Geloofsontwikkeling (Fritz Oser & Paul Gmünder)
Van Egypte tot Kanaän — Geloofsontwikkeling als Exodus
Geloofsontwikkeling is een complex en dynamisch proces, waarin mensen op verschillende momenten en op verschillende manieren hun relatie met het goddelijke beleven en vormgeven. Fritz Oser en Paul Gmünder hebben dit proces in kaart gebracht met een model waarin ze zeven fasen onderscheiden, die variëren van een nog onbewust of magisch-religieus bewustzijn tot een universele, mystieke spiritualiteit. Dit model biedt waardevolle inzichten voor het begrijpen van persoonlijke geloofsgroei, maar ook van de manier waarop gemeenschappen en kerkelijke stromingen zich verhouden tot hun geloofstraditie.
Tegelijkertijd biedt het Bijbelse verhaal van de Exodus een krachtig en tijdloos kader om deze innerlijke en uiterlijke geloofsreis te verbeelden. Het volk Israël wordt daarin bevrijd uit slavernij in Egypte, trekt door de woestijn, ervaart beproevingen en ontmoetingen met God bij de Sinaï, om uiteindelijk het beloofde land Kanaän binnen te gaan. Deze reis is niet alleen een historisch of religieus verhaal, maar ook een diep symbolisch narratief over bevrijding, vertrouwen, worsteling en groei naar volwassenheid. Wil je hier veel meer over weten dan kun je mijn boek in wording lezen: Exodus: spiegel voor persoonlijke ontwikkeling
In dit artikel verbind ik het model van Oser en Gmünder met de fasen van de Exodusreis. Ik laat zien hoe geloofsontwikkeling zich vertaalt naar deze bijbelse context, en hoe verschillende kerkelijke stromingen en geloofspraktijken zich kunnen herkennen in de diverse stadia van deze spirituele tocht. Zo ontstaat een rijk, meervoudig perspectief op geloof als een levensweg — een reis van gebondenheid en afhankelijkheid naar innerlijke vrijheid, verantwoordelijkheid en verbondenheid.
Het doel van dit artikel is om geloof niet alleen cognitief te begrijpen, maar het ook ervaarbaar en herkenbaar te maken als een proces van bevrijding en volwassenheid. Dit kan helpen om meer compassie en begrip te ontwikkelen voor waar mensen zich bevinden in hun geloof, en hoe gemeenschappen ruimte kunnen bieden voor groei en transformatie.
Het model van Oser en Gmünder
De Zwitserse godsdienstpsychologen Fritz Oser en Paul Gmünder hebben in hun onderzoek naar religieuze ontwikkeling een baanbrekend model opgesteld, gebaseerd op de structurele ontwikkelingspsychologie van Piaget. In plaats van geloof te zien als een vaste inhoud of als een keuze voor wel of niet geloven, beschouwen zij het als een ontwikkelingsproces: een manier waarop mensen steeds dieper, breder en persoonlijker leren omgaan met religieuze vragen en met het geheim van het leven, dat veel mensen aanduiden als “God”.
Hun model beschrijft zes (en soms zeven) stadia van religieus oordeel – van een magisch of mythisch godsbeeld tot een universeel en mystiek bewustzijn waarin dualiteiten (zoals mens–God, goed–fout) overstegen worden. Elk stadium vertegenwoordigt een manier waarop iemand de relatie tot het goddelijke begrijpt, beleeft en hanteert. De overgang tussen stadia verloopt zelden vanzelf; vaak gaat dit gepaard met innerlijke crisis, twijfel of confrontatie met nieuwe inzichten.
De fasen in het kort:
Stadium 0 – Pre-religieus bewustzijn: er is nog geen besef van God als zelfstandige werkelijkheid.
Stadium 1 – Deus ex machina: God is een machtige figuur buiten de mens die straft of beloont.
Stadium 2 – Wederkerigheid: God is beïnvloedbaar; wie goed doet, krijgt goed terug.
Stadium 3 – Autonomie: God is abstract en op afstand; religie is rationeel of moreel.
Stadium 4 – Gemedieerde autonomie: de mens kiest bewust voor leven in relatie tot het goddelijke.
Stadium 5 – Intersubjectiviteit: er is sprake van wederzijdse relatie, verbondenheid, compassie.
Stadium 6 (hypothetisch) – Mystieke eenheid of universeel bewustzijn: dualiteit valt weg; God en mens zijn niet meer gescheiden.
Elke fase telt: de ziel groeit stap voor stap
Het model van Oser en Gmünder wordt soms gelezen als een hiërarchische ladder — hoe verder je komt, hoe ‘beter’ je zou geloven. Maar die lezing doet geen recht aan de eigen waarde van elke fase. Geen enkel stadium is overbodig. Sterker nog: elke fase is van essentieel belang, juist omdat ze een noodzakelijke bedding vormt voor de volgende stap. Wat in een vroeg stadium nog onbewust of kinderlijk lijkt, blijkt achteraf vaak een schatkamer van opgeslagen betekenis te zijn.
