De tuinman (Maria bij het graf)
Over drie keer “waar hebben ze hem gelegd”, een naam in de moedertaal, en waarom de vergissing de waarste waarneming van het hele boek is
Ze heeft zijn kamer gelaten zoals hij was. Twee jaar na zijn dood hangt zijn jas nog aan de haak, en als ze in de stad een jongen ziet met zijn manier van lopen, staat ze stil. Ze weet dat hij het niet is. Ze staat toch stil. Haar ogen zoeken hem in elke rug die op de zijne lijkt, en ze vinden hem nooit, en ze blijven zoeken.
Ik zit tegenover haar en ik weet dat ze niet gek is. Rouw kijkt zo. Rouw ziet de dode in de levenden, omdat ze niets anders kan zien dan wat ze kwijt is.
Johannes 20 draait dat om. Daar staat een vrouw voor een levende en ziet een vreemde, omdat ze een dode zoekt.
Op de eerste dag van de week kwam Maria van Magdala vroeg, toen het nog donker was, naar het graf, en zag dat de steen van het graf was weggenomen.
Nog donker. Het is het donker van de eerste dag, en Johannes, die zijn boek begon met in den beginne, weet wat hij schrijft: de eerste dag, duisternis over de diepte, en een tuin. Want dat had hij in het vorige hoofdstuk al klaargelegd: op de plaats waar hij gekruisigd was, was een tuin, en in de tuin een nieuw graf. Een tuin, een nieuw graf, de eerste dag, en het is nog donker.
Ze rent naar Petrus en de andere leerling. Ze hebben de Heer uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar ze hem gelegd hebben. De twee rennen, kijken, de een gelooft iets, en de leerlingen gingen weer naar huis. Ze gaan naar huis. Maria blijft.
Maria stond buiten bij het graf te wenen. Het luide wenen, van Petrus na de haan, van Jezus over Jeruzalem bij Lucas. Johannes gebruikt het woord vier keer in vijf verzen. Ze weent, en terwijl ze weent buigt ze zich in het graf, en ziet twee engelen, en de engelen vragen: vrouw, waarom ween je? En zij zegt: ze hebben mijn Heer weggenomen, en ik weet niet waar ze hem gelegd hebben.
Ik tel. Dat is de tweede keer. Waar hebben ze hem gelegd. Het is de enige zin die ze heeft. Ze zoekt een lichaam en een plek. Ze zoekt het waar. En ze zal het nog een derde keer zeggen.
Toen ze dit gezegd had, keerde ze zich om en zag Jezus staan, en ze wist niet dat het Jezus was.
Ze keert zich om. Fysiek, weg van het graf, naar de tuin. En ze ziet hem, en ziet hem niet. Johannes zegt het zonder omhaal: ze wist niet dat hij het was.
Jezus zei tot haar: vrouw, waarom ween je? Wie zoek je?
Wie zoek je. De eerste woorden van Jezus in dit evangelie, in 1:38, tegen de twee leerlingen die achter hem aanliepen, waren: wat zoeken jullie? Ti zēteite. En de laatste vraag die hij aan een toeschouwer stelt, aan het einde van het boek, in een tuin, is: wie zoek je? Van wat naar wie. Het hele evangelie zit tussen die twee vragen, en Maria krijgt de laatste.
En zij, menende dat het de tuinman was, zegt: heer, als u hem weggedragen hebt, zeg mij waar u hem gelegd hebt, en ik zal hem wegnemen.
Derde keer. Waar hebt u hem gelegd. En dan: ik zal hem wegnemen. Ik zal hem dragen. Ze wil het lichaam. Ze wil het weer hebben, op een plek die zij kent, waar ze het kan bezoeken. Dat is wat rouw wil: de dode terug in een vorm die je kunt vasthouden. Een graf met een adres. Een jas aan een haak.
Waarom ziet ze een tuinman?
