De vraag zonder antwoord (Pilatus)
Over een man die zeven keer naar binnen en naar buiten loopt, de zin “wat is waarheid”, en wat er gebeurt als je de kamer verlaat voordat het stil is geworden
Hij vraagt het goed. Dat is het vreemde. In de vergadering, als het spannend wordt, stelt hij de vraag die iedereen had moeten stellen: wat is hier nu eigenlijk het juiste om te doen? Het wordt stil. Het is de goede vraag. En dan kijkt hij op zijn horloge, zegt dat hij daar nog op terugkomt, en gaat naar het volgende agendapunt.
Ik heb dat honderd keer gezien, en het duurde lang voordat ik begreep dat de vraag geen vraag was. Het was een deur. Hij stelde haar om de kamer uit te kunnen.
Johannes 18:38 is die man, en hij is de beroemdste toeschouwer van dit evangelie.
Het verhoor bij Pilatus is gebouwd als een huis met twee kamers. Binnen, in het gerechtsgebouw, staat Jezus. Buiten staan de Joden, die niet naar binnen willen omdat ze zich anders verontreinigen voor het Pascha. En Pilatus gaat heen en weer. Johannes telt het niet hardop, maar wie het telt komt op zeven: naar buiten, naar binnen, naar buiten, naar binnen, naar buiten, naar binnen, naar buiten. Zeven keer over de drempel. Hij is in geen van beide kamers thuis. Hij is de man van de gang.
En in de tweede scène, binnen, komt het gesprek.
Ben jij de koning der Joden? En Jezus vraagt terug: zeg je dit uit jezelf, of hebben anderen het je over mij gezegd? Dat is de eerste keer dat Pilatus een vraag terugkrijgt, en hij pareert: ben ik soms een Jood? Hij hoort niet bij deze zaak. Hij is Romein, hij is hier voor de orde, hij vraagt wat hij vragen moet.
Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. En Pilatus: dus je bent toch een koning? En dan het antwoord waar het om gaat:
Jij zegt dat ik een koning ben. Hiertoe ben ik geboren en hiertoe in de wereld gekomen: om van de waarheid te getuigen. Ieder die uit de waarheid is, hoort mijn stem.
En Pilatus zegt: wat is waarheid?
En dit gezegd hebbend, ging hij weer naar buiten.
Ik heb die zin in het Grieks nodig, omdat het Nederlands er een pauze in zet die er niet is. Er is geen pauze. Hij zegt Wat is waarheid? en hij is al weg. De vraag en het vertrek zijn één beweging. Hij stelt haar niet aan Jezus; hij stelt haar aan de deur.
En hij stelt haar in de vorm die het antwoord uitsluit. Wat is. De vraag naar de definitie, de vraag van de rechtbank en van de filosofie: geef mij het ding, de omschrijving, de vaststelling. Jezus heeft zojuist gezegd wat waarheid bij hem is: iets waar je uit bent, en iets waarvan je de stem hoort. Niet een wat. Een waarvandaan en een horen. Wie uit de waarheid is, hoort. En Pilatus vraagt naar het wat, en hoort niets, omdat hij er niet uit is. Hij is uit Rome. Hij hoort bij Caesar. Dat wordt hem later in het gezicht gezegd, en het is de enige zin die hem werkelijk beweegt.
Wie nergens uit is, kan geen stem horen. Dat is geen oordeel over Pilatus. Het is wat hij zelf zei: ben ik soms een Jood? Hij heeft geen plek in dit verhaal, en wie geen plek heeft, heeft geen oren.
Ik wil precies zijn over wat Pilatus wél ziet, want hij is niet blind zoals Kajafas.
Hij ziet dat Jezus onschuldig is. Hij zegt het drie keer, hardop, tegen de menigte: ik vind geen schuld in hem. Drie keer, zoals Petrus drie keer ontkende. Pilatus ziet de waarheid van de zaak en spreekt haar uit, drie keer, en doet niets met wat hij ziet.
Hij vraagt de goede vragen. Ben je een koning. Wat is waarheid. En later, als hij bang wordt: waar kom jij vandaan? Dat is de vraag van het hele evangelie, de vraag die Nathanaël stelde over Nazareth en de stad over de Christus, en Pilatus stelt haar aan de enige die haar kan beantwoorden. En Jezus zwijgt.
Jezus gaf hem geen antwoord. Dat is het enige zwijgen in het verhoor, en het komt op de enige goede vraag. En Pilatus kan het niet uithouden. Spreek je niet tegen mij? Weet je niet dat ik macht heb je los te laten en macht je te kruisigen? Hij vult de stilte met zichzelf. De stilte was het antwoord, en hij stond er drie seconden in en ging toen over macht praten.
Dat is de toeschouwer die Pilatus is. Hij kijkt, hij ziet het, hij stelt de vraag, en hij kan de kamer niet uithouden waarin het antwoord zou komen. Het antwoord op wat is waarheid stond voor hem. Het antwoord op waar kom je vandaan was een stilte. Beide keren ging hij naar buiten.
En dan doet Pilatus het enige wat hij helemaal doet. Hij toont.
Na de geseling, de doornenkroon, de purperen mantel, brengt hij Jezus naar buiten en zegt tegen de menigte: zie, de mens. Idou ho anthrōpos. Kijk, hier is hij. Pilatus zet het schouwspel neer. Hij is de man die de voorstelling op het toneel brengt, met kostuum en kroon, en die zelf de enige is die niet kijkt. Hij presenteert de waarheid aan de zaal en vraagt aan de deur wat ze is.