De ziel groeit niet door fasen over te slaan, maar juist door elke fase ten volle te doorleven. In elke fase leren we iets wat nergens anders geleerd kan worden: vertrouwen, gehoorzaamheid, onderscheid, verantwoordelijkheid, overgave. Dit maakt het model niet alleen analytisch bruikbaar, maar ook pastoraal van aard, compassievol van toon en wijs in zijn benadering van geloof als levensreis.
Voor wie zelf onderweg is, kan dit model bemoediging en herkenning bieden. En voor wie anderen begeleidt — als ouder, pastor, leerkracht of vriend — biedt het ruimte om met mildheid te kijken naar de fase waarin iemand zich bevindt.
Dit model is in eerste instantie cognitief en psychologisch bedoeld, maar het heeft grote spirituele en theologische waarde. Het helpt om te begrijpen waarom mensen op zo verschillende manieren geloven, en hoe geloof zich kan ontwikkelen van externe afhankelijkheid tot innerlijke vrijheid en verbondenheid.

Exodus als spirituele metafoor
Het Bijbelse verhaal van de Exodus — de tocht van het volk Israël uit Egypte naar het Beloofde Land — is meer dan een historisch narratief. Het is een spiritueel reisverhaal dat de innerlijke weg van de mens weerspiegelt: van gebondenheid naar bevrijding, van angst naar vertrouwen, van afhankelijkheid naar volwassenheid. De etappes van deze reis — in Egypte, uit Egypte, in de woestijn, bij de Sinaï, op weg naar Kanaän, in Kanaän komen en daar leven — vormen krachtige metaforen voor de verschillende stadia die Oser en Gmünder beschrijven.
Stadium 0: Voorbewustzijn – In Egypte
a. Wat zeggen Oser & Gmünder?
Stadium 0 is het voorstadium van religieus oordeel. Hier is nog geen sprake van een zelfstandig godsbeeld of moreel-religieuze reflectie. Het kind (of de volwassene) leeft in een wereld waarin alles met alles verbonden is, zonder onderscheid tussen wat natuurlijk is of bovennatuurlijk. God is een naam, een verhaal, een macht – maar nog geen Persoon of stem. In deze fase wordt religieuze ervaring vaak via de omgeving meegekregen: symbolen, rituelen, liederen, zinnen, verhalen. Het geloof “leeft via de gemeenschap”, niet via de individuele beleving.
Dit stadium komt vooral voor bij jonge kinderen, maar ook bij volwassenen die nooit een persoonlijke geloofsontwikkeling hebben doorgemaakt. Er is sprake van overgeleefd geloof: het systeem leeft via de mens, niet andersom.
b. Wat laat de Exodus ons zien?
De Israëlieten leven in slavernij in Egypte. Ze zijn ingebed in een systeem dat hen onderdrukt, maar ook in stand houdt. Ze hebben geen stem, geen zicht op alternatieven, en weten nauwelijks wie hun God is. Toch is het volk niet leeg: het draagt verhalen met zich mee, herinneringen aan voorouders, vage kennis van Abraham, Isaak en Jakob. Mozes wordt geroepen, en pas dan begint het verlangen naar bevrijding te ontkiemen.
“Wie is deze God?” (Exodus 3:13) – is de vraag die het einde van deze fase inluidt.
c. Wat leert dit ons samen?
We beginnen allemaal ergens. Voor velen is het geloof aanvankelijk niet meer dan een vorm, een gewoonte, een culturele bedding. Er is nog geen reflectie, maar wel inprenting. Diep in de mens wordt het fundament gelegd waarop latere fases kunnen bouwen. In het pastoraat of onderwijs is het belangrijk deze fase te herkennen zonder haar te veroordelen: iemand is niet “minder gelovig” omdat het geloof nog geen eigen vorm heeft gekregen.
Vraag: Wat leeft er in mij dat misschien nog geen woorden heeft gekregen, maar wel een wortel vormt?
d. Wat is het kostbare van deze fase?
Hoewel deze fase oppervlakkig lijkt, is ze onmisbaar. In deze vroege vorming wordt de taal van het geloof geleerd: de verhalen, gebaren, liederen, zinnen en symbolen die later — als het bewustzijn rijper wordt — betekenis zullen krijgen. Wat in deze fase onbewust wordt opgeslagen, vormt het innerlijk landschap waarin later vertrouwen, verbondenheid en spiritueel verlangen kunnen opbloeien.
Deze fase plant het zaad dat nog geen boom is, maar zonder dat zaad groeit er niets.
Stadium 1: Deus ex machina – Uittocht uit Egypte
a. Wat zeggen Oser & Gmünder?
Stadium 1 wordt gekenmerkt door het geloof in een externe, almachtige God die actief ingrijpt in het leven. Deze God straft het kwaad en beloont het goede. Relatie met God wordt gezien in termen van gehoorzaamheid, afhankelijkheid en morele duidelijkheid. De mens is nog niet autonoom in zijn geloof, maar leeft onder het gezag van een hogere macht.
