De toeschouwer
Over de zaal in de eerste zin, de rotsspleet van Mozes, en wat er gebeurt als het toneel terugkijkt
En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons getent, en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd. (Johannes 1: 14)
Etheasametha. Eén woord in het Grieks, drie in het Nederlands, en de vertaling verliest onderweg het enige wat telt. Het werkwoord is theaomai. Niet blepō, kijken, wat ogen doen. Niet horaō, zien, waarnemen dat iets er is. Niet theōreō, het beschouwen op afstand dat Marcus gebruikt voor de vrouwen bij het kruis. Theaomai is het werkwoord van de theatēs, de man in de zaal. Het is aanschouwen zoals je een opvoering aanschouwt: je bent gekomen om het te zien, je zit, en het gebeurt voor je.
Johannes zegt dus in de veertiende regel van zijn boek, met de eerste persoon meervoud die hij tot dan toe niet had gebruikt: wij zaten in de zaal. Er is iets opgevoerd. En wij hebben het aanschouwd.
Dat is de zin waar dit hele evangelie aan hangt, en ik wil weten wat er precies staat.
Eerst het woord zelf. Een Griek die theaomai hoorde, hoorde thea, het schouwspel, en theatron, de plaats om te zien. Het theater was in de Griekse stad geen gebouw met een dak en een avondvoorstelling. Het was een kom in een heuvel, in daglicht, waar de hele stad zat, en wat er werd opgevoerd was geen vermaak maar een feest van de god: de Dionysia, waar de tragedie hoorde. Wie in de zaal zat, zat bij een heilige handeling. En hij zat er met iedereen: de zaal zag het stuk, en de zaal zag zichzelf.
Er is een tweede woord uit dezelfde stam dat ik nodig heb. Theōros. Dat was de afgevaardigde die een stad uitzond naar een festival of een orakel, om er bij te zijn en terug te komen en te vertellen wat hij gezien had. Theōria, het woord dat wij tot theorie hebben laten verschralen, was oorspronkelijk die reis: naar de heilige plaats gaan, aanschouwen, en terugkeren als getuige. Theater, theorie en pelgrimage zijn in het Grieks één beweging. Je gaat om te zien. Je ziet. Je komt terug en zegt wat je hebt gezien.
Nu weet ik waarom Johannes na etheasametha het woord martyria zo vaak nodig heeft, zevenenveertig keer, tegenover zeven bij de drie anderen samen. De theōros die niet terugkomt om te vertellen, heeft zijn reis niet afgemaakt. Wie in de zaal heeft gezeten, is de stad nog iets verschuldigd.
En dan is er de Judeeër die dit schrijft. Herodes had een theater in Jeruzalem laten bouwen, en de vromen hadden het verafschuwd als een heidens ding, een plaats van beelden en spelen en Grieks vertoon. Dat is de man die het heiligste wat hij kent beschrijft met het werkwoord van dat gebouw. Hij had eidomen kunnen zeggen, wij hebben gezien, netjes en bijbels. Hij zegt: wij hebben toegekeken. Hij zet zijn lezers op de banken van het theater dat hun vaders niet wilden.
Wat hebben ze dan aanschouwd? Zijn heerlijkheid.
Hier begint het te bewegen. Want doxa is in het Grieks van de filosofen precies het tegendeel van waarheid. Het is de mening, de schijn, hoe iets eruitziet tegenover hoe het is. De godin van Parmenides zet twee wegen naast elkaar, de weg van alētheia en de weg van doxa, en zij zegt dat de tweede de weg van de stervelingen is die niets weten. Doxa is wat je denkt te zien.
En de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, die Johannes uit zijn hoofd kende, neemt precies dat woord om kavod te vertalen. Kavod: gewicht. Van kaved, zwaar zijn; het is ook het woord voor de lever, het zwaarste orgaan. De kavod van God is niet zijn glans, het is zijn gewicht, wat er drukt als Hij er is: de wolk op de Sinaï, de wolk die de tabernakel vult zodat Mozes er niet in kan, het gewicht dat in de tempel neerdaalt bij Salomo zodat de priesters hun dienst niet kunnen doen.