Omdat er een tuin is. Dat is niet dom, het is waarneming. Het is vroeg, er is een tuin, er staat een man, de dode is dood. Alles wat ze weet zegt: tuinman. De enige die ’s ochtends vroeg in een tuin staat, is degene die de tuin onderhoudt. Haar ogen leveren precies wat haar verwachting toelaat, en haar verwachting is gebouwd op de enige zekerheid die er is: dat wie in een graf is gelegd, in een graf ligt.
En daar zit de laag van deze scène die ik het langst heb gemist. Ze heeft gelijk. Hij is de tuinman.
Johannes heeft de tuin niet voor niets neergezet, en de eerste dag, en het donker. In het begin, in Genesis, was er een tuin, en God plaatste er de mens in om haar te bewerken en te bewaren. De eerste mens was tuinman. En de mens werd de tuin uitgezet, en er stond een engel met een zwaard bij de ingang. Nu is er weer een tuin, en twee engelen, en ze staan niet bij de ingang met een zwaard maar in het graf, en ze vragen waarom ze huilt. En er staat een man in de tuin op de ochtend van de eerste dag, en hij is precies wat zij denkt: de tuinman. Degene die de tuin bewerkt en bewaart. Adam, opnieuw.
Haar vergissing is de waarste waarneming van het hele evangelie. Ze ziet wat er is. Ze weet alleen niet dat het de waarheid is, omdat ze een dode zoekt en de tuinman levend is.
Dat is wat ik in mijn kamer zie, bij de vrouw met de jas aan de haak, en bij anderen. Ze zien iets wat waar is en herkennen het niet, omdat ze het op de verkeerde plek zoeken. De man tegenover haar is veranderd; ze ziet de man die hij was en zoekt hem, en de man die hij is geworden staat als een vreemde in de tuin. Het kind is volwassen; ze zoekt het kind en ziet een onbekende. Wie zoekt wat was, ziet wat is als de tuinman: iemand die er toevallig staat, en die misschien weet waar ze het hebben gelegd.
Jezus zei tot haar: Mariam.
Eén woord. Haar naam, in de Hebreeuwse vorm, Mariam, niet het Griekse Maria dat Johannes zelf in het verhaal gebruikt. In haar moedertaal.
Zij keerde zich om en zei tot hem in het Hebreeuws: Rabboeni.
Ze keert zich om. Voor de tweede keer. En hier klopt iets niet, en dat is precies wat klopt: ze stond al naar hem toe. Ze had zich in vers 14 al omgekeerd, ze had hem al aangekeken, ze had tegen hem gesproken. Er is geen ruimte meer om je fysiek om te keren. De tweede omkering is geen draaiing van het lichaam. Het is de omkering die het Hebreeuws tesjoeva noemt: de ommekeer van wie hij ziet. Ze stond al naar hem toe en ziet hem nu pas.
En het gebeurt niet door het oog. Ze had gekeken en een tuinman gezien. Het gebeurt door het oor. Haar naam, in de taal waarin ze haar naam voor het eerst hoorde. En zij antwoordt in dezelfde taal, Rabboeni, het woord van een kind tegen zijn leraar. De herkenning gaat door de moedertaal heen, door de oudste laag van de taal, door wat je hoort voordat je kunt kijken.
Jezus had het in hoofdstuk 10 gezegd, en ik lees het nu pas als een beschrijving van deze ochtend: de herder roept zijn eigen schapen bij name, en de schapen volgen hem, omdat ze zijn stem kennen. Een vreemde zullen ze niet volgen, omdat ze de stem van vreemden niet kennen. Ze zag een vreemde. Ze hoorde haar naam. Het oog kende de vreemde niet; het oor kende de stem.
En dat is ook wat hij tegen Pilatus zei, een dag eerder: wie uit de waarheid is, hoort mijn stem. Pilatus vroeg wat het was en ging naar buiten. Maria zocht waar het lag en hoorde haar naam.
Dan de zin die iedereen verkeerd vertaalt: raak mij niet aan. Er staat mē mou haptou, en het werkwoord betekent vasthouden, vastgrijpen, en de tijd is die van het voortdurende: houd me niet vast. Blijf me niet vasthouden. Ze heeft hem al vast. Ze heeft gedaan wat ze drie keer wilde: ze heeft hem, en ze wil hem dragen, naar een plek die zij weet.