God is “daarboven”, een macht buiten onszelf die het leven stuurt en oordeelt.
Deze fase biedt veel zekerheid en structuur. Het is helder wat goed is en wat fout, en wat God van je vraagt. Veel gelovigen blijven (lang) in deze fase, vaak binnen kerkelijke contexten waarin de nadruk ligt op het gezag van de Schrift, zondebesef, bekering en gehoorzaamheid.
b. Wat laat de Exodus ons zien?
Het volk Israël wordt bevrijd uit Egypte door een reeks krachtige en dramatische ingrepen van God. De tien plagen zijn niet willekeurig: ze zijn noodzakelijk om het volk los te weken uit een systeem van onderdrukking. Het bloed aan de deurposten vraagt een bewuste keuze: een handeling van gehoorzaamheid en overgave aan God, een symbolisch teken van vertrouwen. En uiteindelijk is daar het splijten van de Rode Zee, waarin God letterlijk een pad maakt waar geen pad was.
In deze fase laat God zich kennen als machtige Bevrijder én Rechter. Hij treedt op tegen onrecht, Hij eist ruimte op voor zijn volk, Hij oordeelt over het kwaad — én Hij leidt het volk naar vrijheid. Tegelijk is het volk nog niet autonoom in zijn geloof: het ondergaat de gebeurtenissen, volgt Mozes en handelt vaak uit angst of hoop, niet uit innerlijk inzicht.
God toont zich in deze fase als soeverein, almachtig, en moreel absoluut. Er is nog geen plaats voor wederkerigheid of nuance; het volk moet leren: Deze God is te vertrouwen — én te vrezen.
“De HEER streed voor Israël…” (Exodus 14:14)
“Wees niet ongehoorzaam aan Hem, want Hij vergeeft je opstand niet.” (Exodus 23:21)
c. Wat leert dit ons samen?
Deze fase herinnert ons eraan dat vertrouwen vaak begint met afhankelijkheid. Wanneer mensen de realiteit van het kwaad of de gebrokenheid van hun leven onder ogen zien, ontstaat er verlangen naar bevrijding — en dus naar een God die sterker is dan zijzelf. In stadium 1 is God nog niet intiem of nabij, maar vooral machtig en moreel dwingend. Dat lijkt misschien een hard godsbeeld, maar het biedt tegelijk duidelijkheid, richting en veiligheid.
In deze fase ontstaat een fundament: het idee dat God optreedt, dat Hij niet onverschillig is, dat er een richtlijn is in het leven. Het verhaal van Israël leert ons dat mensen deze fase vaak doormaken in tijden van crisis, bekering of radicale omkeer. Het volk vertrouwt nog niet vanuit innerlijke overtuiging, maar vanuit ervaring: ze zien wat God doet, en leren daarop reageren.
Voor kerken en geloofsgemeenschappen die sterk leunen op dit stadium is het belangrijk om te erkennen dat deze fase krachtig en wezenlijk is, maar ook niet het eindpunt hoeft te zijn. Wie in deze fase blijft hangen, loopt het risico dat gehoorzaamheid verhardt tot angst, en dat God meer Rechter blijft dan Redder. Maar wie deze fase doorleeft met open hart, vindt een vaste grond waarop verder gebouwd kan worden.
Vraag: Ben ik in mijn geloof vooral gericht op Gods macht — of ook op zijn nabijheid?
d. Wat is het kostbare van deze fase?
Het waardevolle van deze fase is dat de mens hier de werkelijkheid van God als kracht en richtinggevende aanwezigheid leert kennen. Het is de fase waarin een mens (of een volk) gebroken banden durft los te laten, op zoek naar een nieuwe identiteit. Zonder deze eerste bevrijding blijft de ziel in slavernij.
Ook het ritmische, bijna liturgische karakter van deze fase is belangrijk: het bloed aan de deurposten, het oversteken van de zee, het zingen van het overwinningslied aan de oever (Exodus 15) — dit zijn symbolische handelingen die in de ziel gegrift worden. Ze geven het geloof lichaam, ritme en herinnering.
Wat hier geleerd wordt, blijft in het geheugen van de ziel aanwezig:
“Toen de Heer mij bevrijdde… Toen ik voor het eerst wist dat Hij mij zag… Toen Hij ingreep.”
Deze fase leert je: er is een God, en Hij doet ertoe. Dat besef is de eerste vonk van volwassen geloof.
Stadium 2: Wederkerigheid – Woestijn
a. Wat zeggen Oser & Gmünder?
Stadium 2 wordt gekenmerkt door een religieus bewustzijn waarin de relatie met God begrepen wordt als wederkerig en transactioneel. God is niet meer enkel de almachtige die beveelt, maar ook degene die geeft als je gehoorzaamt. Het denken is sterk moreel: goed gedrag wordt beloond, slecht gedrag bestraft.
