Het verloren kind van het emancipatiebadwater
Over gelijkheid, verschil en wat onbedoeld werd ontmanteld
Dit artikel is het vierde in een reeks beschouwingen over mannen, vrouwen en wat er in de afgelopen decennia stilletjes is verschoven in onze manier van kijken. In Natuurlijke verschillen veroordeeld stond de vraag centraal hoe iets wat eeuwenlang als vanzelfsprekend gold — het bestaan van biologische en psychologische verschillen tussen mannen en vrouwen — steeds vaker wordt weggezet als sociaal construct of ideologische besmetting. Wat begon als een streven naar gelijkheid, is verworden tot een cultuur waarin elk benoemd verschil verdacht lijkt en neutraliteit de norm is geworden.
In De verborgen kosten van emancipatie verschoof de focus van theorie naar ervaring. Een ogenschijnlijk onschuldige uitspraak — “het is toch heerlijk om niet meer te hoeven” — bleek geen afkeer van taken, maar een diepere opluchting: niet langer dragend aanwezig hoeven zijn, niet meer voortdurend het geheel hoeven overzien. Daar werd zichtbaar dat emancipatie niet alleen bevrijding bracht, maar ook een verlies dat zelden benoemd wordt: het loslaten van een vorm van betrokkenheid die niet taakgericht is, maar relationeel, belichaamd en schaalgevoelig.
Het derde artikel, Verdwijnend schaalbewustzijn, plaatste deze ervaring in een breder cultureel en filosofisch kader. In klassieke antropologische en filosofische tradities werd het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk niet primair begrepen als rolverdeling, maar als een verschil in verhouding tot tijd, orde en wording. Samenlevingen bleken niet alleen te worden gedragen door kracht en rationaliteit, maar juist ook door afstemming, begrenzing en ritme. Wat vandaag verdwijnt, is niet een taak, maar een manier van waarnemen die beschavingen intern in balans hield.
Dit vierde artikel, Het verloren kind van het emancipatiebadwater, zet daar een volgende, scherpere stap. Hier gaat het niet meer alleen over wat verdwijnt, maar over hoe dat verdwijnen heeft kunnen plaatsvinden. In het streven naar gelijkheid is gelijkwaardigheid ongemerkt vervangen door gelijkvormigheid. Verschil mocht niet langer bestaan, omdat het te vaak was misbruikt om ongelijkheid te rechtvaardigen. Maar door verschil te wantrouwen, werd ook de waarde van het vrouwelijke zelf ontmanteld.
Niet de onderdrukking werd bevrijd, maar het vrouwelijke werd geneutraliseerd. Wat ooit dragend, begrenzend en afstemmend werkte, werd als achterhaald of belemmerend gezien. Zo dreigt emancipatie, in haar meest radicale vorm, precies datgene weg te gooien wat nooit het probleem was: de wezenlijke, gelijkwaardige verschillen die menselijke samenlevingen maat, ritme en continuïteit gaven.
Dit artikel is geen pleidooi voor terugkeer naar oude rollen en geen afwijzing van emancipatie. Het is een poging om te benoemen wat verloren dreigt te gaan wanneer gelijkheid geen ruimte meer laat voor verschil — en waarom juist dat verloren “kind” vandaag opnieuw zichtbaar wordt in een samenleving die steeds sneller, technischer en innerlijk armer wordt.
De paradox van bevrijding
Emancipatie behoort tot de grote morele verworvenheden van de moderne tijd. Zij was geen luxe, maar een historische noodzaak. Vrouwen moesten zich losmaken uit structuren waarin hun mogelijkheden werden beperkt, hun stem werd genegeerd en hun levensrichting vooraf werd vastgelegd. Dat deze bevrijding heeft plaatsgevonden, is geen detail in de geschiedenis, maar een fundamentele correctie. Wie dat ontkent, mist het vertrekpunt van dit betoog.
