Het scheidingswoord
Romeinen 8:35-39, van het huwelijksrecht naar de berg Moria
Romeinen 8: 35-39
35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?
36 Zoals geschreven staat: Want omwille van U worden wij de hele dag gedood, wij worden beschouwd als slachtschapen.
37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.
38 Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen,
39 noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere.
Paulus kende deze mensen niet.
Dat is aan deze brief anders dan aan alle andere. Korinthe kende hij, Galatië had hij gesticht, Tessalonica had hij zien ontstaan. Rome niet — hij is er nooit geweest, en pas in 15:23 schrijft hij dat hij er al jaren naartoe wil. Wat hij weet, weet hij van horen zeggen, en hoofdstuk 16 laat zien via wie: zesentwintig namen, waaronder Prisca en Aquila, het echtpaar dat hij uit Korinthe kende omdat zíj destijds uit Rome waren weggejaagd. Zijn kennis van die stad loopt via mensen die eruit verdreven waren.
Hij kent de mensen dus niet, en de omstandigheden wel. En dat verklaart de vorm. Wie een situatie van binnenuit kent, kan haar benoemen; wie haar alleen van buitenaf kent, kan haar alleen ondervragen. Daarom staat er in deze passage geen enkele vaststelling over hen en geen enkele aansporing aan hen. Er staan vragen — wie, wat, welke macht — en de hoorder moet ze zelf beantwoorden. Paulus beschrijft de kamer niet. Hij legt er een lijst in en laat de mensen erin zelf constateren dat zij er niets uit kunnen kiezen.
Wie zal ons scheiden
Het werkwoord waarmee de passage opent is een scheidingswoord uit het huwelijksrecht.
Wie zal ons scheiden? Het is het woord dat in de Griekse en joodse praktijk van de eerste eeuw op de scheidingsakte stond. Paulus gebruikt het zelf zo in 1 Korintiërs 7:10-15, vier keer achter elkaar, over een vrouw die van haar man scheidt en een ongelovige partner die weggaat. Het is ook het woord uit Marcus 10:9: wat God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden. In Egypte staat het woord in contracten waarin twee mensen verklaren dat zij voortaan gescheiden zijn en elk vrij om een ander te huwen.
De vraag in vers 35 luidt dus, woordelijk: wie zal de scheiding tussen ons uitspreken?
Dat verandert alles aan wat eraan voorafgaat. In 8:31-34 staat een rechtszaal. De werkwoorden zijn juridisch: aanklacht indienen, veroordelend, pleiten, voorspraak doen. Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen Gods uitverkorenen? Wie veroordeelt? Er is een aanklager, een rechter, een pleiter.
En dan, in vers 35, verlaat Paulus de strafrechtbank en gaat naar het familierecht. De vraag is niet langer of iemand ons schuldig kan verklaren, maar of iemand de band kan ontbinden. Schuld en band zijn twee verschillende ordes, en Paulus loopt van de ene naar de andere zonder het te markeren.
Wie in de rechtszaal blijft staan, leest de rest van de passage als een vrijspraak. Het is een huwelijksbevestiging.
Zeven ruimtewoorden
Op de vraag wie volgt een lijst van zeven wat: verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar, zwaard.
Paulus vraagt naar een persoon en antwoordt met dingen. In een wereld waarin verdrukking een macht was met een gezicht — een daimoon, een ster, een archont — is dat geen slordigheid. De zeven staan in de lijst als mogelijke rechtssubjecten. Ze zouden de akte kunnen tekenen.
En ze zijn ruimtelijk. Het eerste woord, verdrukking, betekent letterlijk persen: het is het woord voor de olijfpers en de wijnpers, de ruimte die dichtgaat onder gewicht. Het tweede, benauwdheid, is opgebouwd uit nauw en ruimte — de plek waar je je niet meer kunt keren. En het scheidingswoord zelf komt van datzelfde woord voor ruimte. De vraag en het antwoord zijn uit hetzelfde materiaal gemaakt. Wie zal ruimte tussen ons leggen? De persing, de nauwte, de opjaging.
