Evangelien getypeerd
Wanneer je de evangelien naast elkaar legt dan heeft elke evangelie een eigen karakter, een eigen invalshoek:
Marcus draait om catharsis.
Mattheüs draait om hypocrisie.
Lucas draait om de Weg.
Johannes draait om de Waarheid.

Marcus:
Marcus vertelt vier uitdrijvingen (1:21-28; 5:1-20; 7:24-30; 9:14-29), één melaatse (1:40-45), het reinheidsdebat (7:1-23) en de tempelreiniging (11:15-19). Lucas heeft evenveel uitdrijvingen en twee melaatsenverhalen, Mattheüs drie uitdrijvingen. In aantal wint Marcus dus niet.
Wat hem onderscheidt is de plaats. Het eerste publieke optreden van Jezus bij Marcus is een uitdrijving in de synagoge (1:21-28); zijn eerste woorden tegen een ander wezen dan zijn leerlingen zijn “Zwijg en ga uit”. Mattheüs laat precies dat verhaal weg en opent met de Bergrede; bij hem is de eerste daad onderwijs. Lucas houdt het verhaal, maar zet er eerst Nazareth voor (4:16-30). Alleen bij Marcus is het uitwerpen van het onreine de ouverture. Daar komt bij dat de uitdrijvingen bij Marcus ongeveer een kwart van al zijn wonderverhalen vormen, en dat de samenvattingen (1:32-34, 39; 3:11-12; 6:7, 13) steeds weer over demonen gaan. Het reinheidshoofdstuk 7 eindigt bovendien met de zin die alleen hij heeft: “zo verklaarde hij alle spijzen rein”. Marcus vertelt de reiniging als beweging die van de bezetene naar de tafel loopt. Dus: ja, maar het is dichtheid en dramaturgie, geen kwantiteit.
Marcus cirkelt om catharsis. Het woord staat nergens in zijn tekst, maar het stond in het hoofd van wie hem las: Romeinen en Grieken, midden in de joodse opstand, voor wie reiniging iets van binnen was, uit de tragedie en de filosofie. Marcus opent met een onreine geest die eruit moet, laat elf keer een onreine geest optreden, en verschuift in hoofdstuk 7 de onreinheid van de handen naar het hart. De strijd verhuist. Niet in de tempel, niet tegen Rome, maar in de mens. Het is een derde weg tussen religie en politiek; de belastingpenning snijdt de ene af, het handen wassen de andere.
Mattheüs:
Wat alleen Mattheüs heeft, het zogenoemde Sondergut, gaat opvallend vaak over de kloof tussen zeggen en doen, buiten en binnen. Aalmoezen, bidden en vasten in het verborgene (6:1-18); “niet ieder die Heer, Heer zegt” (7:21-23); de twee zonen, de een zegt ja en gaat niet, de ander zegt nee en gaat wel (21:28-32); de gast zonder bruiloftskleed (22:11-14); de zeven weeën over de gewitte graven (23, bij Marcus en Lucas hooguit een paar verzen); de schapen en de bokken, waar beide groepen vragen “wanneer hebben wij u gezien” en het oordeel valt op wat ze deden, niet op wat ze wisten (25:31-46). Ook bij overgenomen stof scherpt hij aan: bij de belastingvraag noemt alleen hij de vragers ὑποκριταί (22:18). Het is niet alleen een woord dat hij vaak gebruikt; het is de vorm van zijn eigen gelijkenissen. Van de vier is dit de stelling die je het makkelijkst hard maakt aan de hand van verhalen.
Mattheüs cirkelt om hypocrisie. Mattheüs gebruikt ὑποκριτής dertien keer waar de anderen hooguit drie halen, en zijn eigen gelijkenissen hebben dezelfde bouw: twee zonen die het omgekeerde doen van wat ze zeggen, een gast zonder bruiloftskleed, schapen en bokken die geen van beiden wisten wat ze deden. Zijn gemeente was net uit de synagoge gezet en kende de oude leraren van binnenuit. Wie de kloof tussen zeggen en doen zo scherp ziet, heeft er zelf in gestaan.
Geurt Henk Van Kooten legt in zijn boek ‘Echo’s van het Goede Nieuws, de evangeliën in context, toen en nu’ uit dat Mattheüs wordt gezien als een bewerking van Marcus voor joodse lezers rond het jaar 80, toen de tempel weg was en de vraag wie het jodendom voortzette op scherp stond. Wie de kloof tussen zeggen en doen zo scherp ziet, kijkt niet van buiten naar de synagoge maar van binnenuit.