Johannes zet dus het Griekse woord voor schijn neer als het woord voor wat de zaal heeft gezien, en hij laadt het met het Hebreeuwse gewicht. De toeschouwers hebben doxa gezien, en het was geen schijn, het was kavod. Voor de Griek in de zaal is dat een ongerijmdheid. Voor de Jood in de zaal is het een zin uit Exodus.
Want deze zin is een zin uit Exodus.
Exodus 33. Mozes vraagt: toon mij uw kavod. En God zegt: mijn gezicht kun je niet zien, want geen mens ziet mij en leeft. Maar er is een plaats bij mij. Ga in de spleet van de rots staan. Ik zal mijn hand over je leggen terwijl mijn kavod voorbijgaat, en dan neem ik mijn hand weg, en je zult mijn rug zien. En dan gaat Hij voorbij en roept zijn naam: barmhartig en genadig, rav chesed ve-emet, groot van goedheid en waarheid.
Johannes 1:14. Wij hebben zijn kavod aanschouwd, vol van chesed ve-emet. Dezelfde twee woorden, in dezelfde volgorde, op dezelfde plaats in de zin, en vier verzen later, 1:18: niemand heeft ooit God gezien — dat is Exodus 33:20, letterlijk.
Mozes was de eerste toeschouwer. De rotsspleet was de eerste zaal: een plek in de steen, een hand ervoor, en wat er te zien was ging voorbij en mocht alleen op de rug worden gezien. Wat de eerste toeschouwer aanschouwde, was dus niet de kavod zelf maar het spoor ervan, en de naam die hij hoorde terwijl hij niet mocht kijken.
En nu zegt Johannes: wij hebben het aanschouwd. Niet de rug. Niet door een hand heen. In de zaal, in daglicht, eskēnōsen en hēmin, het heeft zijn tent onder ons opgeslagen, de tent die Mozes zelf niet in kon omdat het gewicht te groot was. Het gewicht dat Mozes doodde als hij het in het gezicht zag, is in een gezicht komen wonen dat je kunt aankijken. De hand is van de spleet gehaald.
Dat is de zaal in de eerste zin. Niet een beeldspraak voor “wij waren erbij”. De rotsspleet, opengemaakt.
Ik wil weten wie er verder aanschouwt in dit boek, en ik zoek het werkwoord op. Het staat zes keer, en de plaatsen zijn geen toeval.
1:32. Johannes de Doper: ik heb de Geest aanschouwd, neerdalend als een duif. De eerste die in de zaal zit na de proloog, en hij getuigt onmiddellijk: ik heb het aanschouwd en getuigd, in één adem, de theōros die terugkomt.
4:35. Heft uw ogen op en aanschouwt de velden. Jezus tegen de leerlingen bij de put, terwijl de Samaritaanse vrouw het dorp gaat halen. Aanschouwen is hier een opdracht: kijk niet naar het brood, kijk naar wat er aankomt.
6:5. Jezus, zijn ogen opheffend en de menigte aanschouwend. Hij kijkt naar de zaal.
11:45. Velen van de Joden die gekomen waren en aanschouwd hadden wat hij deed, geloofden. Bij het graf van Lazarus. De zaal die het stuk heeft gezien en omslaat.
En dan 1:38, en daar blijf ik staan.
Jezus, zich omkerend en hen aanschouwend die hem volgden, zegt tot hen: wat zoeken jullie?
Twee leerlingen van de Doper lopen achter hem aan. Ze hebben nog niets gezegd, ze kijken alleen. En dan draait hij zich om en theasamenos: hij aanschouwt hén. Het werkwoord van de zaal, gebruikt door degene op het toneel, gericht op de mensen die dachten dat zij de toeschouwers waren. En het eerste wat hij zegt, de eerste woorden van Jezus in dit hele evangelie, is een vraag aan het publiek: wat zoeken jullie?
