Door de nacht van strijd en zorgen
1 Door de nacht van strijd en zorgen
schrijdt de stoet der pelgrims voort,
zingend lied’ren van de morgen,
nu het nieuwe licht weer gloort.
2 Stralend wenken ons door ’t duister
glansen van ’t beloofde land.
Angsten wijken voor die luister,
en Gij grijpt de broederhand.
3 God is zelf vooraan geschreden.
Hij verlicht, verlost Zijn volk,
baant het pad, dat wij betreden,
en verjaagt de donk’re wolk.
4 Eén is ’t doelwit onzer gangen,
één ’t geloof dat nooit versaagt,
één ons vurig heilsverlangen,
één de hoop, die naar God vraagt.
5 Eén het lied, dat duizend lippen
heffen als met ene mond,
één de strijd, een de gevaren,
één het doel, in God gegrond.
6 Eén is ’t uitzicht van verblijden
aan de verre, eeuw’ge kust,
waar d’ Almacht’g’ ons heen wil leiden,
waar de ziel in vrede rust.
7 Voorwaarts dan, o reisgezellen!
Voort! Het kruis zij onze kracht.
Draagt Zijn smaad en laat u stellen
in Zijn dienst. Het moet volbracht!
8 Eens komt dan het groot ontwaken,
eens de zege op de dood.
Dan zal God een einde maken
aan ellend’ en alle nood.
Uit het Liedboek voor de Kerken gezang 459

