Het hart dat omwegen neemt
Akov – het hart dat omwegen neemt
Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het; wie zal het kennen? (Jeremia 17:9)
Het eerste woord draagt de hele zin. Akov, עקב. Ajin, qof, beet. Dezelfde drie letters als akev, de hiel. En dezelfde drie letters als het hart van een naam: Ja’akov, Jakob.
Jakob komt ter wereld met zijn hand om de hiel van zijn broer (Genesis 25:26). Hij krijgt zijn naam van die greep. Later, als hij de zegen heeft weggenomen, zegt Esau: heet hij niet terecht Jakob, want hij heeft mij nu twee keer bedrogen (Genesis 27:36). Het werkwoord voor bedriegen is hier de naam zelf. Jakob doet wat hij heet.
Arglistig is dus een vertaling die al een oordeel draagt. Het Hebreeuws zegt iets ruimtelijkers. Het hart grijpt van achteren, bij de hiel. Het gaat niet recht op iets af. Het neemt de omweg, de kronkel, de achterkant. Jesaja gebruikt hetzelfde woord voor wat recht gemaakt moet worden: wehaja he’akov lemisjor – het kromme zal recht worden (Jesaja 40:4). Akov is het oneffen terrein, het heuvelachtige, wat niet in één lijn loopt.
Jeremia zelf kent die woordspeling. Twee hoofdstukken eerder schrijft hij: want iedere broer bedriegt als Jakob (Jeremia 9:3, in de Statenvertaling 9:4). Hij hoort de aartsvader in het woord. Als hij in hoofdstuk 17 zegt dat het hart akov is, zegt hij dus ook: in ieder hart zit Jakob. De broer die bij de hiel grijpt, die eerst wil zijn, die de zegen pakt omdat hij niet gelooft dat hij hem krijgt.
Dat laatste blijft hangen. Jakob grijpt omdat hij tweede is. Hij komt na zijn broer, de vader houdt van Esau, en Jakob moet zelf zien te krijgen wat hem niet vanzelf toekomt. De kromheid van het hart begint daar: bij wat het niet kreeg, en bij de greep waarmee het dat alsnog probeert te pakken. Een hart dat recht op de zegen af kon gaan, zou geen omweg nodig hebben.
De verzen vóór 17:9 zetten twee mensen tegenover elkaar (17:5–8). De een vertrouwt op mensen en wordt als een struik in de woestijn, in zoutgrond waar niemand woont. De ander vertrouwt op de Eeuwige en wordt als een boom aan het water, die zijn wortels uitstrekt naar de beek en niet bang is als de hitte komt. Pas daarna komt de zin over het hart. Het kromme hart hoort bij de struik in de zoutgrond. Het grijpt, omdat er geen water is.
Anoesj – ongeneeslijk
De Statenvertaling zegt ‘dodelijk’, de Herziene Statenvertaling ‘ongeneeslijk’. Er staat anoesj. Alef, noen, waw, sjin.
Ik lees de letters nog eens en zie het woord enosj. Het staat er met precies dezelfde medeklinkers.
Enosj is de mens, en dan de mens in zijn broosheid, de sterfelijke mens.
Ma enosj ki tizkerennoe – wat is de mens dat U aan hem denkt (Psalm 8:5).
Enosj kechatsir jamaw – de mens, zijn dagen zijn als het gras (Psalm 103:15).
Het woord voor de ongeneeslijke wond en het woord voor de mens die vergaat, zijn in de medeklinkertekst één woord. Alleen de klinkers, die er later onder zijn gezet, houden ze uit elkaar.
Dan staat er in 17:9 eigenlijk ook: en het is mens. Het hart is ongeneeslijk zoals de mens sterfelijk is. De ongeneeslijkheid hoort bij wat een mens is, vanaf het begin.
Jeremia gebruikt anoesj vaker, en steeds voor wonden.
Over zichzelf: mijn wond is ongeneeslijk, zij wil niet helen (Jeremia 15:18).
Over het volk: ongeneeslijk is je breuk (Jeremia 30:12), en drie verzen later nog eens.
Maar in datzelfde hoofdstuk, vers 17: want Ik zal je genezing laten opkomen en je van je wonden helen. Het ongeneeslijke wordt geheeld. Niet door de wond, niet door de mens. Van elders.