Filippus zei: toon ons. Pilatus toont. En het helpt geen van beiden. Wie toont, ziet niet, en wie om tonen vraagt, heeft niet gezien. Het zien gebeurt niet in het tonen; het gebeurt in het blijven staan, en dat is precies wat Pilatus zeven keer niet doet.
Waarom loopt hij? Ik denk dat Johannes het zegt in één woord, vers 8: toen Pilatus dit woord hoorde, werd hij nog banger. Nog banger. Hij was dus al bang. De man met de macht om los te laten en te kruisigen is de bangste in het gebouw. Bang voor de menigte buiten, bang voor de man binnen, bang voor Rome boven hem. En het moment waarop hij toegeeft, is het moment waarop iemand zijn angst bij de naam noemt: als je deze loslaat, ben je geen vriend van de keizer.
Vriend van de keizer. Philos tou Kaisaros. Dat was een titel, een positie, een plek in het rijk. Wie die verliest, verliest alles. Het is de topos van Kajafas, nu voor een Romein: de plek die beschermd moet worden. Zodra de plek wordt bedreigd, is de vraag naar waarheid voorbij, ook al is ze net gesteld. Wie bang is voor zijn plek, stelt de vraag om te kunnen zeggen dat hij haar heeft gesteld, en gaat dan naar buiten om te redden wat hij heeft.
En hij gaat zitten. Voor het eerst. Hij zette zich op de rechterstoel. Zeven keer heeft hij gelopen, en de enige keer dat hij zit, is om het vonnis uit te spreken. Dat is het lichaam van deze toeschouwer: het kan alleen stilzitten voor de beslissing die het niet wilde nemen. Voor het antwoord kon het niet zitten. Voor het vonnis wel.
Er is een laatste zin van Pilatus, en Johannes bewaart hem tot na het kruis.
Hij heeft een bordje laten schrijven: Jezus de Nazoreeër, de koning der Joden. In drie talen. De priesters willen dat hij het verandert: schrijf niet: de koning der Joden, maar: hij heeft gezegd, ik ben de koning der Joden. En Pilatus zegt: wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.
Het is de enige keer in het hele verhoor dat hij ergens bij blijft. Niet bij de onschuld die hij drie keer zag. Niet bij de vraag die hij stelde. Bij een bordje. De man die het antwoord op wat is waarheid niet kon afwachten, houdt vast aan de enige waarheid die hij heeft opgeschreven, en het is de waarheid die de menigte hem afdwong en die hij niet gelooft. Hij wist niet wat waarheid was. Hij heeft haar wel op een plank gespijkerd, in drie talen, boven het hoofd van de man die hem had gezegd waar ze vandaan komt.
Dat is wat er overblijft van de vraag zonder antwoord: een opschrift. Iets wat klopt, wat blijft staan, en wat de schrijver zelf niet heeft gelezen.
Wat kun je hiermee.
Je kunt voelen wanneer je vraag een deur is. Er is een soort vraag die je stelt om te kunnen gaan: aan je vrouw, wat wil je dan?, terwijl je al staat; in de vergadering, wat is hier het juiste?, met je hand al op de agenda. De test is simpel: blijf je in de kamer nadat je haar hebt gesteld? Pilatus zei wat is waarheid en was al buiten. Een vraag die je verlaat, was nooit een vraag.
Je kunt de stilte uithouden. De beste vraag van het hele verhoor kreeg geen woord als antwoord. Waar kom je vandaan kreeg een stilte, en de stilte was het antwoord, en Pilatus kon er drie seconden in staan. Als je iets wezenlijks vraagt en het wordt stil, is dat niet het uitblijven van het antwoord. Dat is het antwoord dat begint. Ga niet over macht praten.
Je kunt kijken waar je heen en weer loopt. Wie in geen van beide kamers thuis is, wie tussen zijn vrouw en zijn moeder pendelt, tussen het bedrijf en zijn geweten, tussen wat hij ziet en wat het hem kost, loopt zeven keer over de drempel en zit alleen om een vonnis te tekenen. De gang is geen plek. Kies een kamer en blijf erin tot het antwoord komt.
Je kunt je angst bij de naam laten noemen. Pilatus gaf toe op het moment dat iemand zei: geen vriend van de keizer. Daar zat het. Als je merkt dat je een vraag stelt en de kamer verlaat, vraag je af wiens vriend je bang bent niet meer te zijn. Dat is de reden dat je loopt. Niet de vraag.
En je kunt weten dat er iets overblijft. Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven. Wie de waarheid niet heeft afgewacht, houdt aan het einde vast aan één ding dat hij heeft vastgelegd, en dat is meestal precies wat hij niet wilde weten. Het bordje hangt er nog. Je hebt het zelf laten schrijven.
Centrale figuren in dit artikel:
Pilatus,
de man in de vergadering met zijn hand op de agenda,
de priesters bij het bordje
Bijbelgedeelten:
Johannes 18:28-32 (de Joden gaan niet naar binnen; Pilatus naar buiten);
Johannes 18:33-38 (ben jij de koning; ben ik soms een Jood; hiertoe ben ik geboren, om van de waarheid te getuigen; wie uit de waarheid is, hoort mijn stem; wat is waarheid; hij ging weer naar buiten; ik vind geen schuld);
Johannes 19:1-6 (zie, de mens; ik vind geen schuld, nogmaals);
Johannes 19:7-12 (hij werd nog banger; waar kom jij vandaan; Jezus gaf geen antwoord; macht van boven; geen vriend van de keizer);
Johannes 19:13-16 (hij zette zich op de rechterstoel; wij hebben geen koning dan de keizer);
Johannes 19:19-22 (het opschrift in drie talen; wat ik geschreven heb, heb ik geschreven)