Toch kent elke bevrijding een paradox. Waar iets wordt afgeworpen, verdwijnt niet alleen wat knelde, maar soms ook wat droeg. Emancipatie werd gevierd als overwinning, maar zelden begeleid door rouw. Rouw om wat met het afleggen van oude structuren óók verloren ging. Want niet alles wat in die structuren aanwezig was, was per definitie onderdrukkend. Sommige elementen waren dragend, ordenend of betekenisgevend, juist omdat ze niet losstonden van lichaam, relatie en tijd.
De vraag die daarom nauwelijks gesteld mocht worden, is niet of emancipatie gerechtvaardigd was, maar wat zij onbedoeld heeft ontmanteld. Niet uit kwaadwilligheid, maar uit noodzaak. In het publieke debat werd verschil te vaak gebruikt als rechtvaardiging voor ongelijkheid. Daardoor werd verschil zelf verdacht. Wat ooit een bron van gelijkwaardigheid had kunnen zijn, werd iets dat uitgewist moest worden om recht te doen aan vrijheid.
Culturen die langdurig bestaan, weten dat bevrijding zonder herwaardering een risicovolle onderneming is. Wanneer oude vormen worden losgelaten zonder dat hun betekenis wordt doorgrond, verdwijnt niet alleen het probleem, maar ook de wijsheid die daarin verborgen lag. Beschaving is geen kwestie van telkens opnieuw beginnen, maar van onderscheiden wat losgelaten moet worden en wat in nieuwe vorm behouden kan blijven. Waar dat onderscheid niet wordt gemaakt, volgt ontmanteling.
Het beeld van het kind dat samen met het badwater wordt weggegooid, is daarom geen retorische overdrijving, maar een treffende metafoor. In de poging om vrouwen te bevrijden van beperkende rollen, is ook iets anders verdwenen: een manier van waarnemen, van afstemmen, van in de wereld staan die niet eenvoudig te scheiden was van die rollen, maar er ook niet tot te reduceren viel. Wat verloren ging, werd niet benoemd, en wat niet wordt benoemd, kan niet worden betreurd — laat staan hersteld.
Dit artikel beoogt geen terugkeer naar het verleden en geen veroordeling van emancipatie. Het wil de lezer voorbij schuld en verzet brengen, naar een preciezere waarneming. Niet de vraag wie heeft gefaald staat centraal, maar wat we zijn kwijtgeraakt door verschil te verwarren met ongelijkheid. Pas wanneer die vraag gesteld mag worden, kan zichtbaar worden wat er vandaag ontbreekt — en waarom dat gemis zich nu pas volledig laat voelen.
Wanneer gelijkheid gelijkvormigheid wordt
Gelijkheid begon als een juridisch principe. Het was bedoeld als bescherming: gelijke rechten, gelijke toegang, gelijke waardigheid voor de wet. In die betekenis was gelijkheid een noodzakelijke correctie op eeuwen van uitsluiting en hiërarchie. Het probleem ontstond niet op het niveau van het recht, maar toen gelijkheid verschoof van een juridisch uitgangspunt naar een cultureel ideaal. Wat ooit bedoeld was om verschil te beschermen tegen ongelijkheid, begon verschil zelf te wantrouwen.
Die verschuiving bleef grotendeels onzichtbaar omdat zij zich presenteerde als neutraliteit. Wie kan tegen gelijkheid zijn? Wie wil ongelijkheid verdedigen? Maar juist in die vanzelfsprekendheid werd een maatstaf normatief zonder dat zij als zodanig werd herkend. Gelijkheid werd niet langer opgevat als gelijkwaardigheid van verschillende wijzen van bestaan, maar als vergelijkbaarheid. En vergelijkbaarheid vereist uniformiteit.
De maat waaraan die uniformiteit werd afgemeten, was niet neutraal. Zij was historisch gevormd binnen een mannelijk georiënteerde wereld van autonomie, abstractie en losmaking. Vrijheid werd opgevat als onafhankelijkheid: niet afhankelijk zijn van relaties, lichamen of omstandigheden. Autonomie werd verstaan als zelfbeschikking los van context. Dat zijn geen universele menselijke categorieën, maar specifieke idealen die beter passen bij een manier van in de wereld staan die afstand kan nemen, abstraheren en scheiden.
