Hoop te midden van vreemdelingschap
1 Petrus 1:13: Omgord daarom de lendenen van uw verstand, wees nuchter en hoop volkomen op de genade die u gebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus.
Waarom deze brief er is
De brief richt zich aan mensen in het noorden van Klein-Azië: Pontus, Galatië, Cappadocië, Asia en Bithynië. Petrus noemt ze in de eerste zin eklektoi parepidēmoi diasporas, uitverkoren vreemdelingen in de verstrooiing. Dat klinkt als een aanspreekvorm voor Joden, maar de brief zelf zegt iets anders. Ze zijn verlost van de zinloze levenswijze die hun vaderen hun hadden overgeleverd (1:18). Vroeger leefden ze in onwetendheid (1:14). Hun oude kennissen vinden het vreemd dat ze niet meer meedoen (4:4). Het gaat dus grotendeels om heidenen die christen zijn geworden.
Daar zit de pijn van de brief. Er is geen georganiseerde vervolging door Rome. Het lijden is sociaal en daardoor stiller. Ze worden belasterd en verdacht (2:12, 3:16). Ze hebben het netwerk verloren dat hun leven droeg: de familiecultus, de feesten van het gilde en de tafel waar de goden van de stad werden geëerd. Wie zich daaraan onttrekt, kiest niet voor een andere mening. Hij snijdt zichzelf los van zijn bloedlijn en zijn stad. Het verlies gaat over erbij horen, en dat is het oudste verlies dat een mens kent.
De brief zegt geschreven te zijn vanuit “Babylon” (5:13), wat Rome betekent, met hulp van Silvanus (5:12). Volgens de traditie schreef Petrus hem kort voor zijn dood onder Nero, rond 64. Veel onderzoekers dateren hem later en houden het op een leerling die in zijn naam schreef. Ik laat die vraag open. Wel zal blijken dat vers 13 een ander gewicht krijgt als het een man is die weet dat hij binnenkort zelf wordt omgord.
Waar de brief over gaat
Het thema is hoop te midden van vreemdelingschap. Petrus troost niet met de belofte dat ze er straks weer bij horen. Hij geeft hun een andere plek om bij te horen. Alles wat Israël was, legt hij op deze heidenen: een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk (2:9, Exodus 19:6). Mensen zonder geschiedenis krijgen een geschiedenis. Mensen die hun vaderen kwijt zijn, krijgen een afstamming.
De dragende woorden komen steeds terug: elpis (hoop), paroikia (bijwonen, verblijven als vreemdeling), pathēmata (lijden) en doxa (heerlijkheid). Lijden en heerlijkheid staan in deze brief nooit los van elkaar. Hij zet ze niet tegenover elkaar, en hij laat het ene ook niet op het andere volgen als een beloning. Ze horen in één beweging bij elkaar.
Wat hoofdstuk 1 doet
Het hoofdstuk begint met een berakha, een joodse lofzegging: “Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus” (1:3). Heidenen leren hier bidden in de vorm van de synagoge. Ze zijn wedergeboren tot een levende hoop. Er wacht een erfenis die niet vergaat. Hun geloof wordt beproefd zoals goud in het vuur. Ze hebben Hem niet gezien en toch hebben ze Hem lief. De profeten hebben dit onderzocht zonder het te bezitten. En in 1:12 staat dat zelfs de engelen ernaar verlangen om parakypsai, voorover te buigen en erin te kijken.
Datzelfde werkwoord gebruikt Lucas voor Petrus bij het lege graf (Lucas 24:12): hij boog voorover en zag de linnen doeken. Wie dit schrijft, heeft zelf voorovergebogen in een graf gekeken. Hij zegt nu dat de engelen in dezelfde houding staan tegenover wat deze vreemdelingen in Pontus ontvangen.
Dan volgt het tweede deel van het hoofdstuk (13–25). Wie dat naast elkaar legt, ziet dat Petrus de uittocht uit Egypte vertelt zonder het woord Egypte te gebruiken. Het besprenkelde bloed staat in 1:2 (Exodus 24). Het lam zonder gebrek en zonder smet staat in 1:19, en dat is het pesachlam. Het woord “verlost” (lytroō, 1:18) is het woord van de uitleiding. “Weest heilig, want Ik ben heilig” (1:16) komt uit Leviticus, van de voet van de Sinaï. De tijd van uw vreemdelingschap (1:17) is de woestijn. En precies op het scharnier, in vers 13, staat de omgorde lende.
Vers 13
“Omgordt daarom de lendenen van uw verstand, weest nuchter en hoopt volkomen op de genade die u gebracht wordt bij de openbaring van Jezus Christus.”
Het eerste wat opvalt is grammaticaal. Er staat maar één gebiedende wijs in het vers, en dat is elpisate: hoopt. Omgorden en nuchter zijn staan in deelwoorden. Ze geven de houding aan van waaruit gehoopt wordt, ze zijn niet zelf het bevel. Er is dus maar één opdracht: hoop. De rest beschrijft hoe een lichaam eruitziet dat hoopt.
