Geuren in Hooglied
Hooglied is een boek vol geur. In deze tekst worden geuren, parfums en wind niet alleen zintuiglijk beschreven, maar ook gebruikt als symbolen van verlangen, aanwezigheid en spirituele openheid.
1. GEUREN EN PARFUMS IN HOOGLIED
Hooglied noemt allerlei geurige stoffen en planten, vaak verbonden met het lichaam, de liefde of de tuin.
=> Myrrhe (bijna 7x genoemd)
Vers:
“Mijn geliefde is een bundeltje myrrhe, dat tussen mijn borsten overnacht” (1:13)
“Mijn handen dropen van myrrhe” (5:5)
Betekenis:
– Kostbaar, bitter-zoet hars uit de mirreboom.
– Gebruikt in tempelrituelen, balseming, maar ook in parfums.
– Mystiek: staat voor liefde die lijdt, een zoete overgave die ook pijn kent — het goddelijke komt nabij en raakt het hart diep.
=> Nardus (nard)
Vers:
“Mijn nardus geurt” (1:12)
Betekenis:
Een zeldzame, oosterse olie. Duur en intens geurend.
Geur van toewijding. Herinner ook aan het Nieuwe Testament: Maria zalft Jezus’ voeten met nardus (Joh. 12:3).
Mystiek: het offer van pure liefde, geur die zich verspreidt als teken van devotie.
=> Aloë, kalmoes, kaneel, saffraan, wierook
Vers (alle samen):
“Nardus en saffraan, kalmoes en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë” (4:14)
Betekenis:
Deze vormen een parfumtuin, een zintuiglijk heiligdom.
Veel van deze geuren komen uit de tempelcultus (Exodus 30).
Mystiek: het lichaam van de geliefde wordt een tempel, een plek van ontmoeting tussen ziel en God.
=> Wijn als geur
Vers:
“Je liefkozingen zijn zoeter dan wijn” (1:2)
Betekenis:
Wijn ruikt én smaakt, is bedwelmend.
Geur van vreugde, overvloed en extase.
Mystiek: liefde als geestelijke vervoering; de ziel wordt dronken van God.
=> De geur van de geliefde zelf
Vers:
“De geur van jouw klederen is als de geur van de Libanon” (4:11)
Betekenis:
De Geliefde zelf is een geur die aantrekt, als de aanwezigheid van de Ander.
Mystiek: geur is wat overblijft na ontmoeting — sporen van het goddelijke.
2. WIND IN HOOGLIED
Noordenwind en zuidenwind
Vers:
“Ontwaak, noordenwind! Kom, zuidenwind! Blaas door mijn tuin, laat zijn geur stromen” (4:16)
Betekenis:
De bruid roept de winden aan om haar tuin te openen.
Wind brengt geur, maar ook leven, beweging, aanraking.
Mystiek:
– De noordenwind (koel, krachtig): staat voor beproeving, zuivering, waakzaamheid.
– De zuidenwind (zacht, warm): staat voor genade, tederheid, goddelijke aanraking.
Samen: balans tussen actie en overgave, tussen kracht en liefde.
3. MYSTIEKE BETEKENIS VAN GEUR & WIND
=> Geur als ongrijpbare nabijheid
Geur is vluchtig maar intens — je kunt het niet vasthouden, maar wel ervaren.
In mystieke traditie staat geur voor:
– De aanwezigheid van het goddelijke (zoals wierook in de tempel)
– Innerlijke aanraking van de ziel
– Verborgen, maar echte liefde
=> Wind als Geest
In Hebreeuws is “wind” hetzelfde woord als “geest”: ruach.
Wind is dus ook:
– De heilige Geest of het goddelijke dat door je leven blaast.
– Inspiratie, adem van leven, het moment waarop de ziel tot bloei komt.
Samenvattend:
| Element | Symboliek |
|---|---|
| Myrrhe | Liefde met diepte; lijden en balseming; mystieke overgave |
| Nardus | Kostbare liefde; zelfgave; mystieke aanbidding |
| Aloë, kalmoes | Innerlijke tempel; geur van heiligheid; zintuiglijk geestelijk leven |
| Wijn | Bedwelmende vreugde; extase van liefde |
| Geur van de ander | Goddelijke nabijheid; subtiele aanraking |
| Noordenwind | Zuivering, wakker maken, kracht |
| Zuidenwind | Genade, tederheid, liefdevolle aanraking |
| Geur + wind | Goddelijke aanwezigheid die zich zacht én krachtig verspreidt door de ziel |
Geuren, parfums en wind
De Talmoed stelt een raadselvraag. Er staat in de laatste psalm: kol haneshamah tehallel Yah, laat alles wat adem heeft de Heer loven. Letterlijk: laat elke ziel loven. Wat is het, vraagt de Talmoed, waar de ziel van geniet en het lichaam niet? En het antwoord is: geur. Eten, drinken, aanraken, dat geniet het lichaam. Maar een geur gaat erin en laat niets achter. Er is niets om te verteren. Het is het enige genot dat helemaal van de ziel is.