Isaiah Berlin maakte al onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid: vrijheid van dwang versus vrijheid om richting te geven aan het eigen leven. In het emancipatoire denken kreeg vooral de eerste betekenis nadruk. Vrij zijn betekende: niet gebonden, niet verplicht, niet afhankelijk. Wat minder aandacht kreeg, was de vraag wat er nodig is om daadwerkelijk te kunnen handelen, dragen en vormgeven. Vrijheid werd zo losgemaakt van belichaamde en relationele voorwaarden.
Hannah Arendt waarschuwde dat gelijkheid slechts zinvol is binnen een erkenning van pluraliteit. Mensen zijn gelijk in waardigheid, maar verschillend in wijze van verschijnen in de wereld. Wanneer pluraliteit wordt opgeofferd aan gelijkheid, verliest het publieke domein zijn vitaliteit. Verschil wordt dan geen bron van betekenis, maar een probleem dat opgelost moet worden. In plaats van ruimte te maken voor verschillende vormen van mens-zijn, wordt één vorm impliciet de norm.
Simone de Beauvoir zag deze spanning scherp. In haar streven naar bevrijding toonde zij hoe vrouwen tot “de Ander” waren gemaakt, maar zij wees ook op de ambiguïteit van gelijkheid. Gelijk worden betekende vaak: toetreden tot een wereld die al was ingericht volgens mannelijke maatstaven. Wat niet in die maat paste, moest worden aangepast of achtergelaten. Gelijkheid werd daarmee geen wederzijdse transformatie, maar een eenzijdige aanpassing.
Zo werd “neutraal” steeds abstracter. Het onthechte, het meetbare, het functionele gold als objectief; het relationele, belichaamde en contextuele werd gezien als subjectief en dus verdacht. Wat zich niet eenvoudig liet vergelijken of standaardiseren, werd gemarginaliseerd. Niet omdat het minder waard was, maar omdat het niet paste binnen het dominante beeld van gelijkheid.
Het gevolg is dat verschillen niet langer als gelijkwaardig konden bestaan. Ze werden ofwel ontkend, ofwel herleid tot achterstand die moest worden ingehaald. In beide gevallen verdween hun eigen waarde. Gelijkheid verloor zo haar oorspronkelijke belofte en werd een vorm van gelijkvormigheid: één norm, één maat, één manier om vrij te zijn.
Wat hier werd gewonnen aan juridische bescherming, werd cultureel betaald met verlies aan diversiteit in mens-zijn. En precies daar begint het spoor zichtbaar te worden van wat samen met het badwater is weggegooid: niet alleen oude beperkingen, maar ook een andere wijze van vrijheid begrijpen en belichamen.
Het onderdrukte vrouwelijke dat nooit bevrijd werd
Wat onderdrukt is geweest, wordt zelden onbevangen ontvangen wanneer het zich opnieuw aandient. Emancipatie bevrijdde vrouwen terecht van opgelegde rollen, maar zij bevrijdde niet automatisch datgene wat onder die rollen verborgen lag. Integendeel: juist omdat het vrouwelijke zo lang was gebruikt om vrouwen te beperken, werd alles wat ermee werd geassocieerd met argwaan bekeken. Niet alleen de rol werd verdacht, maar ook de waarden die daarin hadden geleefd.
Die argwaan is begrijpelijk, maar zij had een prijs. In de haast om niet terug te vallen in oude patronen, werd het onderscheid tussen rol en waarde onvoldoende gemaakt. Vrouwenrollen — moeder, verzorger, draagster van het private — werden terecht afgewezen als dwingend en begrenzend. Maar met het afwerpen van die rollen verdween ook de culturele erkenning van het relationele, het ritmische en het belichaamde bewustzijn dat daarin tot uitdrukking kwam. Wat niet los te maken leek van onderdrukking, werd niet bevrijd, maar geneutraliseerd.
