willen ze vrede, zeggen ze. Geen van drieën weet wat daartoe dient.
Lucas 19:41 gaat over een stad die haar naam draagt zoals zij de gevel dragen.
De laatste bocht
En toen hij dichtbij kwam en de stad zag, weende hij over haar.
De reis die in 9:51 begon, hij stelde zijn gezicht om naar Jeruzalem te gaan, komt hier de laatste bocht om. Tien hoofdstukken onderweg. En het eerste wat er gebeurt als de stad in zicht komt, is geen aankomst. Het is geluid. Eklausen. Hij weende, luid, met het werkwoord dat Lucas bewaart voor de weduwe van Naïn, voor de zondares aan zijn voeten, en voor Petrus buiten in de nacht. Niet de stille tranen van Johannes bij het graf van Lazarus. Het wenen dat je hoort.
De weg eindigt met datzelfde geluid twee keer. Petrus, die van verre volgde, gaat naar buiten en weent bitter. En Jezus, die zijn gezicht had gesteld, ziet de stad en weent. De leerling die de afstand nam en de meester die haar hele weg heeft gelopen, komen op dezelfde plek uit. Dat is geen toeval van vertaling; Lucas heeft er één werkwoord voor.
De naam
Als ook jij op deze dag had gekend wat tot vrede dient.
Ik moet eerst de naam laten horen die de stad niet kent. Jeruzalem, Jeroesjalajim. Wie in Israël de naam hoorde, hoorde sjalem, sjalom: vrede, heelheid. De stad heette Salem toen Melchizedek er koning was, koning van Salem, dat is koning van de vrede, en de psalm zegt: in Salem is zijn tent. En de psalm die elke pelgrim zong op weg erheen: bidt om de vrede van Jeruzalem, sja’aloe sjelom Jeroesjalajim, en het Hebreeuws laat de klanken over elkaar heen vallen, vrede en de stad in één adem.
De stad heet Vrede. En Jezus zegt: als jij had gekend wat tot vrede dient. Hij zegt tegen Vrede dat ze niet weet wat vrede is. De stad draagt haar naam op de gevel en kent hem niet.
Dat is de zin die de hele serie sluit, omdat het de zin is die onder alle dertien lag. Niemand van de dertien wilde de weg kwijtraken. De vrouw van Lot wilde niet blijven staan, de priester wilde niet voorbijgaan, Martha wilde niet rondom trekken, de rijke man wilde niet dat Lazarus stierf. Ze wilden allemaal vrede. Geen van hen kende wat ertoe diende.
De zin die niet afkomt
Als ook jij op deze dag had gekend wat tot vrede dient. En dan breekt de zin af.
Het Grieks heeft geen tweede helft. Als je had gekend… De vertalingen vullen aan: dan zou het anders zijn, dan was je gered. Lucas vult niet aan. Hij laat de zin open hangen, halverwege, en gaat verder met wat er wél komt: maar nu is het verborgen voor je ogen.
Wat er gebeurd zou zijn als de stad het had gekend, wordt niet gezegd. Het is de enige onafgemaakte zin die Jezus in dit evangelie spreekt. En ik denk dat Lucas hem zo laat omdat de andere helft de weg is die niet gelopen is. Een weg die niet gelopen is, heeft geen beschrijving. De toren die halverwege bleef staan, de kloof die vastgezet werd, de negen die niet terugkwamen: overal in deze serie is er een stuk weg dat ontbreekt, en hier ontbreekt het in de grammatica zelf.
Wat tot vrede dient
Ik heb die woorden al eerder gezien, en nu weet ik waar ze vandaan komen.
Lucas gebruikt de uitdrukking twee keer. Hier, over de stad. En vijf hoofdstukken eerder, bij de koning die ten strijde wil trekken. Die koning gaat zitten, telt zijn tienduizend, legt ze naast de twintigduizend van de ander, en als het niet genoeg is, zendt hij een gezantschap terwijl de ander nog ver weg is en vraagt wat tot vrede dient. Ta pros eirēnēn. Dezelfde drie woorden.
Wat tot vrede dient, is dus niet een gevoel en niet een gebed. Het is wat een koning doet die eerlijk heeft geteld: hij ziet dat hij de helft heeft, en hij stuurt een gezantschap terwijl er nog tijd is. Vrede is bij Lucas de uitkomst van tellen. De stad heeft niet geteld. De ander was al bij de poort en zij dacht dat ze twintigduizend had.
Dat is wat ik de drie kleinkinderen niet kan uitleggen zolang ze het niet zelf tellen. Ze willen vrede, en vrede is voor hen dat de ruzie ophoudt. Wat tot vrede dient, is iets anders: eerlijk zeggen wat ieder heeft, wat het kost, wie er tegenover staat, en dan een gezantschap sturen. Wie dat niet doet, krijgt geen vrede, ook al draagt hij de naam.