Vier verzen later eindigt de tweede lijst met hoogte en diepte. De hele passage wordt bijeengehouden door een meetkunde: alles wat afstand zou kunnen maken, wordt opgesomd en onmachtig verklaard. Wat Paulus aan het uitsluiten is, is niet schuld en niet dood. Het is afstand.
Op de vijfde plaats staat naaktheid. In Genesis 3 is naaktheid het eerste dat de mens aan zichzelf ontdekt op het moment dat hij zich verbergt. Het teken van de verwijdering staat in Paulus’ lijst van dingen die geen verwijdering kunnen maken.

* Het mes van Genesis 22
Het zevende woord is het zwaard: het korte Romeinse zwaard, het executiewerktuig van de provincie.
Het is ook het woord dat in de Septuaginta in Genesis 22:10 staat: Abraham strekte zijn hand uit om het zwaard te nemen om zijn zoon te slachten.
Drie verzen eerder, in Romeinen 8:32, heeft Paulus al geciteerd uit datzelfde hoofdstuk. ‘Hij heeft zijn eigen Zoon niet gespaard.’ In Genesis 22:16 zegt de stem uit de hemel tegen Abraham: ‘je hebt je geliefde zoon niet gespaard.’ Hetzelfde werkwoord in een tekst die iedere hoorder in de synagoge van Rome kende, want de Akeda (Abraham zijn zoon Isaac op Gods bevel bijna offerde) werd gelezen en herlezen en was in de eerste eeuw al het hart van de joodse verzoeningstheologie.
En dan vers 36, het citaat uit Psalm 44: schapen van de slachting, precies het werkwoord uit Genesis 22:10.
De twee sleutelwoorden van de Akeda, het mes en het slachten, staan in Romeinen 8:35 en 36 naast elkaar, elf woorden na het citaat van Genesis 22:16. Dit stuk is gebouwd op de berg Moria.
Wat er in die bouw gebeurt, is een omkering. In Genesis valt het mes niet. De hand wordt tegengehouden, en er is een ram in het struikgewas. Het hele verhaal draait om de zoon die gespaard wordt. Paulus citeert het en zegt: níet gespaard. Hij neemt het verhaal waarin God op het laatste moment terugtreedt, en zegt dat God deze keer is doorgegaan. En daarna zet hij het mes in de lijst van dingen die niets vermogen.
Het zwaard dat de zoon trof, kan de zonen niet meer scheiden. Dat is de logica van vers 32 tot 39, en zij loopt via Moria.
* De psalm die God ervan beschuldigt te slapen
Vers 36 is een citaat, en het is het minst gelezen vers van de passage.
Psalm 44:23. Om Uwentwil worden wij de hele dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen.
Psalm 44 is de meest opstandige van de gemeenschapsklachten. Het is de psalm die zegt: dit alles is over ons gekomen, en wij hebben U niet vergeten, wij hebben Uw verbond niet verbroken, ons hart is niet teruggeweken. Er is geen schuldbelijdenis in. De psalm ontkent uitdrukkelijk dat het lijden verdiend is, en eindigt met een verwijt: Ontwaak! Waarom slaapt Gij, Heer?
Paulus zet die psalm midden in zijn hoogste passage. Hij lost hem niet op. Hij laat de aanklacht staan.
In de rabbijnse traditie is dit hét martelaarsvers geworden. De Talmoed (Gittin 57b) past dit vers toe op de moeder met haar zeven zonen; elders wordt het vers toegepast op wie de Tora studeert tot hij eraan sterft, en op wie zijn zoon laat besnijden in een tijd van vervolging. Wanneer een joodse hoorder in Rome deze regel hoorde, hoorde hij liturgie van de gedode gemeenschap.