En in hoofdstuk 17 zelf, vijf verzen na de zin over het hart, bidt Jeremia: genees mij, Eeuwige, dan word ik genezen; verlos mij, dan word ik verlost (Jeremia 17:14). Dit vers is in het joodse gebed opgenomen, in de achtste zegenspreuk van het Achttiengebed, de bede om genezing. Wie dagelijks bidt, zegt dus elke dag het vervolg van de zin over het ongeneeslijke hart.
De volgorde is wat me treft. Eerst: het hart is anoesj, niet te genezen. Dan: genees mij, dan word ik genezen. Het tweede vers spreekt het eerste niet tegen. Het begint precies op de plek waar het eerste ophoudt. Pas wie erkent dat het hart van zichzelf niet heelt, kan om genezing vragen. Zolang ik denk dat ik mijn kromme hart zelf recht kan buigen, blijft het gebed onuitgesproken.
Mi jeda’ennoe – wie zal het kennen
De zin eindigt met een vraag, en de vraag begint met mi, wie. Jeremia vraagt niet hoe het hart werkt of waarom het krom is. Hij vraagt wie het kent. De vraag gaat over een persoon, iemand die bij het hart kan komen.
Het werkwoord is jada, kennen. In het Hebreeuws is dat geen kennis van buitenaf. En Adam kende Eva, zijn vrouw (Genesis 4:1). Kennen is in deze taal ingaan, binnenkomen, zo dichtbij komen dat er iets nieuws uit voortkomt. Wie zal het hart zo kennen? Wie komt er binnen?
Het antwoord staat in het volgende vers: Ik, de Eeuwige, doorgrond het hart en toets de nieren (Jeremia 17:10). Twee werkwoorden. Chaqar is graven, zoeken tot op de bodem; het wordt gebruikt voor het uitgraven van een put en het verkennen van een land. Bachan is toetsen zoals een smid metaal toetst, om te zien wat erin zit. En de nieren, kelajot, waren in die tijd de plek van de diepste, meest verborgen roerselen, dieper nog dan het hart.
Ik zie hier een volgorde die ik niet had verwacht. Het hart kent zichzelf niet. Het kromme, het grijpen van achteren, de omweg: van binnenuit voelt dat recht. Wie arglistig is, weet dat meestal niet; dat is wat arglist is. Daarom kan de vraag ‘wie zal het kennen?’ nooit beantwoord worden door het hart zelf. Elke poging van het hart om zichzelf te doorgronden, gebeurt met hetzelfde kromme instrument.
Psalm 139 neemt deze twee werkwoorden op en maakt er een gebed van. Hij begint: Adonai chaqartani watéda – Eeuwige, U doorgrondt mij en kent mij (Psalm 139:1). En hij eindigt: doorgrond mij, God, en ken mijn hart (Psalm 139:23). Hier staat levav, het hart met de dubbele beet, dat de Misjna leest als het hart met allebei zijn neigingen. Wat Jeremia als vaststelling schrijft – Ik doorgrond het hart – wordt in de psalm een verzoek. De dichter vraagt erom om gekend te worden.
Dat verandert hoe ik Jeremia 17:9 lees. Ik lees er minder een veroordeling in dan een grens: het hart kan zichzelf niet kennen. En direct daarna staat er wie dat wel kan. Het eerste vers zegt wat ik niet weet van mezelf. Het tweede zegt dat ik daarin niet alleen ben.
Schrift in steen, schrift in stof
Hoofdstuk 17 opent met een beeld dat ik eerst over het hoofd zag: de zonde van Juda is geschreven met een ijzeren stift, met een diamanten punt gegraveerd op de tafel van hun hart (Jeremia 17:1). Loeach is het woord voor de stenen tafelen van het verbond. Het hart is hier een stenen tafel geworden, en wat erin gegrift staat, is de zonde. Met ijzer en diamant: niet uit te wissen.
En twaalf verzen later, vlak na de zin over het kromme hart: Eeuwige, hoop van Israël, allen die U verlaten worden beschaamd; wie van Mij afwijken, worden in de aarde geschreven, want zij hebben de bron van levend water verlaten (Jeremia 17:13).