Lucas:
Tien van de vierentwintig hoofdstukken (9:51–19:27) spelen onderweg naar Jeruzalem, met herhaalde markeringen dat Jezus “op weg” is (9:51, 57; 13:22; 17:11; 19:28). Marcus doet die reis in één hoofdstuk, Mattheüs in twee. En in dat reisblok zitten juist de verhalen die alleen Lucas heeft en die zelf over onderweg zijn gaan: de barmhartige Samaritaan (een weg, een overvallene, drie passanten), de verloren zoon (weggaan en terugkomen), Zacheüs (Jezus trekt door Jericho). Na de opstanding komt het enige verschijningsverhaal dat helemaal onderweg speelt: Emmaüs (24:13-35), alleen bij Lucas, met het “brandde ons hart niet toen hij onderweg met ons sprak”. En dan loopt het door in Handelingen, dat van Jeruzalem naar Rome loopt, met Filippus op de weg naar Gaza, Paulus op de weg naar Damascus (drie keer verteld), en de beweging die zichzelf “de Weg” noemt. Lucas vertelt niet veel verhalen over de weg; hij vertelt zijn hele boek als een weg.
Lucas is iets anders van aard, maar even sterk: niet het woord maar de plattegrond. Tien hoofdstukken onderweg, Emmaüs, en in Handelingen wordt “de Weg” letterlijk de naam van de beweging. Als je Lucas en Handelingen als één werk leest, wat hij zelf bedoelde, is er geen betere sleutel.
Lucas cirkelt om de Weg, en Van Kooten preciseert: de weg van de vrede. Het is Zacharias die het woord als eerste in de mond neemt, “om onze voeten te richten op de weg van de vrede” (1:79), en Lucas houdt het vol tot het einde: de engelen bij de herders, de leerlingen bij de intocht die “vrede in de hemel” roepen, Jezus die over Jeruzalem weent omdat het niet ziet “wat tot uw vrede dient” (19:42, alleen bij Lucas), en de Opgestane die binnenkomt met “vrede zij u”. Vrede staat veertien keer bij Lucas, tegen vier bij Mattheüs en één bij Marcus. En de weg is een reis door de wereld: van de volkstelling van Augustus in hoofdstuk 2 tot Paulus in Rome aan het einde van Handelingen loopt één lijn, van keizer naar keizer, dwars door de Pax Romana heen. Lucas schrijft het laatst, rond het jaar 100 bij Van Kooten, voor lezers die het rijk als hun wereld kennen, en zet daar een andere vrede tegenover die niet vanuit Rome komt maar erheen onderweg is. Tien hoofdstukken op weg naar Jeruzalem, de Samaritaan op de weg naar Jericho, Emmaüs waar het hart brandt terwijl iemand onderweg spreekt, en een beweging die zichzelf “de Weg” gaat noemen: bij Lucas is de weg geen thema, het is de vorm van het boek, en de vrede is waar de weg heen gaat.
Johannes:
Johannes heeft geen gelijkenissen en geen uitdrijvingen. Wat hij wel heeft zijn lange dialogen die stuk voor stuk draaien om wat werkelijk is en wat schijn: Nicodemus (3), de Samaritaanse vrouw, “in geest en waarheid” (4), het conflict in hoofdstuk 8 dat culmineert in “de waarheid zal u vrijmaken” en “uw vader is de leugenaar”, de afscheidsredes met de Geest der waarheid (14–16), het hogepriesterlijk gebed “heilig hen in de waarheid” (17), en Pilatus’ “wat is waarheid” (18:38). Daar hoort de hele rechtszaal-taal bij: getuigen en getuigenis komen bij Johannes 47 keer voor, bij de drie anderen samen 7 keer. Het vierde evangelie is opgebouwd als proces: wie getuigt, wie oordeelt, wat is echt. Zelfs de wonderen heten bij hem geen krachten maar tekenen, σημεῖα, dingen die naar iets verwijzen dat erachter ligt. Dus: Johannes heeft het niet veel over de waarheid in verhalen, hij laat mensen erover in gesprek gaan, en het gesprek zelf is het verhaal.
Johannes cirkelt om de Waarheid. Johannes gebruikt de waarheidsgroep 55 keer tegen 5, 6 en 7, en bouwt zijn boek als een rechtszaak met getuigen. Dat zijn geen interpretaties, dat zijn de woorden die de evangelisten zelf hebben gekozen.
Geurt Henk Van Kooten leest het boek van Johannes als een toneel: de Logos wordt vlees en betreedt het podium van het leven, en de lezer zit in de zaal. Johannes zegt dat zelf in zijn proloog. “Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd”, het werkwoord waar theater van komt: wij hebben toegekeken. Zijn hele boek is zo gebouwd. “Kom en zie” bij de eerste leerlingen, de Grieken die “Jezus willen zien”, de blindgeborene, de ooggetuige onder het kruis die verklaart dat zijn getuigenis waar is. Wat hij niet vertelt zijn gelijkenissen; wat hij opvoert zijn scènes met twee spelers, Nicodemus in de nacht, de vrouw bij de put, Pilatus die vraagt wat waarheid is en het antwoord al voor zich heeft staan. De waarheid is bij Johannes geen leer maar een persoon die je kunt zien, en de vraag aan de toeschouwer is niet of hij het begrijpt, maar of hij het herkent.