En dan het Hebreeuwse werkwoord dat er staat waar wij lezen beschouwd als. Het betekent rekenen, denken, beramen, en het is dezelfde stam als die van gedachte en van rekening. Er staat: wij zijn gedacht als slachtschapen. De Griekse vertaling grijpt naar het boekhoudwerkwoord van de hele Romeinenbrief. In hoofdstuk 4 staat het elf keer: het werd hem gerekend tot gerechtigheid. In 8:18 staat het weer: ik reken uit dat het lijden van deze tijd niet opweegt. Er lopen dus drie berekeningen door het hoofdstuk. God rekent gerechtigheid toe. De wereld rekent ons onder het slachtvee. Paulus rekent het lijden uit en komt op niet-vergelijkbaar.
En in Jeremia 29:11 staat dezelfde stam nog een keer, in de mond van God: Ik weet welke gedachten Ik over u denk. Twee rekeningen over dezelfde mens, van dezelfde wortel. De ene komt van buiten en telt hem als vee. De andere komt van de kant waar geen scheiding vandaan kan komen.
Overwinnen in het meervoud van het slachthuis
Meer dan overwinnaars is één woord in het Grieks, en het komt nergens anders in het Nieuwe Testament voor. Ook in het overige Grieks van die eeuw is het zo goed als onvindbaar; het leest als een woord dat Paulus ter plekke maakt door over voor overwinnen te zetten.
Overwinning is het woord van het keizerrijk. Victoria, op de munten, op de bogen, in de titulatuur. Paulus zet het één vers na de slachtschapen, en verhoogt het nog een graad. Tussen het slachthuis en de overwinning staat geen enkele verklaring, behalve de vier woorden: door Hem die ons heeft liefgehad. Het is een afgesloten handeling, een gebeurtenis in de tijd, iets wat gedaan is en niet meer gedaan hoeft te worden.
Er staat niet ondanks dit alles, maar in dit alles. De overwinning ligt niet aan de andere kant van de verdrukking, te bereiken door haar te doorstaan. Zij vindt plaats binnen de nauwte, in de pers, met het mes nog in beeld.
Het werkwoord staat bovendien in het meervoud, zoals alles in deze passage: ons, wij overwinnen, wij worden gedood. Er is in deze hele perikoop geen enkele eerste persoon enkelvoud tot vers 38. Wat wordt bezongen is het voortbestaan van een wij onder omstandigheden die het wij uiteendrijven. Dat is precies wat vervolging doet: zij isoleert. Zij maakt van een lichaam een verzameling bange enkelingen. Het scheidingswoord in vers 35 gaat over de band met Christus, en tegelijk over het uiteenvallen van de gemeente onder druk — er staat geen mij.
De tien machten en de sterrenkunde
Dood, leven, engelen, overheden, tegenwoordige dingen, toekomende dingen, machten, hoogte, diepte, enig ander schepsel. Het zijn er tien, grotendeels in paren van tegendelen: dood en leven, heden en toekomst, hoogte en diepte. Krachten staat er scheef tussen, buiten elk paar — en latere handschriften hebben dat gerepareerd door het naast overheden te schuiven. De moeilijkste lezing is de oudste: er hoort iets ongepaard in die lijst te staan.
Hoogte en diepte zijn geen ruimtelijke woorden maar technische termen. In de hellenistische astrologie is hoogte het punt in de baan waar een planeet zijn grootste macht over het lot uitoefent; diepte is het tegengestelde punt, onder de horizon. Samen met engelen, overheden en krachten — de namen van de kosmische machten in de joodse en hellenistische hemelvoorstelling — vormt de lijst een inventaris van het sterrenlot.
Dat lot was de centrale religieuze angst van de eerste eeuw. Het hele apparaat van de tijd — de horoscopen, de mysteriecultussen van Isis en Mithras, de amuletten, de bezweringen — bestond om ermee te onderhandelen. Wie in Rome deze brief hoorde voorlezen, hoorde de opsomming van alles waar hij geld aan uitgaf.
Paulus ontkent hun bestaan niet. Hij noemt ze bij naam en zet er dan één woord achter dat ze allemaal terugwerkend van rang berooft: enig ander schepsel. Het woordje ander classificeert alles wat eraan voorafgaat. Dood, leven, engelen, overheden, hoogte, diepte: schepping. Geen enkele macht op de lijst is God.
