Het Woord dat vlees wordt
Er staat een zin in de proloog van Johannes die bijna elke vertaling gladstrijkt. Vers 17. De wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus geworden. De meeste bijbels maken er “gekomen” van, of “gebracht”, en dan loopt de zin lekker. Twee gaven, twee brengers, Mozes en Jezus naast elkaar. Maar dat staat er niet. Voor de wet gebruikt Johannes edothē — is gegeven, passief, iets wat je in handen krijgt. Voor de waarheid gebruikt hij egeneto — is geworden, is gebeurd, heeft plaatsgevonden.
De wet wordt gegeven. De waarheid gebeurt.
Dat is geen stijlverschil. Het is het verschil waar het hele evangelie op rust, en Johannes heeft het in zijn eerste alinea al twee keer laten horen voordat hij het hier uitspreekt. In den beginne was het Woord — ēn, was, de duurvorm, iets wat er altijd al is. En het Woord is vlees geworden — egeneto, is geworden, de vorm van de gebeurtenis, van het ene moment waarop iets plaatsvindt dat er daarvoor niet was. Twee werkwoorden, en Johannes houdt ze veertien verzen lang strikt gescheiden. Alles wat God is: ēn. Alles wat geschapen wordt, alles wat komt, de man die Johannes heet, het vlees: egeneto.
En dan zet hij de waarheid aan de kant van egeneto.
Hij zegt nergens in zijn evangelie dat iets waar is. Hij zegt dat de waarheid geworden is. Dat je haar kunt doen (3:21). Dat je uit haar kunt zijn (18:37). Dat ze je vrijmaakt (8:32). Dat zijn allemaal werkwoorden van gebeuren, niet van kloppen. En de enige in het hele boek die naar de waarheid vraagt alsof ze een toestand is — wat ís waarheid — is Pilatus. Hij gebruikt estin. Het werkwoord van de definitie. En hij krijgt geen antwoord, omdat hij naar de verkeerde werkwoordsvorm vraagt.
Om te zien waarom Johannes dit doet, moet je zien welk woord hij voor het Woord gekozen heeft — en welke hij heeft laten liggen.
Logos.
Het Grieks had meer woorden voor woord dan wij, en Johannes kende ze allemaal. Hij gebruikt ze zelf.
Rhēma is het gesproken woord, de uiting, wat uit een mond komt. Johannes gebruikt het voor de woorden die Jezus zegt: de woorden die ik tot u spreek, zijn geest en leven (6:63), en Petrus: u hebt woorden van eeuwig leven (6:68). Rhēma is meervoud, het zijn er veel, ze klinken en zijn voorbij.
Mythos is het verhaal, de vertelling — het woord waar wij mythe van hebben. Het Nieuwe Testament gebruikt het alleen afkeurend: verzinsels, oudewijvenpraat. Johannes gebruikt het nooit.
Epos is het woord als gedicht, als gezang. Het staat één keer in het hele Nieuwe Testament, en niet bij Johannes.
Maar logos is iets anders dan alle drie. Het komt van legein, en legein betekent eerst verzamelen, bijeenlezen, en dan pas spreken. Een logos is wat je bijeengebracht hebt zodat het samenhangt: de rekening, het verslag, de redenering, de verhouding tussen twee getallen. Het is het woord dat orde in zich draagt. Wie logos zegt, zegt niet: er wordt iets gezegd. Hij zegt: er zit samenhang in, er is iets wat het bijeenhoudt.
Heraclitus had het woord vijfhonderd jaar eerder al gebruikt voor het beginsel dat de hele werkelijkheid ordent — en had erbij gezegd dat de mensen het niet begrijpen, ook niet nadat ze het gehoord hebben. De Stoa noemde het de rede die door de kosmos loopt, en de kiem ervan in elke mens. En Philo van Alexandrië, een Jood die twintig jaar vóór Johannes stierf, had logos gebruikt voor de middelaar tussen de onzichtbare God en de zichtbare wereld: het instrument waarmee geschapen werd, de eerstgeborene, het beeld.
Dus wie in Efeze of Alexandrië Johannes’ eerste zin hoorde, hoorde geen vreemd woord. Hij hoorde het bekendste woord van de filosofie. In den beginne was de samenhang. De rede. Het beginsel. Tot zover kon elke gevormde Griek meelezen.
En dan vers 14. En de samenhang is vlees geworden.
Dat kon niemand meelezen. Voor een Griek was het vlees precies wat de logos níet was: vergankelijk, onordelijk, het dal waar de rede uit moest opstijgen. Johannes neemt het meest geestelijke woord uit de Griekse taal en laat het landen in het minst geestelijke wat er bestaat. Niet in een lichaam — sōma had hij ook kunnen zeggen, dat is netter. In sarx. Vlees. Het woord voor wat bloedt en zweet en sterft.
Maar Johannes denkt niet alleen in het Grieks. Hij is een Judeeër, en achter logos staat een Hebreeuws woord dat het Grieks niet kan zeggen — en dat verklaart waarom hij egeneto gebruikt.