Kort samengevat:
Catharsis: Marcus laat het zien,
Hypocrisie: Mattheüs vertelt het,
De Weg: Lucas loopt het,
De Waarheid: Johannes zegt het.
Kortom: de stellingen over Lucas en Mattheüs kun je met verhalen bewijzen; die over Marcus met plaatsing en dichtheid; die over Johannes met de vorm van zijn boek.

Marcus — catharsis

GEDEELTEN:
– 1:21-28 — de bezetene in de synagoge van Kafarnaüm; eerste publieke optreden
– 1:32-34, 39 — samenvatting: hij dreef veel demonen uit
– 1:40-45 — de melaatse: “ik wil het, word rein”
– 3:11-12, 22-30 — de onreine geesten herkennen hem; het Beëlzebul-debat, de lastering tegen de Geest (“hij heeft een onreine geest”, 3:30)
– 5:1-20 — de bezetene van Gerasa, Legio, de zwijnen
– 5:21-43 — de bloedvloeiende vrouw en het dochtertje van Jaïrus (twee onreinheden volgens Leviticus: bloed en dood)
– 6:7, 13 — de twaalf krijgen macht over de onreine geesten
– 7:1-23 — rein en onrein: handen wassen, wat van binnen komt, “zo verklaarde hij alle spijzen rein”
– 7:24-30 — de Syrofenicische vrouw, haar dochter met een onreine geest
– 9:14-29 — de jongen met de stomme geest, “dit soort gaat alleen uit door gebed”
– 11:15-19 — de tempelreiniging
Mattheüs — hypocrisie

GEDEELTEN:
– 6:1-18 — aalmoezen, gebed en vasten in het verborgene; “uw Vader die in het verborgene ziet”
– 7:1-5 — de splinter en de balk
– 7:15-23 — valse profeten, aan de vruchten kennen; “niet ieder die Heer, Heer zegt”
– 15:1-20 — de overlevering van de ouden; “dit volk eert mij met de lippen”
– 21:28-32 — de twee zonen: ja zeggen en niet gaan, nee zeggen en wel gaan (alleen Mattheüs)
– 22:1-14 — de gast zonder bruiloftskleed (alleen Mattheüs)
– 22:15-22 — de belastingpenning; alleen hier heten de vragers ὑποκριταί
– 23:1-36 — de zeven weeën; “gewitte graven”; “zij zeggen het en doen het niet”
– 24:45-51 — de ontrouwe dienaar, “zijn deel bij de huichelaars”
– 25:1-13 — de wijze en dwaze meisjes: dezelfde lampen, verschil van binnen
– 25:31-46 — schapen en bokken: beide groepen vragen “wanneer hebben wij u gezien”
Lucas — de Weg