En schepsel is het sleutelwoord van dit hoofdstuk. Het is hetzelfde woord als in 8:19-22, waar de schepping zucht, onderworpen is aan de vergankelijkheid en in barensweeën ligt. Wat kreunt, kan niet scheiden. Het hoofdstuk sluit zichzelf met dat ene woord.
Waar deze geografie vandaan komt
Hoogte en diepte, dood en leven, de onmogelijkheid van afstand: dat is Psalm 139.
Waarheen zou ik gaan voor Uw Geest, waarheen vlieden voor Uw aangezicht? Steeg ik ten hemel — Gij zijt daar; maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde — Gij zijt er. Nam ik de vleugels van de dageraad, ging ik wonen aan het uiterste der zee…
Hemel en sjeool, oost en west: dezelfde meetkunde, dezelfde conclusie. Met één omkering. In Psalm 139 is de mens degene die de afstand zoekt en haar niet vindt. In Romeinen 8 is hij degene die de afstand vreest en haar niet vindt. Dezelfde onmogelijkheid, van twee kanten benaderd. De psalmist ontdekt dat hij niet weg kan; Paulus ontdekt dat hij niet weggehaald kan worden.
Diezelfde structuur — het geheel benoemen door zijn uitersten te noemen en het Ene in het midden te zetten — is de bouw van Sefer Jetsira 1:5 (‘Boek van de Schepping’ of het ‘Boek der Vorming’). Tien omakim, tien diepten: diepte van begin en diepte van einde, diepte van goed en diepte van kwaad, diepte van boven en diepte van beneden, diepte van oost en west, noord en zuid. En dan: één Heer, die over hen allen heerst vanuit zijn heilige woning. Tien uitersten in paren, en een Enige die zelf niet op de lijst staat.
Romeinen 8:38-39 heeft die vorm exact. Tien genoemde grootheden, in paren van tegendelen, en dan datgene wat niet meetelt in de opsomming omdat het van een andere orde is.
De datering van Sefer Jetsira is omstreden en zeker later dan Paulus. De denkvorm is dat niet. Zij zit al in Psalm 139, en zij zit in het scheppingsverhaal.
De enige die scheidt
In Genesis 1 is scheiden een goddelijke daad. God scheidde het licht van de duisternis, de wateren van de wateren. Het Hebreeuwse werkwoord dat daar staat, is een ander dan het woord uit vers 35: het betekent afzonderen, uit elkaar leggen, en het is scheppingswerk. De wereld ontstaat doordat er ruimte tussen dingen komt. Elke scheiding is een schepping.
En de Tenach noemt precies één scheiding die niet scheppend is. Jesaja 59:2: uw ongerechtigheden zijn het die scheiding maken tussen u en uw God. Dat is het klassieke vers over verwijdering, en het noemt één dader: de ongerechtigheid. Geen macht, geen ster, geen zwaard.
Hier ligt de plaats van 8:35-39 in het hoofdstuk, en zij is architectonisch.
Romeinen 8 opent met: er is dan nu geen veroordeling. Het eerste vers van het hoofdstuk verwijdert de enige scheider die de Schrift kent. Pas als die weg is, kan de vraag van vers 35 überhaupt gesteld worden. En het antwoord kan alleen daarom sluitend zijn, omdat de lijst van machten — hoe indrukwekkend ook — de ene naam mist die er wél toe deed.
De weg van vers 1 naar vers 39 is dus geen stijgende lijn van troost. Het is een systematische leegruiming.
Eerst de veroordeling (v. 1).
Dan de vergankelijkheid van het lichaam (v. 10-11).
Dan de angst, letterlijk de geest van slavernij tot vrees (v. 15).
Dan het onvermogen om te bidden (v. 26).
Dan de aanklacht (v. 33).
Dan de machten (v. 38).
Elke instantie die tussen God en mens zou kunnen komen, wordt genoemd en weggezet.
Wat aan het eind overblijft is niet een gevoel, maar een lege ruimte waarin geen enkele partij meer bevoegd is om een akte te tekenen.