Mensen in deze fase onderhandelen met God:
“Als ik goed leef, dan zal God mij beschermen.”
“Waarom helpt God mij niet, terwijl ik zo trouw bid?”
Deze fase komt veel voor in religieuze opvoeding, volksdevotie en vormen van voorspoedtheologie. Er is sprake van groeiend persoonlijk godsbesef, maar het blijft voorwaardelijk en afhankelijk van controle en zekerheid.
b. Wat laat de Exodus ons zien?
Na de uittocht belandt het volk in de woestijn – een onzekere, ruwe tussenruimte waarin oude zekerheden zijn weggevallen, maar het beloofde land nog niet in zicht is. Hier begint het volk te klagen, mopperen, vragen stellen:
“Waarom hebt U ons uit Egypte geleid?”
“Waar is water, waar is brood?”
“Waar is God nu?”
Ze worden gevoelig voor angst en verlangen. Als God hen iets geeft (manna, water, kwakkels), is er dankbaarheid. Maar als het tegenzit, zijn ze boos en ongeduldig.
De relatie met God is in deze fase wankel: men verwacht bescherming en beloning voor gehoorzaamheid, maar ervaart frustratie als dat uitblijft. Ook Mozes wordt bevraagd:
“Waarom heb jij ons hierheen gebracht?”
Dit is de fase van spirituele puberteit: veel emoties, veel verwachtingen, veel onzekerheid.
c. Wat leert dit ons samen?
Deze fase is voor velen herkenbaar: het moment waarop God niet meer alleen machtig is, maar ook persoonlijk betrokken lijkt — als Hij tenminste doet wat je hoopt. Er is sprake van groei: er wordt gebeden, gehoopt, gezocht. Maar de relatie is nog instrumenteel. God is vaak nog een soort hemelse ouder, rechter of leverancier van antwoorden.
Toch is deze fase belangrijk. Het is de plek waar vragen geboren worden, waar persoonlijk verlangen naar God begint te groeien, zelfs als het nog voorwaardelijk is. Voor veel mensen zijn momenten van crisis of teleurstelling in deze fase bepalend: ze voelen dat hun “oude godsbeeld” niet meer werkt — en dat kan het begin zijn van verdieping.
Voor kerken en gemeenschappen die in deze fase opereren (bv. charismatische of devotionele stromingen), is het belangrijk om ruimte te geven aan vragen en twijfel, en mensen te begeleiden in het omgaan met Gods stilte of afwezigheid.
Vraag: Hoe ga ik om met God als Hij niet doet wat ik verwacht?
d. Wat is het kostbare van deze fase?
Het bijzondere van deze fase is dat de mens begint te zoeken. Dit is niet langer het blinde volgen van Mozes of de almachtige God, maar een eerste, vaak ongemakkelijke beweging van de ziel die durft te vragen, te klagen en te hopen.
In de woestijn leert het volk het verschil tussen verlangen en verwachting. Ze oefenen vertrouwen in een God die niet voorspelbaar is. Ze ontdekken hun eigen honger, hun angst, hun afhankelijkheid — én hun verlangen naar meer dan alleen wonderen.
Deze fase plant het zaad van innerlijke relatie: God als Iemand bij wie je mag aankloppen, klagen en wachten — niet alleen als gever van cadeaus, maar als aanwezige in de leegte.
Het is kostbaar dat mensen in deze fase leren bidden: niet altijd rijp, soms kinderlijk, maar wel echt. Ze roepen, hopen, vragen — en dat is al een vorm van contact.
Zonder woestijn is er geen land van belofte.
Stadium 3: Autonomie – Sinaï
a. Wat zeggen Oser & Gmünder?
In Stadium 3 wordt religie gekenmerkt door rationele ordening en moreel bewustzijn. God is nog steeds aanwezig, maar meer op afstand – als principe, als wet, als moreel referentiepunt. Mensen nemen steeds meer autonomie op: ze willen begrijpen, verklaren, structureren.
Het geloof wordt dan minder een persoonlijke relatie, en meer een ethisch systeem of wereldbeschouwing. De nadruk ligt op verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid, maatschappelijke betrokkenheid en persoonlijke ontwikkeling. Dit stadium komt veel voor in vrijzinnige theologie, in seculier-humanistische interpretaties van religie, en bij mensen die religie willen “doordenken” in plaats van “voelen”.
God is hier vaak de ‘grond van het zijn’, een abstract ideaal, eerder dan een persoonlijke Nabije.
b. Wat laat de Exodus ons zien?
Bij de Sinaï krijgt het volk de Tien Woorden: morele en spirituele richtlijnen die hen moeten helpen om werkelijk vrij te worden — niet alleen van Egypte, maar ook van hun innerlijke slavernij.