Dat is wat er gebeurt als de hand van de rotsspleet wordt gehaald. Mozes kon niet worden aangekeken; hij stond in de steen, met een hand ervoor, en zag een rug. De zaal van Johannes wordt aangekeken. Het stuk draait zich om. En wie in de zaal zat om te zien, ontdekt dat hij gezien wordt, en dat er hem iets gevraagd wordt.
De vier evangeliën hebben elk hun eerste woord van Jezus. Bij Marcus: de tijd is vervuld, bekeert u. Bij Mattheüs: laat het nu zo zijn, bij de doop. Bij Lucas: waarom hebt u mij gezocht, wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn. Bij Johannes: wat zoeken jullie? Geen aankondiging, geen gebod. Een vraag aan wie kijkt.
Nu naar de zaal zelf, naar wat er gebeurt met een mens die aanschouwt en aangeschouwd wordt, want daar heeft de zaal een geschiedenis die ouder is dan het theater.
De eerste zaal van elk mens is een gezicht. Een zuigeling kijkt, en wat hij ziet is een gezicht dat naar hem kijkt, en in dat gezicht ziet hij zichzelf terug. Wie daar goed naar kijkt, ziet het omgekeerde van wat we denken: het kind kijkt niet eerst en wordt dan gezien. Het wordt eerst gezien, en leert daaruit te kijken. Als ik kijk, word ik gezien, dus ik ben — het is de oudste formule van de kinderpsychologie, en het is Johannes 1:38 in de wieg. Het zenuwstelsel van een mens is gebouwd op het gezicht dat terugkijkt; de spieren rond de ogen, de stem, de hartslag reguleren zich aan een ander gezicht dat aanwezig is. Wie in zijn eerste jaren een gezicht had dat wegkeek, of een gezicht dat keek maar niets zag, heeft geleerd toeschouwer te zijn zonder dat er iemand terugkeek. Hij zit in een zaal waarin het toneel nooit omdraait.
Dat is de mens die ik in mijn praktijk het vaakst zie. Niet degene die niet kan kijken; die kan uitstekend kijken, hij heeft er zijn leven van gemaakt. Maar degene voor wie kijken altijd veilig was omdat het toneel nooit terugkeek. Analyseren, begrijpen, doorzien, alles op de banken van het theater, met de hand voor de rotsspleet. En op het moment dat er iemand tegenover hem zit die zich omdraait en vraagt: wat zoek jij — dan gebeurt er in het lichaam wat Mozes werd aangezegd. Niemand ziet mij en blijft wie hij was.
Marcus liet zien dat de toeschouwer op afstand moet staan om te kunnen blijven, apo makrothen, de wet van de draagbare afstand. Johannes doet iets anders, en het is niet de tegenspraak ervan maar de volgende laag. Bij Johannes is er geen afstand meer. Het Woord heeft zijn tent onder ons opgeslagen, en hēmin, midden in de zaal, en het kijkt terug. De toeschouwer van Johannes kan niet van verre staan, omdat wat hij aanschouwt hem al heeft aangeschouwd voordat hij ging kijken.
En dan het gewicht. Ik kom terug op kavod, omdat het niet alleen zegt wat de zaal zag, maar wat het met de zaal deed.
Gewicht is wat je voelt als iets er is. Niet wat je begrijpt. De priesters bij Salomo konden hun dienst niet doen toen de kavod de tempel vulde; ze werden niet overtuigd, ze werden neergedrukt. Wat de zaal van Johannes aanschouwt, is niet een inzicht maar een gewicht dat op hen komt te liggen, en de vraag die het stelt is niet of ze het begrijpen maar of ze het kunnen dragen. Emet, zag ik in een vorig stuk, is wat draagt. Kavod is wat gedragen moet worden. Vers 14 zet ze naast elkaar: wij hebben het gewicht aanschouwd, vol van wat draagt.