Daarom, zegt de traditie, wordt er aan het einde van de sjabbat aan specerijen geroken. Bij de havdalah, de scheiding tussen de heilige dag en de gewone week, gaat een doosje met kruidnagel of kaneel rond. Volgens de uitleg krijgt een mens op sjabbat een extra ziel, en als de sjabbat eindigt, gaat die weg. De ziel die achterblijft, is bedroefd. De geur troost haar. Het doosje heet besamim. Specerijen. Het is het laatste woord van het Hooglied: al harei vesamim, op de bergen van de specerijen. Het boek eindigt met het woord waarmee de ziel getroost wordt als het heilige vertrekt.
Ik lees het laatste vers nu opnieuw. De geliefde gaat weg, naar de bergen van de specerijen. Het heilige vertrekt, zoals elke week de sjabbat vertrekt. En wat achterblijft, is geur. Genoeg om de ziel te troosten tot de volgende keer.
In 4:11 zegt hij: de geur van je kleren is als de geur van de Libanon. Reach salmotayich. De geur van kleding. Ik ken die uitdrukking uit Genesis 27. Isaak is oud en blind. Jakob komt binnen in de kleren van zijn broer Esau, met geitenvel om zijn handen, en Isaak ruikt aan hem. Vayarach et reach begadav. Hij rook de geur van zijn kleren en zegende hem. De geur van mijn zoon is als de geur van een veld dat de Heer gezegend heeft. De zegen werd gegeven op grond van een geur, en de geur was geleend. Jakob droeg de kleren van een ander.
Dat verhaal wringt, en het wringt ook in het Hooglied. Een geur kan misleiden. Wie verliefd is, ruikt de ander en zegent hem, en wat hij ruikt, zijn soms kleren die van iemand anders zijn: het beeld dat we van de ander hebben, gevormd door wat we nodig hebben. Geur werkt direct, onder het oordeel door. Daarom zegent het, en daarom kan het bedriegen. De blinde Isaak zei nog: de stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Esau. Hij twijfelde. En toch koos hij voor de geur.
In de tempel werd elke dag reukwerk gebrand, de ketoret. Het bestond uit elf specerijen. Tien ervan roken heerlijk. De elfde, chelbenah, galbanum, stonk. En toch moest ze erin, anders was het reukwerk ongeldig. De Talmoed trekt daar een conclusie uit die ik nooit ben vergeten: een vastendag waarop de zondaars van Israël niet meedoen, is geen vastendag. Want de galbanum stinkt, en toch hoort hij bij het reukwerk. Zonder de slechte geur is de goede geur niet compleet.
Ik leg dat naast de mirre, die bitter is en die ook voor de doden werd gebruikt. Het Hooglied is vol geur, en in die geur zit altijd iets wat niet zoet is. De bitterheid van mirre, de dood van het balsemen, de misleiding van geleende kleren. Een liefde die alleen de zoete geuren wil, brandt ongeldig reukwerk.
In het evangelie van Johannes komt Maria, de zus van Lazarus, met een pond echte nardus, zeer kostbaar, en zalft de voeten van Jezus, en droogt ze met haar haar. Het huis werd vervuld van de geur van de zalf. Nardus: mijn nardus gaf zijn geur, zegt de vrouw in het Hooglied, terwijl de koning aan zijn tafel lag. Ook Jezus lag aan tafel. En Judas zegt: waarom is die zalf niet verkocht voor driehonderd denarie en aan de armen gegeven? De geur werd omgerekend in geld. Als iemand alle bezit van zijn huis zou geven voor de liefde, zou men hem verachten, staat in het Hooglied. Hier gebeurt het omgekeerde: iemand verspilt een vermogen aan geur, en wordt veracht door wie rekent.
Wat is een geur die wordt verspild? Het is een gift die niet te bewaren is. Hij verspreidt zich door het huis en is weg. Wat er overblijft, zit in de haren van een vrouw en in het geheugen van wie erbij was. Het Hooglied is gemaakt van zulke geuren, en zo werkt het ook: je kunt het niet bezitten, alleen inademen. En de ziel, zegt de Talmoed, is de enige die ervan geniet.