Ik ben overtuigd geworden
Paulus zegt niet: ik weet. Hij zegt: ik bén overtuigd — iets heeft mij overtuigd en de uitwerking daarvan duurt voort. Dat is grammaticaal geen zelfverzekerdheid, maar een neerslag. Er is iets met hem gebeurd, en wat hij hier opschrijft is wat ervan over is.
Overtuigen en geloven zijn in het Grieks verwant, uit dezelfde stam. Geloof is daar het woord voor de toestand van iemand die overtuigd is geraakt. Het staat in de lijdende vorm omdat het je overkomt.
En dat is precies wat gered moet worden wanneer deze verzen los in de wereld gaan. Voorgelezen bij een graf, zonder wat eraan voorafgaat, klinken zij als een verklaring van iemand die sterk in zijn schoenen staat. Twaalf verzen eerder staat: wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort. De man die in vers 38 zegt overtuigd te zijn, heeft in vers 26 gezegd dat hij niet eens weet hoe hij moet bidden. De zekerheid van het slot komt van iemand die zijn eigen sprakeloosheid heeft opgeschreven.
Wat er breekt als je het eruit haalt
Kun je deze verzen zomaar los maken van de andere teksten in het hoofdstuk? Het antwoord ligt in het vers dat erop volgt: Romeinen 9:1-3
1 Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet en mijn geweten getuigt mee door de Heilige Geest,
2 dat het een grote bron van droefheid voor mij is, en een voortdurende smart voor mijn hart.
3 Want ik zou zelf wel wensen vervloekt te zijn, weg van Christus, ten gunste van mijn broeders, mijn verwanten wat het vlees betreft.
Direct nadat Paulus tien machten heeft opgesomd die hem niet van Christus kunnen scheiden, noemt hij de ene beweging die hem er wél vandaan zou brengen: zijn eigen liefde voor zijn volk. Hij zou het vrijwillig doen. Hij is bereid tot de scheiding die geen macht in het heelal kan afdwingen.
Dat staat er zeven Griekse woorden na scheiden van de liefde Gods. Er is geen witregel, geen overgang, geen hoofdstuk. De hoofdstukindeling die daar een grens legt, is er rond 1205 door Stephen Langton ingezet, elf eeuwen na dato. Wie bij 8:39 stopt, stopt midden in een zin die nog niet af is.
En dat is de belangrijkste vondst van dit graafwerk. Paulus laat de passage niet dicht. Hij sluit alle machten uit en houdt precies één deur open, en die deur zit aan de binnenkant. Wat de liefde van God kan bedreigen, is de liefde van de mens voor een ander. Niet als bedreiging van buiten. Als bereidheid.
Wat er verder verloren gaat bij uitname: het meervoud, dat bij een individueel sterfbed onvermijdelijk inkrimpt tot een enkelvoud, terwijl de geciteerde psalm een gemeenschapsklacht is. De Akeda in vers 32, zonder welke de woorden liefde van God niets kosten. Het kreunen van de schepping in 8:22, zonder welke enig ander schepsel een abstractie is. En de zeven van vers 35, die geen retorische reeks zijn maar Paulus’ eigen curriculum: honger, naaktheid, gevaar, zwaard, stuk voor stuk uitgeschreven in 2 Korintiërs 11:23-27, met data en aantallen.
Er is één ding dat níet verloren gaat, en dat verklaart waarom de tekst zich zo makkelijk laat losmaken. De passage bevat geen enkele imperatief en geen enkele tweede persoon. In een brief die vanaf hoofdstuk 12 vrijwel uitsluitend uit aansporingen bestaat, staat hier niets wat de hoorder moet doen. Er wordt niets van hem gevraagd. Daarom kan de tekst overal geplant worden — hij heeft geen wortels nodig in de situatie van de hoorder. Precies daarom wortelt hij ook nergens.
Wat de toehoorder hoorde, in Rome, rond 57
De brief kwam aan in een gemeente die net weer bij elkaar was.