Dat is wat de toeschouwer van dit evangelie overkomt, en waarom Johannes het niet kan zeggen maar alleen kan opvoeren. Een gewicht kun je niet uitleggen. Je kunt iemand in de zaal zetten en wachten tot het op hem komt te liggen.
Hier glijd ik bijna weg in uitleg, dus terug naar de tekst.
Etheasametha. Aorist, de vorm van het ene moment. Niet: wij aanschouwen, niet: wij hebben altijd aanschouwd. Wij hebben, op een dag, aanschouwd. Er was een keer dat het gebeurde. Johannes de Oudere, de Judeeër, de man die het huis van de hogepriester van binnen kende, schrijft veertig of vijftig jaar later en gebruikt de vorm van de datum. Hij zat er. Hij weet nog waar.
En het meervoud. Hij zegt niet: ik. Hij zegt: wij. Er was een zaal, niet één ziener. Wat de een zag, zag de ander ook, en zij zagen elkaar het zien. Dat is wat een theater is en wat een visioen niet is. Een visioen heb je alleen. Een opvoering deel je met wie er naast je zat, en je kunt elkaar naderhand vragen: heb jij het ook gezien.
Dus dit is wat het betekent dat de eerste zin van dit evangelie een zaal beschrijft.c
Het betekent dat de rotsspleet open is, en dat wat Mozes alleen op de rug mocht zien, in een gezicht is komen wonen dat terugkijkt.
Het betekent dat wie dit boek leest, wordt aangesproken als iemand die op de banken zit — en dat het stuk zich, ergens in het eerste hoofdstuk, omdraait en hem vraagt wat hij zoekt.
Het betekent dat zien hier niet het einde is maar het begin van een schuld: de theōros moet terug naar de stad. Daarom is de hele rest van het boek getuigenis, en daarom eindigt het niet met een laatste scène maar met een man die zegt: dit is de leerling die van deze dingen getuigt, en wij weten dat zijn getuigenis waar is. De zaal die het heeft gezien, is teruggekomen om het te zeggen.
En het betekent één ding dat ik niet kan sluiten. In 1:14 zegt de zaal: wij hebben aanschouwd. In 20:29 zegt het toneel, tegen niemand in de scène: zalig die niet gezien hebben. Tussen die twee zinnen zit het hele boek, en tussen die twee zinnen zit de lezer. Hij zat niet in de zaal van 1:14. Hij heeft de kavod niet aanschouwd, niet op de rug en niet in het gezicht. Wat hij heeft, is het verslag van wie er zat.
Wat ik nog niet weet, is of dat een tekort is of de bedoeling. Of de lezer een toeschouwer is die te laat kwam — of dat de zaal van 1:14 is geschreven zodat er een zaal kon ontstaan waarin het toneel zich omdraait naar iemand die er niet bij was, en vraagt wat hij zoekt.
Etheasametha.
Centrale figuren in dit artikel:
Mozes in de rotsspleet,
Johannes de Doper,
de twee leerlingen in 1:38,
Johannes de ooggetuige
Bijbelgedeelten:
Johannes 1:14, 18 (de zaal, niemand heeft God gezien);
Johannes 1:32 (de Doper aanschouwt en getuigt);
Johannes 1:38 (Jezus aanschouwt hen die volgen: wat zoeken jullie);
Johannes 4:35; 6:5; 11:45 (theaomai);
Johannes 21:24 (het getuigenis is waar);
Exodus 33:18-23 en 34:6 (toon mij uw kavod, de rotsspleet, chesed ve-emet);
Exodus 40:34-35 en
1 Koniningen 8:10-11 (de kavod vult de tent en de tempel);
1 Johannes 1:1 (wat wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben)