Verborgen, zonder dader
Maar nu is het verborgen voor je ogen.
Verborgen. Het werkwoord staat in de lijdende vorm, en er wordt geen dader genoemd. Niet: jij hebt het verborgen. Niet: God verbergt het. Het is verborgen. Zonder wie.
Dat is precies de vorm van de dertien. Kijk ze nog eens langs, en zie dat geen van hen besloot om niet te zien.
De vrouw van Lot keek om, en het was liefde voor wat brandde. De priester ging aan de overkant voorbij, en het was zijn lichaam dat overstak voordat zijn hoofd het wist. Martha werd rondom getrokken, en het was toewijding. De rijke dwaas bouwde, en het was een goed jaar. De torenbouwer begon, en het was vaart. De gasten kozen hun plaats, en het was gewoonte. De rijke man liep door zijn poort, en het was elke dag. De negen liepen naar de priesters, en het was de opdracht. De blinde zat langs de weg, en het was een plek om van te leven. Petrus volgde van verre, en het was trouw. De oudste zoon bleef thuis, en het was plicht. De jongste ging te ver, en het was verlangen. De twee van Emmaüs liepen de verkeerde kant op, en het was verdriet.
Bij niemand is er een dader. Het werd verborgen voor hun ogen. Dat is waarom deze dertien geen zonden zijn maar manieren van verdwalen: het zijn dertien vormen van de lijdende vorm. Iets werd verborgen, terwijl je iets anders deed dat op zichzelf niet fout was.
Het uur waarop je wordt aangekeken
Omdat je de tijd van je bezoeking niet hebt gekend.
De kairos van je bezoeking. Episkopē: van episkopeō, omzien naar, kijken naar, letten op. De bezoeking is het uur waarop iemand naar je omziet. Waarop je wordt aangekeken.
En nu vallen de dertien op hun plaats, want ze hebben allemaal zo’n uur. Het uur waarop Filippus zei kom en zie. Het uur waarop de Samaritaan de gewonde zag en zijn buik bewoog. Het uur waarop Jezus zei: Martha, Martha. Het uur waarop God zei: dwaas, deze nacht. Het uur waarop de gastheer zegt: vriend, ga hoger. Het uur waarop de tiende melaatse zag dat hij genezen was. Het uur waarop de weg stilstond voor een schreeuw uit de berm. Het uur waarop de Heer zich omkeerde en Petrus aankeek.
Elke manier van verdwalen is een manier om dat uur te missen. Niet omdat je slecht kijkt. Omdat je op dat uur ergens anders kijkt: naar Sodom, naar de overkant, naar de keuken, naar de schuur, naar de eerste plaats, naar de tafel, naar de priesters, naar de berm, naar het vuur. De stad werd aangekeken door iemand die over haar weende, en zij zag een man op een ezel.
Twee verzen eerder, bij de intocht, roepen de leerlingen: vrede in de hemel. Eirēnē en ouranō. Bij de geboorte hadden de engelen geroepen: vrede op aarde. Nu roepen de leerlingen: vrede in de hemel. Op aarde is er een stad die haar naam niet kent, en de vrede is naar boven verhuisd omdat er beneden geen plek voor is. En als de Farizeeën vragen om de leerlingen het zwijgen op te leggen, zegt hij: als dezen zwijgen, zullen de stenen roepen. Vier verzen later: zij zullen in u geen steen op de andere laten. De stenen die zouden roepen, worden de stenen die vallen. Dat is wat er gebeurt met een stad die het uur niet kent: wat had kunnen spreken, stort in.
De stad van de koning die niet telde
Want er zullen dagen over je komen dat je vijanden een wal om je heen opwerpen en je omsingelen en je van alle kanten benauwen, en zij zullen je vernietigen, en je kinderen in je.
Wie dit rond het jaar honderd las, had het zien gebeuren. In het jaar zeventig legde Titus een wal om Jeruzalem, precies zoals hier beschreven, en de stad viel, en de tempel brandde, en er bleef geen steen op de andere. Lucas schrijft na de feiten, en hij laat Jezus ze vooraf uitspreken op de plek waar de weg eindigt.
De stad die haar naam niet kende, was de toren die zonder rekenen werd begonnen. Ze was de koning die met tienduizend ten strijde trok tegen twintigduizend, omdat hij niet was gaan zitten. Ze was Nabal die een feest hield als een koning terwijl er iemand aan de poort stond. Ze was de rijke dwaas met grotere schuren, en de nacht kwam. Alle dertien manieren komen in de stad bij elkaar, en ze hebben één uitkomst: een wal, en geen steen op de andere.