Tegelijk ontstaat daar een spiritueel vacuüm. Mozes is op de berg, God spreekt niet direct, en het volk grijpt terug op het oude: het Gouden Kalf, een symbool van de godsbeelden uit fase 1 en 2. Die worden echter vernietigd: wat werkte in het verleden, houdt hier geen stand.
God is nu heilig, onbenaderbaar, omsloten door wolk en vuur. Hij spreekt via geboden, via structuren. Zijn nabijheid wordt geordend in ruimte (tabernakel), tijd (sabbat), en gedrag (wetten). Hij wordt zichtbaar in de wolkkolom en de vuurkolom, niet meer in wonderen of stem.
Dit is de fase waarin God vorm krijgt in woorden, niet meer in macht.
c. Wat leert dit ons samen?
Deze fase kan voelen als afstandelijk: het emotionele vuur van fase 1, het vragende hart van fase 2 — beide lijken gedoofd. Maar dat is schijn. Wat hier gebeurt, is dat het geloof wortelt in volwassen keuzes en eigenaarschap.
God wordt niet meer gevraagd om gunsten, maar geëerd als richtinggevende aanwezigheid. Het gaat nu om trouw, om verantwoordelijkheid, om het vinden van een plek in de samenleving waar gerechtigheid en liefde zichtbaar worden.
Velen die in eerdere fasen teleurgesteld zijn geraakt in een God die “niet ingreep”, vinden hier een geloof dat houdbaar is. God als Stilte, als Richting, als Licht. En tegelijk: wie in deze fase blijft hangen zonder verder te gaan, kan blijven steken in rationalisme of kil idealisme.
Vraag: Durf ik God ook te vertrouwen als Hij niet meer spreekt, maar enkel aanwezig is in richting en stilte?
d. Wat is het kostbare van deze fase?
Het unieke en kostbare van deze fase is dat hier het geloof zijn structuur en stevigheid krijgt. Niet meer drijvend op gevoel of beloning, maar op innerlijke overtuiging en gedragen verantwoordelijkheid. Hier wordt de morele identiteit van de gelovige geboren.
Wat God in deze fase schenkt, zijn woorden om vrij te blijven. Geen slavernij aan stemmen van buitenaf, geen angst voor straf of hunkering naar gunst, maar een innerlijk kompas dat voedt en richting geeft.
En toch: deze fase is niet het einde. De tabernakel reist mee. De wolkkolom beweegt. De Tien Woorden blijven aanwezig, maar God blijft onderweg. Wie hier blijft staan, krijgt helderheid — maar misschien geen warmte meer. Daarom is het kostbaar dat deze fase doorleefd, maar niet versteend wordt.
Hier wordt God geen afbeelding meer, maar richting. Geen systeem, maar stem.
En de ziel leert: vrijheid vraagt vorm.
Stadium 4: Gemedieerde autonomie – Uit de woestijn gaan
a. Wat zeggen Oser & Gmünder?
In stadium 4 maakt de gelovige de stap van rationele autonomie naar een bewuste en persoonlijke relatie met het goddelijke. Het geloof wordt niet langer ervaren als een set regels of als een ruilspel, maar als een innerlijke, levende verbondenheid.
De mens ontwikkelt een innerlijk kompas: waarden, intuïties en gewetensbesef die voortkomen uit een diep contact met God. Religie is hier niet institutioneel gebonden maar meer individueel en relationeel. Er is ruimte voor twijfel, voor mysterie, voor groei.
Dit stadium kenmerkt zich door vrijheid en verantwoordelijkheid, en een zoektocht naar authenticiteit in het geloofsleven. Het is de fase van de geestelijke volwassenheid waarin men het geloof eigen maakt en persoonlijk integreert.
b. Wat laat de Exodus ons zien?
Het volk is op weg naar het Beloofde Land, weg uit de woestijn, na het ontvangen van de woorden op de Sinaï. Ze zijn onderweg, vrij maar nog niet helemaal thuis.
In deze fase leren zij te vertrouwen op de innerlijke leiding die God geeft via de wolk en het vuur, een symbool voor een voortdurende, persoonlijke relatie. De tabernakel reist mee, maar het gaat niet alleen om rituelen, wetten of uiterlijke geboden — het gaat om het leren luisteren naar de stem van God binnenin.
Ze zijn op weg naar het land, hun eigen plek, dat beloofd is, maar de tocht vraagt doorzettingsvermogen, vertrouwen en openheid. Het is een tocht van volwassenheid waarin ze niet meer alleen volgen, maar zelf leren zien en kiezen.
c. Wat leert dit ons samen?
Deze fase nodigt uit om het geloof te integreren in het eigen leven, vanuit eigen ervaring, inzichten en intuïties. Het is een uitnodiging om God te ervaren als innerlijke aanwezigheid, en te leven vanuit een vrije en bewuste keuze voor die relatie.
Het betekent ook dat het geloof niet altijd helder of eenduidig is, maar dat er ruimte is voor spanning, zoeken en groei. De mens neemt zelf verantwoordelijkheid, wordt zich bewust van zijn eigen innerlijke levensrichting en kiest voor een pad dat aansluit bij zijn diepste waarden.
