Het bestanddeel dat stinkt
Exodus 30:34
Verder zei de HEERE tegen Mozes: Neem voor uzelf geurige specerijen: druipende hars, onyx en galbanum, dus geurige specerijen, en zuivere wierook. Dit alles moet in gelijke hoeveelheden zijn.
Hier staan de namen: nataf, sjecheleth, chelbenah, en zuivere levonah. En daarachter twee woordjes die in onze vertalingen “in gelijke delen” worden: bad bevad. Letterlijk staat er iets anders. Bad is apart, op zichzelf, alleen. Elk apart, naast het andere apart. Ze worden niet tot één stof; ze worden naast elkaar gelegd en blijven wat ze zijn.
Bij de derde naam blijf ik hangen.
Chelbenah, galbanum, is de hars van een schermbloem uit Perzië, en de oude bronnen zijn eensluidend over hoe die ruikt: scherp, bitter, iets van teer en van iets wat aan het bederven is. Wie het in zijn eentje op kolen legt, zet het raam open. De joodse traditie heeft dat gezien en er niets omheen gedraaid: van alle bestanddelen is dit degene die stinkt.
En hij hoort erbij. Niet als spoortje, niet als restpost. In hetzelfde gewicht als de wierook.
De Talmoed maakt daar een zin van die niet meer weggaat als je hem eenmaal gehoord hebt. Bij de bespreking van het reukwerk staat er: een vasten waarin de overtreders van Israël niet meedoen, is geen vasten — want de galbanum ruikt slecht en toch telt de Schrift haar mee onder de specerijen. De gemeenschap die haar eigen mislukten eruit houdt, heeft geen reukwerk meer. Ze heeft drie stoffen en een gat.
En het is scherper dan alleen meetellen. Er hoort een regel bij die ik eerst wegwuifde als rabbijnse strengheid: wie er één van weglaat, is schuldig aan zijn leven. Dat is de spiegel van het verbod om het na te maken. Het mengsel breekt aan twee kanten — je mag er niets uit weglaten, en je mag het niet voor jezelf maken. Beide keren gaat het om de hand die kiest.
Wat mij dan het langst bezighoudt, is de naam zelf. Chelbenah draagt de letters van chelev, vet. En chelev is in Leviticus geen gewoon woord: het vet is het deel dat op het altaar aan God toekomt en dat een mens niet eet. Al het vet is voor de HEER. Het bestanddeel dat stinkt draagt in zijn naam het woord voor het beste deel, het deel dat niemand voor zichzelf mag houden.
Dan wordt de vraag van dit hele hoofdstuk anders dan ik hem gewend was te stellen. Ik dacht altijd: wat laat ik opstijgen. Ik hield me bezig met de zuiverheid van wat ik aanbood, met de intentie, met de vraag of de geur wel van mij was. Maar de tekst vraagt iets wat daaronder ligt. Niet wat ik meebreng, maar wat ik eruit houd.
En dat is bijna nooit mijn mislukking van tien jaar geleden waar ik inmiddels vrede mee heb. Die kan mee. Die is al geurend geworden. Het gaat om het deel dat nu nog stinkt. De jaloezie die ik nog steeds voel bij iemand die kan wat ik niet kan. De hardheid die ik tegenkom als ik moe ben. Het stuk waarvan ik hoop dat het niet meeweegt als ik straks neerleg wat ik heb ontwikkeld. Precies dat deel moet in gelijk gewicht mee, apart, als zichzelf, zonder dat het eerst iets anders is geworden.
Dat is iets anders dan het goedpraten. Bad bevad — het lost niet op in de rest. Het blijft ruiken zoals het ruikt. Wat de traditie zegt is niet dat de galbanum in het mengsel lekker gaat ruiken, maar dat er zonder haar geen mengsel is.
En dan staat er nog een verhaal naast, waar ik niet omheen kan. In Numeri 16 nemen tweehonderdvijftig mannen elk een vuurpan met reukwerk, en het vuur verteert hen. Een hoofdstuk later rent Aäron met diezelfde vuurpan en hetzelfde reukwerk de plaag in, gaat staan tussen de doden en de levenden, en het sterven houdt op. Dezelfde kolen, dezelfde stoffen, dezelfde handeling. In het ene geval dodelijk, in het andere het enige wat de dood tegenhoudt.
Het verschil zit niet in het recept. Het zit in de richting waarin gestaan wordt. De tweehonderdvijftig brachten hun reukwerk voor zichzelf, ieder zijn eigen pan, om te bewijzen dat zij ook mochten. Aäron ging staan waar het stierf.
En het woord ketoret zelf draagt de wortel van binden, knopen. Reukwerk is dan niet in de eerste plaats iets wat opstijgt maar iets wat vastknoopt: het bovenste aan het onderste, en in dezelfde beweging het ene stuk van een mens aan het andere. Een knoop heeft twee einden nodig. Je kunt niets vastknopen aan een deel dat je buiten de deur hebt gezet.
Waar ik niet uit kom, en misschien is dat goed: of ik zelf kan bepalen dat mijn galbanum meegaat. Ik kan besluiten haar niet meer weg te stoppen. Of ze in het vuur werkelijk mee gaat branden, gaat niet over mijn hand.
LEES OOK: reukwerk-voor-gods-aangezicht/ en het-gaat-niet-om-de-ander-het-gaat-om-mij/