Rome had zijn eigen vrede, en die had een naam: Pax Romana, de vrede van de wal en het zwaard. De vrede die de stad niet kende, was een andere, en Lucas heeft haar in zijn eerste hoofdstuk al genoemd, uit de mond van Zacharias, over een kind: om onze voeten te richten op de weg van de vrede. Hodos eirēnēs. De weg van de vrede. Dat is de weg van deze hele serie. Ze begint bij een oude priester die zijn spraak terugkrijgt, en ze eindigt bij een stad die haar naam niet kent.
Wat er openblijft
Lucas laat de vrede niet in de wal eindigen. Op de laatste bladzijde, in een gesloten kamer in dezelfde stad, staat iemand in het midden en zegt: vrede zij u. Eirēnē hymin. De stad heeft het niet gekend, en de vrede komt toch, naar binnen, na de wal, in een kamer.
Maar de zin over de stad blijft onafgemaakt. Als ook jij had gekend… Ik kan hem niet sluiten, en ik denk niet dat ik dat moet. Wat er gebeurd zou zijn als de stad haar naam had gekend, is de weg die niet gelopen is, en over niet-gelopen wegen kun je alleen zeggen dat ze er waren.
Wat ik wel kan zeggen, is dit. Het uur van de bezoeking is niet één uur. Het is elk uur waarop iemand je aankijkt en je iets anders aan het doen bent. En het verbergt zich niet in het donker. Het verbergt zich in de dertien dingen die je toch al deed: omkijken, oversteken, druk zijn, bouwen, beginnen, kiezen, doorlopen, wegblijven, zitten, van verre volgen, thuisblijven, te ver gaan, de verkeerde kant op. Wie die dertien kent, kent niet daarmee het uur. Hij kent alleen de plekken waar het meestal voorbijgaat.
In de praktijk
Ik vraag de drie kleinkinderen niet hoe ze de ruzie moeten bijleggen. Dat is de vrede van de wal: een bestand, een verdeling, een zwijgen. Ik vraag wat hun naam betekent. Waarvoor hun grootvader het heeft opgericht.
Ze weten het niet, en ik laat de stilte staan tot iemand het gaat zoeken. Een van hen belt zijn moeder. Zij weet het: hij was een boerenzoon die in de crisis geen werk kon vinden, en hij begon iets waar zijn broers ook konden werken. Dat was het. Werk voor de broers. De naam op de gevel stond voor: dat de broers samen konden werken.
De drie kleinkinderen kijken elkaar aan. Ze hebben de naam elke dag gedragen en zijn precies wat erin stond aan het afbreken. Dat is de stad die haar naam niet kent, aan een vergadertafel.
Wat daarna komt, is tellen. Wat heeft ieder, wat kost het, wie staat er tegenover. En dan een gezantschap, terwijl de ander nog ver is: een gesprek waarin ieder zegt wat hij werkelijk heeft, en de vraag wat tot vrede dient niet meer een wens is maar een som. Het bedrijf heet nog naar de grootvader. Ze weten nu waar de naam voor staat. Of ze hem kunnen dragen, weet ik niet. Maar het is niet meer verborgen voor hun ogen, en dat is het enige waar de tekst iets over belooft.
De weg
Dertien manieren, en één zin die niet afkomt. Lucas heeft zijn evangelie gebouwd als een weg, van Nazareth naar Jeruzalem, en de weg komt aan bij een stad die niet weet dat ze Vrede heet. Dat is geen tragisch einde; het is de plek waar de tweede helft begint, in Handelingen, waar dezelfde weg van Jeruzalem naar Rome loopt en de mensen erop zich de Weg gaan noemen. De stad kende haar naam niet. De mensen die eruit vertrokken, gaven zichzelf een naam die zij wel kenden.
Als ook jij, op deze dag, had gekend wat tot vrede dient.
De zin staat open. Zo heeft Lucas hem gelaten, en zo laat ik hem.
Centrale figuren in dit artikel:
Jezus bij de laatste bocht,
de stad die Vrede heet,
de koning die telde,
Zacharias met de weg van de vrede,
de drie kleinkinderen en
de naam op de gevel
Bijbelgedeelten:
Lukas 19:41-44 (hij weende over haar; als ook jij op deze dag had gekend wat tot vrede dient; verborgen voor je ogen; een wal; geen steen op de andere; de tijd van je bezoeking);
Lukas 19:37-40 (vrede in de hemel; de stenen zullen roepen);
Lukas 14:31-32 (de koning die zit en telt; een gezantschap; wat tot vrede dient);
Lukas 9:51 (hij stelde zijn gezicht);
Lukas 1:79 (de weg van de vrede);
Lukas 2:14 (vrede op aarde);
Lukas 22:62 (Petrus weende bitter);
Lukas 24:36 (vrede zij u);
Genesis 14:18 en
Hebreeën 7:2 (Melchizedek, koning van Salem, dat is koning van de vrede);
Psalm 76:3 (in Salem is zijn tent);
Psalm 122:6 (bidt om de vrede van Jeruzalem);
Handelingen 9:2 (de Weg)