Kerken en instellingen hebben hier minder vat op; de gelovige zoekt eerder persoonlijke begeleiding, authentieke ontmoetingen en inspiratie vanuit diverse bronnen.
Vraag: Hoe luister ik naar mijn innerlijk kompas?
d. Wat is het kostbare van deze fase?
Het kostbare van deze fase is de ontwaking van de innerlijke vrijheid. De mens ervaart God niet langer als een macht buiten zichzelf, maar als een kracht die in hem leeft en werkt. Dit opent de deur naar diepe verbondenheid, compassie en persoonlijke groei.
Hier wordt het geloof een levend proces van ontdekken, van vallen en opstaan, van zoeken en vinden. Het is geen vaststaand systeem, maar een voortdurende dans tussen het menselijke en het goddelijke.
Dit stadium schenkt moed en hoop: het is de fase waarin het hart spreekt, waar authenticiteit en integriteit centraal staan. En het herinnert ons eraan dat geloof geen doel is dat wordt bereikt, maar een reis die steeds verder gaat.
Intermezzo
Vanaf nu is het zeldzaam dat mensen hier komen. Wisten we dat maar 1 op de 6 Hebreeen daadwerkelijk Egypte, de slavernij, verlaten. Die 1/6 is nog een redelijk getal. Alleen Jozua en Kaleb zijn daadwerkelijk aangekomen in het Beloofde Land uit de oorspronkelijke generatie volwassenen die uit Egypte vertrok. De rest stierf in de woestijn tijdens de 40 jaar omzwerving, omdat ze niet vertrouwd hadden op Gods leiding (Numeri 14:29-30).
Deze persoonlijke geloofsontwikkelingsreis is dus niet eenvoudig.
1. Het vraagt overgave zonder houvast
De behoefte valt weg om God te controleren, te begrijpen of vast te grijpen. Er is geen systeem, geen zekerheid, geen “zo moet het” meer.
Dat vraagt een groot loslaten van ego, zekerheid en zelfbescherming — iets wat voor de meeste mensen (begrijpelijk) moeilijk is.
2. De route ernaartoe is lang en pijnlijk
Om hier te komen moet je werkelijk alle eerdere fasen doorleven. Niet overslaan, niet ontkennen. Je moet Gods macht leren vertrouwen (fase 1), de stilte en frustratie in de woestijn uithouden (fase 2), het vacuüm bij de Sinaï overleven (fase 3), en je eigen hart leren volgen (fase 4).
Dat betekent: verlies, ontgoocheling, crisis, innerlijke strijd — niet iedereen durft of wil die reis volhouden. En dat is begrijpelijk.
3. Onze cultuur stuurt er niet op aan
Wij leven in een wereld die gericht is op zekerheid, controle, succes en duidelijkheid. Dat is stadium 1.
Stadium 5 en 6 zijn daar radicaal anders in:
– Geen meetbare prestatie
– Geen institutionele structuur
– Geen eenduidige leer
Deze fase gedijt het best in stilte, eenvoud, gemeenschap, rust. En dat zijn geen populaire waarden in onze prestatiegerichte maatschappij.
4. Institutionele religie ondersteunt het zelden
Kerken zijn vaak ingericht om mensen te vormen, beschermen, structureren — dat is waardevol, vooral in eerdere fasen. Maar stadium 5 en 6 vraagt juist om loslaten van systemen en vertrouwen op de Geest.
Veel mensen in stadium 5 verlaten de kerk niet uit afkeer, maar uit innerlijke consequentie. Ze kunnen niet meer anders.
5. Het is moeilijk zichtbaar
Mensen in deze fase roepen niet, evangeliseren niet, organiseren niet. Ze leven eenvoudig, vaak verborgen, in kleine kring of stilte.
Daardoor lijkt deze fase zeldzaam, maar ze is er wél — in kloosters, bij oude zielen, in zachte stemmen, in mensen die liefde zijn geworden.
En toch…
Deze fase is niet voorbehouden aan heiligen. Het is geen eliteplek. Iedereen kan in deze richting groeien. Maar het pad ernaartoe vraagt dat je steeds minder hoeft te zijn, te weten, te bezitten — en steeds meer durft te zijn, te ontvangen, te delen.
Of zoals een mysticus zei:
“Je hoeft niet verlicht te zijn. Alleen maar echt.”
Stadium 5: Religieuze intersubjectiviteit – in Kanaän komen
a. Wat zeggen Oser & Gmünder?
Stadium 5 is de meest ontwikkelde vorm van geloof in het model van Oser & Gmünder. Het wordt gekenmerkt door intersubjectiviteit: een diepe wederzijdse relatie tussen het ik en het goddelijke, waarin ook de ander een wezenlijke plaats heeft.