Davar.
Het Hebreeuwse woord voor woord is ook het Hebreeuwse woord voor ding. Voor zaak. Voor gebeurtenis. Devarim zijn woorden, en het zijn dingen die gebeurd zijn — achar ha-devarim ha-elleh, na deze dingen, na deze gebeurtenissen, zegt Genesis steeds, en je kunt het even goed vertalen met: na deze woorden. Het vijfde boek van Mozes heet Devarim, en dat is “woorden” en “zaken” tegelijk.
Voor een Griek is het woord een naam voor iets. Voor een Hebreeër is het woord het ding zelf, in zijn eerste vorm. Als God spreekt in Genesis 1, is het niet zo dat er eerst een woord is en dan een ding. Er zij licht — en er was licht. Het woord ís het gebeuren. Er zit geen ruimte tussen.
En daarom heeft het Hebreeuws een uitdrukking die in het Grieks niet kan en die Johannes toch vertaalt. Als een profeet geroepen wordt, staat er: en het woord van de Heer geschiedde tot Jeremia. Geschiedde. Het werkwoord is hayah, worden, gebeuren, plaatsvinden. Het woord komt niet als informatie. Het overkomt de profeet. Het is een gebeurtenis in zijn leven, met een datum, in het dertiende jaar van koning Josia. En de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, die Johannes kende, geeft dat weer met — egeneto. Het woord gebeurde.
Nu staat de zin uit vers 17 in een ander licht. De waarheid is door Jezus Christus geworden is geen slordig Grieks. Het is Hebreeuws in Griekse letters. Johannes zegt van de waarheid wat de profeten van het woord zeiden: het is geschied. Het heeft plaatsgevonden. Er was een dag waarop het gebeurde.
En de mystiek voegt eraan toe wat de grammatica al liet zien. Het binnenste vertrek van de tempel, de plek achter het voorhangsel waar alleen de hogepriester één keer per jaar kwam, heet in het Hebreeuws devir. Dezelfde drie letters als davar: dalet, bet, resj. Het allerheiligste is de plaats van het woord. Niet van het gesproken woord — daar werd niet gesproken. Van het woord als de plek waar God en mens elkaar raken. Wie Johannes hoort zeggen dat het Woord zijn tent onder ons heeft opgeslagen, eskēnōsen, hoort het devir verhuizen: uit het steen, in het vlees.
Jezus sprak Aramees. En het Aramese woord dat de synagoge van Galilea gebruikte als het over Gods spreken ging, is memra.
In de Targoems — de Aramese vertalingen van de Thora die in de synagoge werden voorgelezen omdat het volk geen Hebreeuws meer verstond — staat op tientallen plaatsen waar het Hebreeuws simpelweg “de Heer” heeft: de Memra van de Heer. Het Woord van de Heer. De Memra van de Heer was met Abraham. De Memra van de Heer sprak tot Mozes. In den beginne schiep de Memra van de Heer. Wie in de eerste eeuw in een Galilese synagoge zat, hoorde elke sabbat over de Memra — Gods aanwezigheid als handelend woord, God zoals Hij bij mensen is en dingen doet.
Geleerden zijn het er niet over eens of Johannes zijn logos rechtstreeks uit de Memra heeft. Wat vaststaat is dit: de Joodse lezer van de proloog hoorde iets wat de Griekse lezer niet hoorde. De Griek hoorde: de samenhang, het beginsel, de rede. De Jood hoorde: het Woord waarmee God bij ons is en handelt. Het ene is een idee. Het andere is een aanwezigheid.
En dan de laatste laag, de laag die alleen in het Hebreeuws bestaat en die mij niet meer loslaat.
Vlees is in het Hebreeuws basar: bet, sin, resj. En het woord voor goede tijding, voor het brengen van nieuws, voor wat wij evangelie zijn gaan noemen, is besora. Bet, sin, resj. Dezelfde drie letters. Wie in de Bijbel een boodschap brengt, mevasser, is letterlijk iemand die “vleest”. Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, zegt Jesaja — mevasser, de brenger van besora. En de rabbijnen hebben zich afgevraagd waarom vlees en tijding dezelfde letters hebben, en de mystiek geeft het antwoord dat Johannes al had gegeven: omdat een boodschap pas boodschap is als zij vlees wordt. Zolang ze woord blijft, is ze informatie. Zodra ze vlees wordt, is ze nieuws.
Het Woord is vlees geworden betekent, in de letters van de taal waarin Jezus dacht: het Woord is boodschap geworden. Het Woord is nieuws geworden. Niet omdat er iets over gezegd werd. Omdat het gebeurde.
Vier woorden. Drie talen. Vier lagen die in elkaar zitten als ringen.
De buitenste: logos. Het Griekse woord voor samenhang, rede, het beginsel dat de wereld ordent. Waarheid als wat klopt. Wie hier blijft staan, heeft Pilatus’ vraag: wat is het?