De angst hiervoor zit diep. Relationeel bewustzijn verzet zich tegen abstracte controle. Ritme verdraagt zich slecht met versnelling en optimalisering. Belichaamde betrokkenheid laat zich niet standaardiseren of objectiveren. Deze kwaliteiten onttrekken zich aan een wereld die veiligheid zoekt in meetbaarheid, voorspelbaarheid en juridische afbakening. Ze zijn niet bangmakend omdat ze zwak zijn, maar juist omdat ze grenzen stellen waar systemen geen antwoord op hebben.
Daarom werden deze vrouwelijke waarden steeds vaker gereduceerd tot privégevoel, emotie of intuïtie — en daarmee buiten het domein van serieus weten geplaatst. Wat zich niet laat bewijzen, rekenen of plannen, werd als subjectief en dus onbetrouwbaar gezien. Zo werd het vrouwelijke perspectief niet weerlegd, maar eenvoudigweg niet meer erkend als geldige vorm van kennis.
Het onderscheid tussen bevrijden en neutraliseren is hier cruciaal. Bevrijden betekent: ruimte maken zodat iets zich in eigen vorm kan tonen. Neutraliseren betekent: iets onschadelijk maken door het zijn onderscheidende kracht te ontnemen. Veel van wat in naam van emancipatie gebeurde, was het laatste. Het vrouwelijke mocht bestaan, zolang het zich aanpaste aan de dominante maat. Zolang het niet stoorde, vertraagde of begrensde.
Dat verklaart waarom het vrouwelijke, ondanks formele gelijkheid, nooit werkelijk werd bevrijd. Het werd toegelaten op voorwaarde dat het zijn eigenheid achterliet. Wat overbleef, was een uitgeklede versie die wel functioneerde binnen bestaande systemen, maar geen tegenkracht meer vormde. Geen bron van ritme, geen correctief op overmatige abstractie, geen bewaker van samenhang.
De ongemakkelijke waarheid is daarom deze: niet alles wat werd onderdrukt, was onderdrukkend. Sommige elementen werden onderdrukt omdat ze niet pasten binnen een orde die controle, expansie en lineaire vooruitgang centraal stelde. Door die elementen niet te onderscheiden van de structuren die hen gevangen hielden, zijn ze mee verdwenen.
En precies dat verklaart waarom hun afwezigheid vandaag voelbaar wordt. Wat ooit werd gezien als beperking, blijkt achteraf ook bescherming te zijn geweest. Niet tegen vrijheid, maar tegen ontmanteling.
Schaalbewustzijn als verloren cultuurfunctie
Wanneer het vrouwelijke perspectief uit een cultuur verdwijnt, verdwijnt niet slechts een stem, maar een manier van waarnemen die samenlevingen intern ordent. Wat verloren gaat, is schaalbewustzijn: het vermogen om tegelijkertijd het onmiddellijke en het langdurige te voelen, het zichtbare en het nog-niet-zichtbare, het individuele leven en het grotere geheel waarin dat leven is ingebed. Het is een bewustzijn dat niet primair analyseert, maar afstemt; dat niet optimaliseert, maar bewaart, dat geen actie vraagt, maar durft te wachten tot de tijd rijp is.
In klassieke antropologische tradities werd deze vorm van waarnemen niet geconceptualiseerd als ‘vrouwelijk’ in biologische zin, maar als een noodzakelijke culturele functie. Samenlevingen die zich over generaties konden handhaven, ontwikkelden rituelen, overgangen en dragende structuren waarin tijd niet lineair werd beleefd, maar cyclisch. Geboorte, volwassenwording, zorg, sterven — het waren geen individuele gebeurtenissen, maar processen die gedragen werden door collectieve aanwezigheid van vrouwen en gedragen door het samen-zijn. Het vrouwelijke perspectief was daarin vaak belichaamd, niet omdat vrouwen dit ‘moesten’ doen, maar omdat hun schaalbewustzijn hun nabijheid tot wording inhield en omdat zij dragers zijn van kwetsbaarheid en continuïteit. Het is het gevolg van hun zijn.