Er is geen sprake meer van ‘ik tegenover God’, maar van God in mij, door mij, met mij. Geloof wordt geen object, geen plicht, geen strijd, maar een geleefde realiteit van verbondenheid, compassie en integratie.
De nadruk ligt niet op weten of doen, maar op zijn: zijn in relatie, in stilte, in gemeenschap, in vrede. Dit stadium is vaak mystiek van aard en ontsnapt aan institutionele kaders. Het gaat om levenskunst, innerlijke overgave en gedeelde spiritualiteit.
b. Wat laat de Exodus ons zien?
Het volk is aangekomen in het Beloofde Land. De tocht is niet voorbij — het land moet nog worden ingenomen, bewerkt, bewoond — maar de grond is nu hun eigen.
Het land symboliseert het innerlijk gebied waar een mens thuiskomt in zichzelf, in zijn roeping, in zijn unieke vorm van leven met God. De strijd om het land is de innerlijke strijd om te durven leven wie je werkelijk bent, met alles wat je ontvangen hebt: je gaven, je geschiedenis, je wonden, je roeping.
Hier leeft het volk niet meer onder God of tegenover God, maar met God. In het midden van het volk staat geen wet meer als grens, maar de Ark als aanwezigheid. De offers worden gedeeld. Het dagelijks leven wordt heilig. Er is ruimte voor rust, recht, gemeenschap.
c. Wat leert dit ons samen?
Deze fase is zeldzaam — en tegelijk het diepe verlangen van elke ziel: thuiskomen bij God én jezelf.
Het geloof is niet meer gericht op overtuiging, controle of zelfs groei, maar op deelname. Je leeft vanuit Christus in plaats van alleen maar over Hem te denken of tot Hem te bidden. Je deelt in Zijn bewogenheid, Zijn stilte, Zijn compassie.
Kerk en religieuze instituties verdwijnen op de achtergrond. Wat overblijft zijn relaties, gemeenschappen, gedeeld leven. Niet georganiseerd om te sturen of te vormen, maar om te dragen en te delen. Denk aan Taizé, kloosters, kleine leefgemeenschappen of vriendschappen die ademen van geloof en liefde.
Vraag: Waar ben ik geroepen om het land van mijn ziel echt in te nemen – en daarin vrucht te dragen voor anderen?
d. Wat is het kostbare van deze fase?
Dit is de fase waarin alles samenkomt: verleden, pijn, genade, gaven en roeping. De ziel is aangekomen — niet in een ideaal, maar in een werkelijkheid waarin zij zich aanvaard weet en deelt in het goddelijke leven.
Wat kostbaar is, is de vrijheid zonder afstand, de diepte zonder angst, de verbondenheid zonder afhankelijkheid. De mens leeft zijn geloof niet meer naast zijn leven, maar in en door zijn leven heen.
Geloof wordt stilte die spreekt, liefde die niet hoeft te overtuigen, aanwezigheid die niet hoeft te bewijzen.
In deze fase wordt de mens zelf een teken van God — in eenvoud, liefde en trouw.
Stadium 6: Universeel bewustzijn (hypothetisch) – in Kanaän zijn
a. Wat zou dit stadium kunnen betekenen?
Hoewel Oser & Gmünder officieel bij vijf stadia stoppen, beschrijven sommige theologen, mystici en spirituele denkers een mogelijke volgende fase van geloof: stadium 6 – mystieke eenheid.
In deze fase verdwijnt het onderscheid tussen ‘ik’ en ‘Gij’. De mens ervaart niet langer afstand of scheiding, maar een diep weten dat alles met alles verbonden is, en dat God niet iets buiten je is, maar het diepste zijn zelf.
Deze fase overstijgt niet alleen religieuze instituties, maar ook de grenzen tussen religies. Het is wat mystici noemen: unio mystica – de vereniging van de ziel met het goddelijke, waarin het onderscheid tussen aanbidder en Aanwezige vervaagt.
“Het oog waardoor ik God zie, is hetzelfde oog waardoor God mij ziet.”
– Meester Eckhart
b. Wat laat de Bijbelse beweging ons zien?
In het verhaal van de Exodus is er geen letterlijke zesde fase – maar de Sabbat, de tempel en het leven in shalom geven ons een glimp van deze mystieke rust, een volle overgave aan het ZIJN.
De Sabbat is meer dan een dag rust: het is leven in het ritme van God zelf. Niet werken om te verdienen, niet bouwen om te bezitten, maar eenvoudig zijn – in het land, in de gemeenschap, in de tegenwoordigheid van God.
Het land is dan niet meer iets wat veroverd moet worden, maar iets wat heilig is doordat het gedeeld wordt.
De innerlijke strijd is voorbij, het religieuze zoeken verstilt in overgave en vrede.
c. Wat leert dit ons samen?
Deze fase is nauwelijks onder woorden te brengen — en dat is precies het punt. Wie hier leeft, leeft niet meer vanuit geloof als systeem, maar vanuit aanwezigheid, stilte, mededogen en diepe verbondenheid.