De tweede: davar. Het Hebreeuwse woord dat tegelijk ding en gebeurtenis is, en dat tot een mens geschiedt. Waarheid als wat plaatsvindt. Hier zit egeneto, en hier zit vers 17.
De derde: memra. Het Aramese woord van de synagoge voor God zoals Hij handelend bij mensen aanwezig is. Waarheid als wie er is.
En de kern: basar dat besora wordt. Vlees dat boodschap is. De laag die de filosofie niet kende en waar de proloog naartoe schrijft in veertien verzen: dat het woord pas nieuws wordt als het een lichaam heeft.
Pilatus kende de buitenste ring. Hij vroeg wat waarheid is, en dat is een goede Griekse vraag, en er is een goed Grieks antwoord op. Maar de man tegenover hem had net gezegd: hiertoe ben ik geboren en hiertoe in de wereld gekomen, om van de waarheid te getuigen. Geboren. Gekomen. Getuigen. Drie werkwoorden van gebeuren, en niet één van zijn. Pilatus vroeg naar een toestand. Voor hem stond een gebeurtenis.
Wat mijn praktijk laat zien.
Zij zit tegenover me en zegt: ik weet dat hij van me houdt.
Ze zegt het rustig, met de zekerheid van iemand die de feiten heeft nagekeken. Hij is er. Hij werkt hard. Hij is nooit vreemdgegaan. Hij zegt het ook, op verjaardagen, in kaartjes. Het klopt allemaal. Het is waar in de zin van Pilatus: er is een bewering, en de bewering komt overeen met de feiten.
En dan vraag ik: wanneer heb je het voor het laatst zien gebeuren?
Stilte. En dan het antwoord dat bijna altijd komt, in een of andere vorm: ik weet het niet meer. Het is waar, maar het gebeurt niet meer. Het is ēn geworden — een toestand, iets wat er altijd al is — en het is opgehouden egeneto te zijn, iets wat op een dinsdagavond plaatsvindt, in een blik, in een hand die blijft liggen, in een zin die niet op een kaartje staat.
Dat is het verschil waar Johannes zijn evangelie op bouwt, en ik zie het elke week. Een relatie kan volkomen waar zijn en niet meer gebeuren. Een geloof kan volkomen waar zijn en niet meer gebeuren. Een mens kan de waarheid over zichzelf tot in de puntjes kennen — zijn vader, zijn patroon, zijn angst — en er gebeurt niets, omdat hij haar heeft ontvangen zoals de wet: edothē, gegeven, in handen gelegd, iets wat je hebt.
Wat er dan moet gebeuren is niet meer inzicht. Het is basar. Het moet vlees worden. De man die weet dat hij afstand houdt, moet op een gegeven moment een stap naar voren zetten in een kamer waar dat iets kost. De vrouw die weet dat ze alles opvangt, moet een keer iets laten vallen en blijven zitten terwijl het valt. Dat is het moment waarop de waarheid ophoudt waar te zijn en begint te gebeuren — en het is bijna altijd onhandig, en bijna altijd lichamelijk, en bijna nooit het moment waarop iemand zich sterk voelt.
Wat ik dan zie, is besora. Nieuws. Iets wat er om drie uur nog niet was en om kwart over drie wel. Niet omdat er iets nieuws is gezegd; alles wat gezegd wordt was al bekend. Maar omdat het voor het eerst een lichaam had.
Ik vraag mensen daarom zelden meer of iets waar is. Ik vraag of het gebeurt. En als het antwoord is dat het waar is maar niet gebeurt, dan weten we allebei waar het werk zit.
De wet is door Mozes gegeven. De waarheid is door Jezus Christus geworden.
Johannes heeft het verschil in één werkwoord gelegd, en dat werkwoord is de reden dat hij geen leer schrijft maar scènes. Je kunt niet vertellen dat iets gebeurt; je kunt het alleen laten zien. Daarom zijn er bij hem geen gelijkenissen, geen samenvattingen, geen definitie van de waarheid na vijfenvijftig keer het woord. Er is een vrouw bij een put, een man in de nacht, een blinde die ziet, een rechter die vraagt en wegloopt. Het Woord dat ēn, schrijft hij in veertien verzen. Het Woord dat egeneto, in eenentwintig hoofdstukken.
Egeneto.
Centrale figuren in dit artikel:
Pilatus,
Mozes,
Jeremia,
Johannes de ooggetuige
Bijbelgedeelten:
Johannes 1:1-18 (proloog, ēn en egeneto);
Johannes 1:17 (de wet gegeven, de waarheid geworden);
Johannes 3:21 (de waarheid doen);
Johannes 6:63, 68 (rhēma);
Johannes 18:37-38 (Pilatus);
Genesis 1:3 (er zij licht);
Jeremia 1:2-4 (het woord geschiedde);
Jesaja 52:7 (de vreugdebode, mevasser);
1 Koningen 6:16 (het devir)