Dit schaalbewustzijn is per definitie cyclisch. Het kijkt niet alleen naar wat nu efficiënt is, maar naar wat iets kost — in energie, in relaties, in toekomst, welke beweging het in zich heeft. Het voelt wanneer versnelling uitputting wordt, wanneer groei omslaat in roofbouw, wanneer abstractie de band met de werkelijkheid verliest. Het is geen rem uit behoudzucht, maar een innerlijk correctiemechanisme dat voorkomt dat systemen zichzelf ondergraven. Het is een brede manier van kijken. Het is een weten dat alles met alles te maken heeft en dat een steen in de rivieren verleggen grote gevolgen heeft.
Juist daarom botst dit perspectief met technocratie, meritocratie en marktlogica. Technocratische systemen vragen om meetbaarheid en voorspelbaarheid. Meritocratische systemen veronderstellen vergelijkbaarheid en lineaire vooruitgang. Marktlogica waardeert wat schaalbaar en verhandelbaar is. Schaalbewustzijn daarentegen werkt met grenzen, timing en context. Het maakt zichtbaar dat niet alles tegelijk kan, niet alles groei mag heten, en niet alles wat mogelijk is ook wenselijk is.
Wanneer dit bewustzijn verdwijnt, verandert het denken zelf. Samenlevingen gaan dan lineair functioneren: probleem en oplossing, oorzaak en effect, input en output. Wat buiten dat schema valt — vertraging, rouw, herhaling, onzichtbare samenhang — wordt gezien als inefficiënt of irrelevant. Tijd verliest zijn diepte en wordt planning. Relaties worden functies. Processen worden projecten.
Hannah Arendt waarschuwde dat een samenleving die het wereldlijke verwart met het functionele haar vermogen verliest om betekenis te dragen. Waar handelen wordt gereduceerd tot uitvoeren, en aanwezigheid tot inzetbaarheid, verdwijnt de ruimte waarin mensen niet alleen doen, maar verschijnen. Schaalbewustzijn behoort tot die wereldlijke ruimte: het verbindt handelen aan duur, aan verantwoordelijkheid over generaties, aan het besef dat menselijk leven meer is dan productiviteit.
Carol Gilligan liet in haar werk zien dat moreel oordelen niet alleen langs abstracte principes verloopt, maar ook via relationele afstemming. Haar ethiek van zorg werd vaak misbegrepen als pleidooi voor een taakverdeling, terwijl het in wezen gaat om een andere morele waarneming: aandacht voor context, kwetsbaarheid en wederzijdse afhankelijkheid. Dit is geen sentimentaliteit of primitiviteit, maar een vorm van morele scherpte die verloren gaat wanneer zorg wordt gereduceerd tot functie en verantwoordelijkheid tot protocol.
Wat hier zichtbaar wordt, is dat schaalbewustzijn geen privékwaliteit is, maar een publieke noodzaak. Het vormt de onzichtbare infrastructuur van beschaving. Wanneer het vrouwelijke perspectief wordt gemarginaliseerd of geneutraliseerd, verliest een samenleving haar vermogen tot zelfbegrenzing. Ze kan nog wel groeien, produceren en versnellen, maar niet meer aanvoelen wanneer het te veel wordt, niet meer wachten tot de samenhang zichtbaar is.
De gevolgen laten zich pas later zien: in ecologische chaos, in sociale fragmentatie, in existentiële leegte. Niet omdat vrouwen verdwenen zijn, maar omdat een vorm van bewustzijn niet langer wordt gedragen. Wat overblijft is een cultuur die functioneert, maar niet meer voelt waar zij heen beweegt. Een cultuur vergeten is dat controle maar een heel klein aspect van leven is.
Gelijkwaardigheid vraagt erkenning van verschil
Verschil is niet gevaarlijk. Het wordt dat pas wanneer een cultuur niet langer weet hoe zij verschil moet dragen. In samenlevingen waarin hiërarchie diep heeft ingegrepen, is verschil terecht met argwaan bekeken. Te vaak werd het gebruikt om macht te legitimeren en ongelijkheid te rechtvaardigen. Het moderne antwoord daarop was begrijpelijk: verschil moest verdwijnen om gelijkheid mogelijk te maken. Maar in die beweging werd een cruciale stap overgeslagen. Men leerde ongelijkheid bestrijden, maar niet verschil verdragen.