GEDEELTEN:
– 1:76-79 — Zacharias: “om zijn wegen te bereiden”, “onze voeten te richten op de weg van de vrede”
– 2:41-52 — de twaalfjarige Jezus, ouders “een dagreis” onderweg
– 3:4-6 — Johannes de Doper: “bereidt de weg”, Lucas citeert Jesaja langer dan de anderen
– 9:51 — “hij richtte zijn gezicht naar Jeruzalem”; begin van het reisverhaal
– 9:51–19:27 — het reisverhaal, met de markeringen 9:57; 13:22; 17:11; 18:31; 19:28
– 9:57-62 — drie mensen die onderweg willen volgen
– 10:1-12 — uitzending van de zeventig, “groet niemand onderweg”
– 10:25-37 — de barmhartige Samaritaan, de weg van Jeruzalem naar Jericho
– 10:38-42 — Martha en Maria, “terwijl zij onderweg waren”
– 13:22-30 — “hij trok door steden en dorpen, op weg naar Jeruzalem”; de nauwe deur
– 15:11-32 — de verloren zoon: weggaan, terugkeren, “toen hij nog ver weg was”
– 17:11-19 — de tien melaatsen, “op weg naar Jeruzalem, door Samaria en Galilea”
– 18:35-43 — de blinde bij Jericho, “langs de weg”
– 19:1-10 — Zacheüs, Jezus trekt door Jericho
– 19:28-40 — de intocht, “zij spreidden hun kleren op de weg”
– 24:13-35 — Emmaüs: “brandde ons hart niet toen hij onderweg met ons sprak”, “wat er onderweg gebeurd was”
– Handelingen 8:26-40 — Filippus en de Ethiopiër op de weg naar Gaza
– Handelingen 9:1-19; 22:6-11; 26:12-18 — Paulus op de weg naar Damascus, drie keer verteld
– Handelingen 18:24-26 — Apollos, “de weg van de Heer”, “de weg van God nauwkeuriger uitgelegd”
– Handelingen 27–28 — de zeereis naar Rome
Johannes — de Waarheid

GEDEELTEN:
– 1:1-18 — proloog: “vol van genade en waarheid”, “de wet door Mozes, de genade en de waarheid door Jezus Christus”, “het waarachtige licht”
– 1:19-34 — het getuigenis van Johannes de Doper
– 3:1-21 — Nicodemus: “wie de waarheid doet, komt tot het licht”
– 4:1-42 — de Samaritaanse vrouw: “in geest en waarheid”; “wij weten dat hij werkelijk de redder van de wereld is”
– 5:31-47 — de getuigen: Johannes, de werken, de Vader, de Schriften
– 6:22-59 — het brood des levens: “het ware brood”, “mijn vlees is waarlijk spijs”
– 7:14-52 — twist in Jeruzalem: is hij werkelijk de Christus, de profeet?
– 8:12-59 — “mijn getuigenis is waar”; “de waarheid zal u vrijmaken”; “uw vader de duivel, in hem is geen waarheid”; “omdat ik de waarheid zeg, gelooft u mij niet”
– 9:1-41 — de blindgeborene: een verhoor, wie ziet en wie niet ziet
– 14:1-31 — “ik ben de weg, de waarheid en het leven”; “de Geest der waarheid”
– 15:1-27 — “ik ben de ware wijnstok”; de Geest der waarheid die getuigt
– 16:4-15 — “hij zal u in de hele waarheid leiden”
– 17:1-26 — “dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, de enige waarachtige God”; “heilig hen in de waarheid, uw woord is de waarheid”
– 18:28–19:16 — voor Pilatus: “hiertoe ben ik geboren, om van de waarheid te getuigen”; “wat is waarheid?”
– 19:35 — de ooggetuige bij het kruis: “zijn getuigenis is waar”
– 21:24 — slot: “wij weten dat zijn getuigenis waar is”