Mikwé betekent hoop, en het betekent ook: een verzameling water, het bad waarin je je onderdompelt om rein te worden. God is de mikwé van Israël en de bron van levend water. Wie Hem verlaat, wordt in het stof geschreven. Twee soorten schrift in één hoofdstuk: in steen, onuitwisbaar, en in aarde, waar de wind overheen gaat.
Nu Johannes. Aan het eind van hoofdstuk 7 staat Jezus in de tempel op de laatste dag van het Loofhuttenfeest, het feest waarop water uit de bron van Siloam werd uitgegoten, en roept: als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen; uit zijn binnenste zullen stromen van levend water vloeien (Johannes 7:37–38). De volgende ochtend brengen ze een vrouw bij Hem die op overspel betrapt is. Ze hebben stenen bij zich. En Jezus bukt zich en schrijft met zijn vinger in de aarde (Johannes 8:6 en 8:8).
Levend water, en dan schrijven in de aarde. Het is de volgorde van Jeremia 17:13. Wie de profeet kende – en de mannen om de vrouw heen kenden hem – kon dat moeilijk missen. En de vinger: de stenen tafels waren geschreven met de vinger van God (Exodus 31:18). Dezelfde vinger schrijft nu in stof.
Wat Hij schreef, staat er niet. De oude uitleggers hebben het ingevuld: de zonden van de aanklagers, hun namen, het vers uit Jeremia. Ik laat het open. Wel zie ik wat er gebeurt. De mannen staan er met stenen in de hand, met de wet die op stenen tafels staat, met een oordeel dat vastligt als met een ijzeren stift. Jezus zegt: wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. En Hij schrijft weer in het stof. Ze gaan weg, één voor één, te beginnen bij de oudsten (Johannes 8:9).
Dan staat er de zin die in je vraag doorklinkt: ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer (Johannes 8:11). De zonde die in Jeremia 17:1 met diamant in de stenen tafel van het hart gegrift stond, wordt hier in het stof geschreven. Waar de wind overheen kan.
Een eerlijke kanttekening: dit verhaal ontbreekt in de oudste handschriften van Johannes en is later in het evangelie opgenomen. Juist daardoor valt op hoe precies het past op de plek waar het terechtkwam: direct na het levende water, als een lezing van Jeremia 17 die iemand zag en daar neerlegde.
Het hart dat tegen ons kent
De andere tekst die je bedoelt, staat in de eerste brief van Johannes. In de Statenvertaling: Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en kent alle dingen. Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God (1 Johannes 3:20–21).
De zin ‘als uw hart u niet veroordeelt’ komt dus uit 1 Johannes 3:21. Het vervolg is daar: dan hebben wij vrijmoedigheid tot God. De woorden ‘dan veroordeel Ik u ook niet’ komen uit Johannes 8:11, het verhaal van de vrouw. In het geheugen zijn de twee tot één zin samengegroeid, en misschien terecht, want ze dragen elkaar.
In het Grieks staat: ean kataginōskē hēmōn hē kardia, hoti meizōn estin ho theos tēs kardias hēmōn kai ginōskei panta. Het woord voor veroordelen is kataginōskō. Daarin zit ginōskō, kennen, het woord waarmee de Griekse vertaling van het Oude Testament het Hebreeuwse jada weergeeft. En ervoor staat kata: tegen, neer, naar beneden. Het hart dat ons veroordeelt, is het hart dat tegen ons kent. Het kent ons, en het kent ons ten nadele.
Direct daarna staat het woord nog eens, zonder voorvoegsel: God is groter dan ons hart en ginōskei panta, kent alle dingen. Twee keer kennen in één zin. Het hart kent tegen. God kent alles.
Hier antwoordt Johannes op Jeremia. Wie zal het kennen? Jeremia zegt: het hart is krom en kent zichzelf niet. Johannes voegt iets toe wat bij Jeremia nog niet in beeld was. Het hart kan zichzelf ook verkeerd kennen in de andere richting. Het kan zichzelf vrijspreken waar het krom is, maar het kan zichzelf ook veroordelen waar God dat niet doet. Beide keren is het hart het meetinstrument dat niet deugt. Bij Jeremia is het een bedrieger, bij Johannes een aanklager. In beide gevallen is God groter.