Er is geen angst meer voor “de ander”, geen behoefte aan “gelijk krijgen”, geen poging meer om God te grijpen. Want God is al daar – en hier – en in alles.
Spiritualiteit wordt dan grensoverstijgend. De taal mag verschillen, maar de ervaring resoneert universeel.
Vraag: Kan ik God toelaten niet als Iemand, maar als Aanwezigheid?
d. Wat is het kostbare van deze fase?
Het kostbare is de volledige rust. Niet de rust van nietsdoen, maar de rust van niets meer hoeven. Geen religieuze prestatiedrang, geen innerlijke honger, geen behoefte om het heilige te controleren.
Er is een diepe vrede die het verstand te boven gaat. Een leven waarin elk moment sacrament wordt, elke ontmoeting een spiegel van het goddelijke, elk ademhalen een gebed.
Mensen die in deze fase leven zijn vaak zacht, stil, liefdevol, ongehaast. Ze dwingen niet, overtuigen niet — ze zijn. En wie bij hen is, voelt iets van het Koninkrijk dat in ons is.
Samenvatting: Geloof als Reis
Geloof is geen statisch bezit, maar een levenslange reis. Van gebondenheid aan externe beelden en angsten, via innerlijke woestijnen en morele worstelingen, naar een volwassen spiritualiteit waarin vrijheid, verbondenheid en stilte elkaar ontmoeten.
Zoals het volk Israël Egypte verliet, door de woestijn trok, de Sinaï beklom, en uiteindelijk in het Beloofde Land kwam, zo trekt ook de ziel stap voor stap door stadia van geloofsontwikkeling. Elk stadium is essentieel en draagt bij aan de vorming van een rijpe en vrije ziel.
In het model van Oser & Gmünder (aangevuld met een zesde, hypothetisch stadium) herkennen we diezelfde beweging:
Stadium | Fase | Beweging |
---|---|---|
1 | Egypte | God als machtige redder, gehoorzaamheid |
2 | Woestijn | Klagen, ruilen, zoeken naar zekerheid |
3 | Sinaï | Morele ordening, afscheid van oude beelden |
4 | Op weg naar Kanaän | Innerlijk kompas, persoonlijke relatie |
5 | In Kanaän | Compassie, gemeenschap, leven met God |
6 | Sabbat | Mystieke eenheid, vrede, alles is God-in-ons |
Praktische reflecties: Waar ben jij in jouw reis?
Deze fasen zijn geen ladder die je ‘af moet’ – ze zijn herkenningspunten op een innerlijke reis. Ze kunnen terugkomen, overlappen, zich herhalen.
Stel jezelf vragen zoals:
* Waar bevind ik mij op dit moment?
* Ben ik nog in de woestijn van ruil en zoeken?
* Heb ik Gods oude beelden achter me gelaten?
* Ervaar ik een innerlijke aanwezigheid die mij leidt?
* Leef ik al (soms) vanuit een diepere vrede?
Er is geen haast, geen routekaart. Alleen de uitnodiging om met open ogen, een zacht hart en eerbiedige eerlijkheid je reis te aanvaarden.
Aanbevelingen voor geloofsgemeenschappen
Voor geloofsgemeenschappen ligt hier een belangrijke taak:
* Erken dat mensen in verschillende fasen verkeren
Niet iedereen gelooft op dezelfde manier, en dat hoeft ook niet. Ontwikkeling vraagt ruimte.
* Bied voeding voor elk stadium
Vier de eenvoud van stadium 1, bied steun in het klagende stadium 2, daag uit tot reflectie in stadium 3, en geef vrijheid en stilte aan zij die verder trekken.
* Wees minder bang voor verandering
Wat als geloofsgroei niet ‘afval van het geloof’ is, maar een teken van volwassen worden?
* Laat structuren dienend zijn, niet bepalend
Uiteindelijk zal de ziel altijd op zoek gaan naar ruimte – en waar die niet wordt geboden, zoekt zij verder.
Suggesties voor verder onderzoek of verdieping
* Kazimierz Dąbrowski – over positieve desintegratie en morele rijping
* Eugen Drewermann – psychologische en spirituele diepte van bijbelverhalen
* James Fowler – Faith Development Theory, verwant aan Oser & Gmünder
* Mystieke theologie – o.a. Meester Eckhart, Teresa van Ávila, Henri Nouwen
* Interspirituele theologie – bijv. Raimon Panikkar, Thomas Keating, Cynthia Bourgeault
Tot slot
Misschien komen maar twee mensen ‘aan’. Misschien lijkt 0,33% of 0,0001% ontmoedigend. Maar misschien zegt het ook dit:
“Het pad is smal, maar open voor wie het aandurft te verliezen wat hem vasthoudt.”
En elke stap die jij zet, hoe klein ook, heeft betekenis. Want de reis is niet alleen naar een plaats, maar naar een dieper weten wie je bent – en wie God is in jou.