En hij zegt: niet zo. Ik ben nog niet opgestegen. Niet in de vorm die je kunt vasthouden. Wat is teruggekomen, komt niet terug als het lichaam dat je in het graf zocht. Het komt terug als iets wat je niet kunt dragen naar een plek, en wat je alleen kunt laten gaan om het te hebben.
Dat is de moeilijkste zin voor de vrouw met de jas. Wat er van hem is teruggekomen, in haar, in de kinderen, in wat hij heeft achtergelaten, is niet de jas. De jas is het graf met adres. Wat leeft, laat zich niet ophangen aan een haak.
En dan krijgt Maria een opdracht, de eerste die een toeschouwer in dit evangelie krijgt: ga naar mijn broeders en zeg hun. Mijn broeders. Voor het eerst noemt hij de leerlingen zo. De broers die niet geloofden zijn er niet; er is een nieuwe familie, en het eerste bericht erover wordt gebracht door de vrouw die een tuinman zag.
Maria van Magdala ging en verkondigde de leerlingen: ik heb de Heer gezien. Ik heb gezien. Ze zegt niet: ik heb hem gehoord. Ze zegt: gezien. Maar het zien kwam na de naam.
Wat kun je hiermee.
Je kunt merken wanneer je naar het waar zoekt. Waar hebben ze hem gelegd. Drie keer. Wie zoekt waar het is gebleven, het huwelijk van vroeger, het kind van toen, de vader die er was, zoekt een plek en een lichaam. En iedereen die dan voor je staat, is een tuinman: iemand die er toevallig is en die misschien weet waar het ligt. Zolang je het waar zoekt, zie je vreemden.
Je kunt weten dat je gelijk hebt over de tuinman. De vergissing is niet dat je verkeerd kijkt. Wat je ziet is er. De man die veranderd is, is werkelijk een ander dan de man die je zoekt. Dat je hem niet herkent, is niet omdat je slecht kijkt maar omdat je naar de verkeerde zoekt.
Je kunt luisteren naar je naam. De herkenning gaat niet door het oog. Ze gaat door het oor, door de oudste laag, door de stem die je naam zegt zoals hij vroeger klonk. Als iemand die je niet herkent je naam zegt, en er gaat iets om in je, keer je dan om. De tweede keer. Ook als je al naar hem toe stond.
Je kunt ophouden vast te houden. Wat terugkomt na een verlies, komt niet terug als wat je kwijt was. Het komt in een vorm die je niet naar een plek kunt dragen. Houd me niet vast is niet een afwijzing. Het is de mededeling dat wat je vasthoudt, het niet is, en dat wat het is, alleen te hebben is door het te laten gaan.
En je kunt gaan zeggen wat je hebt gezien. Dat is het einde van elke toeschouwer in dit boek die werkelijk heeft gezien: hij wordt gestuurd. Maria kreeg geen lichaam om te dragen. Ze kreeg broeders om het te vertellen.
Centrale figuren in dit artikel:
Maria van Magdala,
de tuinman,
de vrouw met de jas aan de haak
Bijbelgedeelten:
Johannes 20:1-2 (vroeg, nog donker; wij weten niet waar ze hem gelegd hebben);
Johannes 20:10-18 (de leerlingen gingen naar huis; Maria stond te wenen; de engelen; ze keerde zich om; wie zoek je; de tuinman; zeg mij waar u hem gelegd hebt; Mariam; Rabboeni; houd mij niet vast; ga naar mijn broeders; ik heb de Heer gezien);
Johannes 19:41 (een tuin, en in de tuin een nieuw graf);
Johannes 1:38 (wat zoeken jullie);
Johannes 10:3-5 (hij roept zijn schapen bij name; de stem van vreemden);
Johannes 18:37 (wie uit de waarheid is, hoort mijn stem);
Genesis 2:15 (de mens in de tuin, om haar te bewerken en te bewaren);
Genesis 3:24 (de engelen bij de ingang van de tuin)