Hoop als bevel. Kun je iemand opdragen te hopen? Het Hebreeuws heeft een antwoord dat het Grieks niet heeft. Tikva, hoop, komt van qavah: spannen, wachten, gedraaid zijn als een koord. Kav is een meetsnoer. In Jozua 2 hangt Rahab een tikvat chut hashani uit het raam, een scharlakenrood koord, letterlijk een “hoop van rode draad”. Hoop is in die taal iets wat je vastmaakt en strak trekt. Zo bekeken zijn de omgorde lende en het hopen één beeld. Je bindt je denken op met een koord, en dat koord is de hoop.
=> De lendenen. Osphys staat in de Septuaginta voor het Hebreeuwse motnayim, de heupen. Het is een tweevoudsvorm, zoals ogen en handen. De lende is de plaats van kracht (“omgord als een man uw lendenen”, zegt God tegen Job voordat Hij uit de storm spreekt, Job 38:3) en de plaats waar het nageslacht vandaan komt (“koningen zullen uit uw lendenen voortkomen”, Genesis 35:11). Kracht en voortbrengen zitten op dezelfde plek in het lijf. Petrus zet het denken, dianoia, het doordenken en het overwegen, op die plek. Het denken krijgt daarmee een lijf. Het wordt de plek waar je kracht vandaan haalt en waaruit iets geboren wordt.
Een lang gewaad dat los hangt, sleept en struikelt. Je kunt er niet in rennen, niet in werken en niet in vechten. Wie het opbindt, zegt met zijn lichaam dat hij gaat bewegen. Een denken dat los hangt, blijft haken aan alles: aan de laster van de buren, aan het verlies van de vaderen, aan de vraag of dit het allemaal waard was. Een opgebonden denken kan lopen.
Pesachnacht is daarbij de grondlaag: “Zo zult gij het eten: uw lendenen omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand; en gij zult het haastig eten — het is het Pascha des Heren” (Exodus 12:11). Petrus geeft mensen die nooit een seder hebben gevierd de houding van die nacht. Ze eten staand. Ze blijven niet.
Daarnaast ligt Jezus’ eigen woord: “Laat uw lendenen omgord zijn en uw lampen brandende” (Lucas 12:35), over knechten die op hun heer wachten tot hij terugkomt van de bruiloft. Het is Petrus die dan vraagt: “Heer, zegt Gij deze gelijkenis tot ons?”
Dan het verhaal van Petrus zelf. Het lijkt wel helemaal over omgorden te gaan. In Johannes 13 omgordt Jezus zich met een linnen doek en knielt voor Petrus, die zich verzet. In Johannes 21:7 hoort Petrus dat het de Heer is, omgordt zijn bovenkleed en springt in het water. En direct daarna zegt Jezus: “Toen gij jonger waart, omgorddet gij uzelf en gingt waar gij wildet; maar wanneer gij oud zult zijn, zult gij uw handen uitstrekken en een ander zal u omgorden en brengen waar gij niet wilt” (21:18). Johannes voegt eraan toe dat dit sloeg op de dood waarmee hij God zou verheerlijken.
Als het Petrus is die schrijft, kort voor Rome hem omgordt, dan verandert het woord van karakter. “Omgord uzelf” komt dan van iemand die weet hoe het voelt om omgord te worden door een ander. De gegorde lende is dan meer dan gereedheid om te vluchten of te rennen. Het is ook gereedheid om geleid te worden.
=> Nuchter. Nēphō betekent niet beneveld zijn, niet dronken. Het werkwoord komt drie keer voor in deze korte brief: hier, in 4:7 en in 5:8: “Weest nuchter en waakt; uw tegenstander, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw.” Petrus kent het brullen. Hij heeft in een binnenplaats bij een vuur gestaan en drie keer gezegd dat hij die mens niet kende. Hij was niet dronken van wijn. Hij was dronken van angst. Een lichaam vol angst heeft geen denken meer, alleen reflex, en reflex liegt als het zichzelf moet redden. Ik weet niet of het drievoud van nēphō bewust is. Ik laat het liggen zoals het ligt.
Wat ik wel zie: de nuchterheid die hij vraagt, is geen koelte en geen beheersing. Het is de toestand waarin je in een vijandige omgeving een denken overhoudt. Hij vraagt het aan mensen die belasterd worden en hun familie zijn kwijtgeraakt. Dat zijn precies de omstandigheden waarin een mens overspoeld raakt.
=> Volkomen. Teleiōs staat tussen “nuchter” en “hoopt” en kan bij allebei horen. Is het volkomen nuchter of volkomen hopen? De grammatica beslist het niet. Misschien hoeft dat ook niet. Een hoop die maar half is, houdt een deur open naar de oude tafel. Een nuchterheid die maar half is, laat de angst weer binnen.