Het onvermogen om in verschil te denken zonder hiërarchie is een van de meest bepalende kenmerken van de moderne tijd. Waar verschil verschijnt, wordt automatisch een rangorde vermoed. Wat anders is, moet ofwel worden opgewaardeerd tot hetzelfde, ofwel worden verdacht gemaakt. Gelijkwaardigheid wordt zo verward met gelijkvormigheid: pas wanneer iedereen vergelijkbaar is, lijkt rechtvaardigheid verzekerd.
Emancipatie heeft in die logica verschil gewantrouwd, niet omdat het verschil zelf problematisch was, maar omdat het historisch misbruikt is. Het vrouwelijke werd te vaak ingezet als reden voor uitsluiting, afhankelijkheid en beperking. Daardoor werd alles wat als ‘vrouwelijk’ werd herkend besmet. Het werd veiliger geacht om het verschil zelf te ontkennen dan om het opnieuw te doordenken. Wat had moeten worden bevrijd, werd geneutraliseerd.
Maar verschil verdwijnt niet door het te ontkennen. Het trekt zich terug, vervormt of keert terug in andere gedaanten. Wanneer het geen plaats krijgt als gelijkwaardig, wordt het ofwel gemarginaliseerd, ofwel geïdealiseerd. In beide gevallen verliest het zijn werkelijke functie. Verschil vraagt geen verheffing, maar bedding. Het vraagt een cultuur die het kan dragen zonder het te willen beheersen.
Het alternatief is geen terugkeer naar vaste rollen of voorgeschreven identiteiten. Het is een beweging vooruit, naar een volwassen begrip van gelijkwaardigheid. Gelijkwaardig zijn betekent niet hetzelfde zijn, maar elkaar erkennen als dragers van verschillende kwaliteiten die elkaar aanvullen en begrenzen. Dat vraagt om onderscheidingsvermogen, niet om uniformiteit.
Wanneer verschil wordt erkend zonder dat het vastgezet wordt, ontstaat ruimte. Ruimte voor manieren van waarnemen die niet dominant hoeven te zijn om betekenisvol te zijn. Ruimte voor vrouwelijke kwaliteiten zonder dat vrouwen daarin worden opgesloten. Ruimte voor mannen om zich tot die kwaliteiten te verhouden zonder verlies van eigenheid. Verschil wordt dan geen beperking, maar een bron van wederzijdse correctie.
De angst voor verschil is uiteindelijk een angst voor afhankelijkheid. Want verschil maakt zichtbaar dat niemand zichzelf voldoende is. We hebben immers elkaar nodig! Dat vrijheid altijd ingebed is in relaties, grenzen en wederzijdse beïnvloeding. Een cultuur die absolute autonomie nastreeft, kan verschil alleen zien als bedreiging. Een cultuur die volwassen wordt, leert verschil te dragen zonder het te hoeven neutraliseren.
Daarom is dit mijn pleidoog, geen pleidooi voor terug. Het is een pleidooi voor verder, dieper, breder — mét datgene wat onderweg is weggefilterd. Voor een samenleving die niet alleen gelijkheid nastreeft, maar ook de moed heeft om verschil weer toe te laten als dragende werkelijkheid. Pas dan kan gelijkwaardigheid meer zijn dan een abstract ideaal.
De verborgen kosten — zichtbaar in het heden
In de voorgaande artikelen liet ik zien hoe de verborgen kosten van emancipatie en de verdwijning van schaalbewustzijn zich manifesteren in de wereld om ons heen. Wat structureel verloren gaat, laat altijd sporen na. Niets wat van nature zo is, kan volledig worden uitgesloten, want daarmee wordt de balans verstoord — de balans die cultuur, samenleving en ecologie in stand houdt.