Ik kijk terug naar de mannen met de stenen in Johannes 8. Zij doen buiten wat het veroordelende hart binnen doet: ze kennen tegen. Ze weten precies wat de vrouw heeft gedaan, en ze weten het ten nadele. En Jezus laat hun eigen hart zich tegen hen keren: wie zonder zonde is. Ze gaan weg. Het enige dat overblijft, is Iemand die alles kent en niet veroordeelt.
Een vers eerder schrijft Johannes iets wat ik bijna had overgeslagen: ovoor zijn aangezicht zullen wij ons hart geruststellen (1 Johannes 3:19). Peithō is overtuigen, overreden. Het hart moet overtuigd worden. Het gelooft niet vanzelf dat het niet veroordeeld is. Dat gebeurt niet door het hart te overtuigen met argumenten van het hart zelf, maar emprosthen autou, voor zijn aangezicht. Het hart komt tot rust door te zien wie er tegenover staat.
De zin is overigens dubbelzinnig, en uitleggers zijn het er tot vandaag niet over eens. ‘God is groter dan ons hart’ kan troost zijn: Hij is milder dan onze zelfveroordeling. Het kan ook ernst zijn: als ons eigen hart ons al veroordeelt, hoeveel te meer Hij die alles kent. Ik merk dat ik naar de troost neig. Maar Jeremia 17:10 houdt me tegen: Hij toetst de nieren en geeft ieder naar zijn wegen. Het grotere kennen is ook een kennen dat niets overslaat.
Van achteren naar van aangezicht
Jakob blijft niet de hielgrijper. Aan de rivier de Jabbok, de nacht voordat hij zijn broer weer moet ontmoeten, worstelt een man met hem tot het dageraad wordt (Genesis 32:25, Hebreeuwse telling; in de Statenvertaling steeds één vers lager). Jakob laat niet los: ik laat u niet gaan, tenzij u mij zegent (32:27). Hij grijpt nog steeds. Maar hij grijpt nu niet meer bij de hiel, van achteren. Hij houdt vast, van voren.
Dan krijgt hij een nieuwe naam: je naam zal niet meer Jakob zijn, maar Israël (32:29). De tekst verklaart de naam uit sara, worstelen: je hebt met God en met mensen gestreden. Maar de traditie hoort er ook jasjar, recht, in. Het volk heet elders Jesjoeroen (Deuteronomium 32:15 en 33:5), de rechte. Van akov naar jasjar: van krom naar recht. Precies de beweging van Jesaja: he’akov lemisjor, het kromme wordt recht.
En Jakob noemt de plek Peniël: want ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht (32:31). Van achteren bij de hiel naar van aangezicht tot aangezicht. Daar ligt voor mij de brug tussen Jeremia en Johannes. Het kromme hart wordt niet recht doordat het zichzelf beter leert kennen. Het wordt recht doordat het in het aangezicht komt te staan van Wie het kent. Emprosthen autou, schrijft Johannes: voor zijn aangezicht stellen wij ons hart gerust.
Maar Jakob gaat daar niet ongeschonden vandaan. De man raakt de kom van zijn heup aan, en Jakob loopt mank als de zon opgaat (32:32). De hielgrijper wordt geraakt in zijn been. Wat krom was, wordt recht, en tegelijk loopt hij voortaan krom. Ik weet niet goed wat ik daarmee moet. Misschien dat de omweg niet verdwijnt, maar zichtbaar wordt. Dat Jakob niet meer kan doen alsof hij recht loopt.
En de oude naam verdwijnt ook niet. Abraham wordt na zijn naamsverandering nooit meer Abram genoemd. Jakob wel. Jaren later, op weg naar Egypte, roept God hem in een nachtgezicht: Ja’akov, Ja’akov (Genesis 46:2). Niet Israël. Jakob. Twee keer.
Dan blijft Jeremia 17:9 ook waar. Het hart blijft akov, en het blijft anoesj, menselijk en ongeneeslijk. Het wordt niet vervangen door een ander hart dat wel deugt. Het wordt gekend, en geroepen, bij zijn oude naam. Of dat genoeg is om niet meer veroordeeld te worden, door God of door het eigen hart, laat de tekst open. Jakob loopt de zon tegemoet, en hij loopt mank.