In 49 had Claudius de joden uit Rome verdreven — Suetonius noteert het in één zin, met de opmerking dat er onrust was impulsore Chresto. Vijf jaar lang draaiden de huisgemeenten in Rome zonder hun joodse leden. Na Claudius’ dood in 54 kwamen die terug, in een gemeente die inmiddels van iemand anders was geworden. Romeinen 14 en 15, de sterken en de zwakken, gaan over die ruimte.
Een gemeenschap die letterlijk was uitgezet — verwijderd van een plaats, uit elkaar gedreven over het rijk — hoorde: wie zal ruimte tussen ons leggen? Verdrukking, benauwenis, vervolging? De vraag was in Rome geen retoriek. En het antwoord in vers 39, dat geen hoogte en geen diepte het kan, kwam bij mensen aan die van elkaar gescheiden waren geweest door een edict.
Zeven jaar later kwam het zwaard. Tacitus beschrijft wat Nero in 64 met de christenen van Rome deed. Een deel van de mensen die deze brief hebben horen voorlezen, is daarin omgekomen. De lijst in vers 35 heeft in Rome binnen tien jaar zijn zeven posten afgewerkt.
En zij hoorden het. Zij lazen niet. De brief werd voorgedragen — vermoedelijk door Phoebe, de diaken uit Kenchreeën die hem meebracht (16:1-2) — in het Grieks, in een huis, aan twintig tot veertig mensen, in één bijeenkomst. Wie luistert kan niet terugbladeren. 8:35 kwam bij hen aan na ongeveer drie kwartier onafgebroken redenering over wet, vlees, geest en zuchten. En de smart om Israël in 9:1 kwam ongeveer tien seconden later.
Niemand in de eerste eeuw heeft deze woorden ooit als losse tekst gehoord.
Hebben zij het begrepen
Van de gemeente in Rome weten we niet wat zij ermee deden; de bronnen die we hebben, zijn van later en van elders. Wat we wél kunnen zien, is dat het martelaarschap in de tweede eeuw zijn taal uit deze contreien haalt — de brief van de gemeenten van Lyon en Vienne uit 177, opgenomen bij Eusebius, is doortrokken van dit vocabulaire — en dat de rabbijnse traditie hetzelfde vers uit Psalm 44 tot draagbalk van haar martelaarsverhalen maakte. Twee tradities, gescheiden geraakt, houden zich in de eeuw van hun vervolging vast aan dezelfde regel.
Dat zegt iets over verstaan dat niet over begrip gaat. Deze woorden werden niet begrepen en toen toegepast. Zij werden gebruikt op het enige moment waarop zij toetsbaar zijn, en dat moment liet geen ruimte voor uitleg.
En daar zit ook de kwetsbaarheid. Zodra de zin niets kan u scheiden van de liefde van God een leerstuk wordt dat correct beleden moet worden, keert de angst langs de achterdeur terug — nu als angst om het niet goed genoeg te geloven. De overtuiging is dan geen neerslag meer van iets wat gebeurd is, maar een prestatie die geleverd moet worden. Eugen Drewermann heeft dat mechanisme voor de kerk in kaart gebracht: de instelling die de angst zou opheffen, produceert haar opnieuw op het moment dat zij de opheffing tot voorwaarde maakt. De tekst zelf laat dat niet toe, want er staat geen gebod in. Wat eromheen gebouwd wordt, laat het wel toe.
Hoe wij het gebruiken
Vers 35 wordt geciteerd.
Vers 37 wordt geciteerd.
De verzen 38 en 39 worden overal geciteerd.
Vers 36 vrijwel nooit. Het staat er middenin, het is het enige citaat in de hele passage, en het is het vers dat consequent overgeslagen wordt — op rouwkaarten, in liederen, in de gedeelten die aan het graf worden gelezen.
Wie 35, 37, 38 en 39 achter elkaar hoort, hoort een bemoediging. Er is dan ook precies één ding uitgehaald: het vers waarin gezegd wordt dat wij de hele dag gedood worden, en waarin God ervan wordt beschuldigd te slapen.
De tekst is dus niet zomaar verkeerd begrepen. Er is een tekst overgebleven na een ingreep, en die overgebleven tekst is wél een bemoediging. Het is alleen niet dezelfde.