De sporen van dit verlies zijn overal zichtbaar, vaak op plaatsen waar we het het minst verwachten, maar waar de consequenties het duidelijkst zijn. De burn-out van vandaag is geen individueel falen; het is het resultaat van lineair presteren in een wereld die ooit cyclisch en relationeel was ingericht. Ritme, pauze, afstemming op de natuurlijke grenzen van lichaam en geest — het werd opgeofferd aan efficiency en meetbaarheid.
In de ecologische arena zien we dezelfde dynamiek. De natuurlijke balans wordt overschreven door controle: grootschalige zonneparken en windmolenparken die optimalisatie boven harmonie stellen, pesticiden die opbrengst boven biodiversiteit kiezen. Elk technisch ingrijpen dat schaalbewustzijn vervangt door abstractie, vernietigt de onzichtbare structuur die het systeem in stand hield. Het resultaat is ecologische verwarring, een landschap dat functioneert, maar niet leeft.
Ook in de opvoeding zijn de sporen zichtbaar. Structuur blijft bestaan, maar bedding ontbreekt: rituelen, ritmes en cyclische overgangen die betekenis en continuïteit gaven, zijn verdwenen. Kinderen krijgen een schema, maar geen ritme van aanwezigheid dat verbondenheid en innerlijke veiligheid schept.
AI en technologie illustreren een ander facet: intelligentie zonder belichaamd bewustzijn. Algoritmes kunnen patronen herkennen en voorspellen, maar missen de afstemming en kunnen geen wezenlijk onderscheidt maken, die het menselijk schaalbewustzijn brengt: het voelen van tijd, impact en context. We bouwen systemen die alles berekenen, maar niets dragen of bezielen.
In de medische praktijk zien we het opnieuw: symptoombeheersing zonder proces. Vaccinaties, medicatie, ingrepen — alles wordt gemeten, gecontroleerd en opgelost, terwijl het lichaam en de psyche de gelegenheid missen om zichzelf te reguleren, te herstellen en te leren van stress en ziekte.
Overal waar het schaalbewustzijn is ontmanteld, waar de relationele, cyclische en belichaamde manier van waarnemen en handelen wordt geneutraliseerd, treedt ontzieling op. Niet slechts op één terrein, maar systematisch: in werk, in zorg, in technologie, in ecologie, in opvoeding en in lichaamservaring. Wat ooit het onzichtbare weefsel van samenleving en cultuur was, is verarmd tot functionele structuren zonder geheugen, zonder ritme en zonder diepte.
De les is glashelder: het verlies van schaalbewustzijn is geen abstracte theoretische kwestie. Het is tastbaar, voelbaar, meetbaar in het dagelijks leven. Wat we winnen aan vrijheid en efficiëntie, verliezen we aan verbondenheid, diepgang en evenwicht. De uitdaging van onze tijd is dan ook niet enkel gelijkheid of productiviteit, maar het herstellen van een vermogen om te dragen, te voelen en te verbinden — opdat de structuren die we bouwen niet alleen functioneren, maar ook leven.
Het verloren kind benoemen
Wat verloren is gegaan, kan pas terugkeren wanneer het eerst wordt herkend. Het “kind dat samen met het badwater is weggegooid” staat symbool voor het vrouwelijke perspectief dat in emancipatie te vaak werd geneutraliseerd: het vermogen om cyclisch, procesmatig en relationeel te denken, het schaalbewustzijn dat ritme, begrenzing en verbondenheid bewaakt.
Erkenning is de eerste stap van herstel. Wat niet wordt benoemd, kan niet worden hersteld. Door te erkennen dat dit perspectief verloren is gegaan, creëren we ruimte voor reflectie en herwaardering — los van schuld, los van verwijt. Het is een cultureel verlies, geen individueel falen. Het kind hoeft niet gestraft, maar gehoord te worden.