=> De genade die gebracht wordt. Hier ligt de laag die me het meest raakt. Pheromenēn is een deelwoord in de tegenwoordige tijd en de lijdende vorm: de genade die nu naar u toe gedragen wordt. De vertalingen schuiven het vaak naar de toekomst, maar het Grieks zegt dat het al onderweg is. In 1:10 spraken de profeten over “de genade die voor u bestemd was”. Die genade is dus al sinds de profeten op weg, zoals de stroming in een rivier.
=> En dan en apokalypsei, in de openbaring, de ontsluiering. Ontsluieren veronderstelt dat er al iets is, alleen bedekt. Twee verzen eerder (1:8) staat: “Hem hebt gij lief zonder Hem gezien te hebben.” Hij is er dus wel, maar gesluierd. De hoop richt zich niet op iets wat nog afwezig is. Ze richt zich op het wegvallen van de sluier van iets wat er al is en wat al aan het dragen is.
Dan krijgt het hele vers een andere spanning. Het gaat niet om wachten tot er eindelijk iets komt. Je hebt jezelf opgebonden, staande, met de staf in de hand, en wat je verwacht draagt je al. De vreemdeling die zijn familie en zijn stad kwijt is, staat in een stroom die ouder is dan zijn vaderen.
Wat hier openblijft, is de vraag hoe dat voelt op een dinsdag in Cappadocië, als de buurman je groet niet meer beantwoordt. Petrus belooft niet dat het ophoudt. Hij zegt dat je het denken kunt opbinden en dat het koord dat je daarvoor gebruikt al aan de andere kant vastzit. Of dat genoeg is, zegt het vers niet.
Exodus 12:11 is het beeld waar Petrus op leunt. Toch is het interessanter om te kijken waar het niet samenvalt, want daar zit wat hij met die oude nacht doet.
In Egypte was het omgorden letterlijk: een kleed opgebonden om te kunnen lopen, omdat er die nacht werkelijk vertrokken werd. Er was een grens en een woestijn aan de andere kant. De lezers in Pontus en Cappadocië vertrekken niet. Ze blijven in dezelfde stad, in hetzelfde huis, naast dezelfde buren die hun groet niet meer beantwoorden. Hun uittocht heeft geen route. Daarom staat er de lendenen van uw verstand. De beweging die bij Israël door het lichaam ging, gaat bij hen door het denken, terwijl het lichaam blijft waar het is. Je kunt vertrokken zijn zonder te reizen. Dat is misschien moeilijker dan Egypte, want in Egypte kwam er een moment dat de Schelfzee achter je lag. In Pontus blijft Egypte gewoon de straat waar je woont.
Dan de haast. Exodus 12:11 zegt bechippazon, in haast, met de nervositeit van mensen die elk moment weg kunnen moeten. De Misjna maakt daar een onderscheid dat ik veelzeggend vind (Pesachim 9:5). Het Pesach van Egypte werd in haast gegeten, in één nacht. Het Pesach van de generaties daarna kent die haast niet meer. Het omgorden en de staf in de hand horen bij die ene nacht. Latere geslachten vieren aanliggend, als vrije mensen.
Petrus haalt dus de houding van die ene nacht terug en maakt haar blijvend: de hele tijd van hun vreemdelingschap (1:17) is pesachnacht. Hij laat er wel de haast uit. Waar Exodus bechippazon zegt, zegt hij nēphontes, nuchter. Gereed zijn zonder opgejaagd te zijn.
Daarvoor bestaat in de Schrift zelf al een voorbeeld. Jesaja 52:12 beschrijft een tweede uittocht en zet die bewust tegen de eerste af: “Niet in haast zult gij uitgaan, en niet al vluchtende zult gij gaan, want de HEER gaat voor u uit en de God van Israël sluit uw achterhoede.” Het is dezelfde wortel, chippazon, maar nu ontkend. De haast van Egypte kwam uit angst voor de vervolger achter je. In de tweede uittocht is die achterkant gedekt. Direct na dat vers, in 52:13, begint het lied van de lijdende Knecht. En juist uit Jesaja 53 citeert Petrus later uitvoerig: “Hij heeft geen zonde gedaan, noch werd er bedrog gevonden in zijn mond … door zijn striemen zijt gij genezen” (1 Petrus 2:22–24).
Petrus leest Exodus daarom door Jesaja heen. Zijn lezers staan omgord zoals in de eerste uittocht, maar ze gaan op de manier van de tweede: niet vluchtend, met Iemand voor zich en Iemand achter zich. Dat verklaart misschien waarom het enige bevel in vers 13 hoop is en geen haast. Wie vlucht, heeft geen hoop nodig, alleen benen. Wie moet blijven staan in een stad die hem niet meer wil, heeft het koord nodig.
Er blijft iets schuren. In Egypte was het bloed aan de deurpost en ging de dood voorbij. Bij deze lezers gaat het lijden niet voorbij. Het bloed van het lam (1:19) beschermt hen niet tegen de laster en het verlies. Wat het dan wel doet, beantwoordt dit vers niet. Petrus komt er in hoofdstuk 4 op terug, als hij zegt dat zij delen in het lijden van Christus.