Waar dat vandaan komt, is niet ingewikkeld en ook niet verwijtbaar. Wij lezen deze woorden vrijwel altijd op een plek waar het antwoord al gevallen is — bij een kist, na de diagnose, achteraf. De hoorder in Rome las vooruit, in een stad waar hij niet wist wat er zeven jaar later zou gebeuren. Dat verschil in leespositie bepaalt alles. Wie vooruitleest, hoort een bewering over iets wat nog moet blijken. Wie achteraf leest, hoort een uitspraak over iets wat al gebeurd is en waar niets meer aan te doen valt. In die tweede positie ís het enige wat de tekst nog kan doen, geruststellen. Er valt niets meer te volharden.
En daaronder zit de eenvoudigste reden. Wie deze woorden nodig heeft, is bang of bedroefd, en een mens die bang is hoort in een tekst wat hij kan dragen. Dat gebeurt niet uit oppervlakkigheid. Het is beschermend, en het werkt: de zin niets kan mij scheiden is te dragen, de zin wij worden de hele dag gedood is dat op dat moment niet. Wat er wordt weggelaten, wordt weggelaten door mensen die overeind moeten blijven.
Alleen kost het iets. Want wat vers 36 doet in deze passage, is de verzekering laten gelden zonder dat het lijden verzacht hoeft te worden. Het is de enige plek waar Paulus toestaat dat de klacht blijft staan naast de zekerheid. Haal het eruit en je houdt een zekerheid over die alleen nog geldt als het lijden meevalt.
Wat bemoediging bij Paulus is
Ons woord bemoediging gaat over het gemoed. Je gaat er beter van, je kunt weer verder, de moed keert terug. Het woord dat Paulus gebruikt gaat over iets anders: het betekent letterlijk ernaast roepen. Er wordt iemand naar je toe geroepen om bij je te komen staan.
Dat is een woord uit de rechtszaal. De erbij geroepene is degene die naast de beklaagde gaat staan als het ernstig wordt — dezelfde term waarmee Johannes de Geest aanduidt, en die wij daar met Trooster vertalen. Het zegt wie er naast je staat. Over hoe je je daarbij voelt, zegt het niets.
En kijk waar Paulus het neerzet. In 15:4-5 staat het twee keer, en beide keren met volharding ernaast: de God van de volharding en van de bemoediging. Volharden veronderstelt dat het nog duurt. In 2 Korintiërs 1 maakt hij het scherper: wat hij zelf ontving stroomt door hem heen naar anderen, en het loopt dóór de verdrukking, niet eromheen. In dat woord zit geen enkele belofte dat het ophoudt.
Dan het merkwaardigste. Hetzelfde werkwoord opent Romeinen 12:1 — ik roep u op, broeders, om uw lichamen te stellen tot een levend offer. Het woord waarmee Paulus troost, is het woord waarmee hij eist. In zijn Grieks is dat één beweging: iemand naast je roepen en iemand tot iets oproepen zijn niet te scheiden. Wie erbij geroepen wordt om te staan, wordt daarmee ergens toe geroepen.
Daar valt de architectuur van de brief op zijn plaats. In hoofdstuk 8 staat geen enkel gebod en geen enkel jij. Vanaf hoofdstuk 12 staat er vrijwel niets anders. Wat wij als het bemoedigende hoogtepunt lezen, is in de bouw van de brief de vloer waarop de eis komt te staan. Het is geen rustpunt in het betoog maar de plek waar de hoorder in positie wordt gebracht.
En dan is er nog dit. In 8:31-34 wordt de rechtszaal leeggeruimd: er is geen aanklager meer, geen veroordeling, en er staat iemand voor de beklaagde te pleiten. Wat Paulus vervolgens biedt aan mensen die het zwaard tegemoet gaan, is het woord voor precies die figuur — degene die erbij geroepen wordt en blijft staan. Niet dat de zaak wordt geseponeerd. Dat je er niet alleen staat wanneer zij voorkomt.
Wij zoeken in deze verzen het gevoel. Wat er staat is de positie.