Het vrouwelijke hier gaat niet over identiteit, rol of eigenschappen van individuen, maar over een cultuurfunctie: een manier van waarnemen en handelen die verbanden ziet, consequenties voelt en processen bewaakt. Dit is niet alleen een “vrouwelijk” vermogen, maar een menselijke noodzaak. Zowel mannen als vrouwen hebben dit perspectief nodig: voor een samenleving die niet enkel meetbaar, lineair en efficiënt wil zijn, maar die ook duurzaam, betekenisvol en verbonden kan functioneren.
Herstel vraagt daarom geen terugkeer naar oude rollen. Het vraagt rouw — niet van schuld, maar van verlies. Het vraagt het toelaten van wat is weggevallen, het voelen van wat er ontbreekt, en het creëren van een nieuwe bedding voor verschil en verbondenheid. Alleen zo kan het kind terugkeren, niet als symbool van beperking of rol, maar als drager van een het vrouwelijke wezen en daarmee van een cultuurfunctie die de samenleving weer in evenwicht kan brengen.
Het kind van het emancipatiebadwater staat dus niet alleen voor wat vrouwen hebben verloren, maar voor wat wij allemaal als samenleving missen, omdat we het niet hebben gezien en gewaardeerd: een innerlijk ritme, een relationele afstemming en een vermogen tot schaalbewustzijn dat het leven, de cultuur en de wereld ordent. Herstel begint met erkennen. Herstel begint met waarnemen. Herstel begint met het durven dragen van verschil — zonder angst, zonder neutralisatie, maar met volledige aandacht voor de complexiteit van leven en menszijn.
Naar een volwassen gelijkwaardigheid
Emancipatie was een historische noodzaak en een morele overwinning, maar het was een fase, geen eindpunt. De strijd voor gelijke rechten heeft vele barrières doorbroken, maar tegelijkertijd een subtiel verlies teweeggebracht: het ontmantelen van waardesystemen, perspectieven en vermogens die niet meetbaar waren, niet efficiënt, en soms zelfs als “achterhaald” werden gezien.
Het volwassen worden van gelijkwaardigheid vraagt iets anders dan het afleggen van rollen of het streven naar neutraliteit. Het vraagt dat we verschil weer durven toelaten — zonder angst, zonder hiërarchie, zonder het verlangen alles te standaardiseren. Het vraagt erkenning dat gelijkwaardigheid niet gelijkvormigheid is, en dat vrijheid pas volledig kan bestaan wanneer we bereid zijn het volle spectrum van menselijke ervaring te dragen: cyclisch, relationeel, belichaamd.
Daarom is de vraag die dit artikel achterlaat aan elke lezer: wat hebben wij, in onze pogingen vrij te zijn, ontmanteld? Welke functies, perspectieven en vermogens hebben we weggeworpen samen met het badwater? Pas door dit te erkennen en te voelen, kunnen we ruimte maken voor een samenleving waarin gelijkwaardigheid werkelijk volwassen wordt — een samenleving waarin verschil niet wordt gevreesd, maar gewaardeerd, en waarin het verloren kind eindelijk de aandacht krijgt die het verdient.
In onze samenleving krijgt dit geluid van het verloren kind nauwelijks ruimte. De mensen die er wél oog voor hebben bevinden zich vaak aan de randen van het dominante discours. Hun observaties worden als “subjectief”, “achterhaald” of “niet productief” bestempeld, terwijl juist hun waarneming de sporen van het verlies onthult: een gebrek aan ritme, een verstoorde balans, een ontkoppeling van lichaam, geest en omgeving. Het is een stil verzet tegen een wereld die alleen lineair meetbare resultaten waardeert; een fluistering van wat ooit vanzelfsprekend werd gedragen, maar nu verloren gaat. Dat deze stemmen vaak onzichtbaar blijven, maakt het verlies alleen maar fundamenteler: wie de waarde van schaalbewustzijn niet herkent, ziet ook niet dat haar afwezigheid de basis legt voor burn-out, ecologische verwarring, ontzielde technologie en een opvoeding zonder bedding. Het is een paradox: het perspectief dat de samenleving het meest nodig heeft, is precies dat wat ze negeert.
