Identiteit en zelfbeeld in Hooglied
1. Zelfbeschrijving door de geliefde
In Hooglied 1:5-6 zegt de vrouw bijvoorbeeld:
“Ik ben donker, maar lieflijk, o dochters van Jeruzalem, zoals tenten van Kedar, zoals doeken van Salomo.”
Ze erkent haar eigen uiterlijk, achtergrond en schoonheid, ondanks dat ze ‘donker’ is, een uitspraak die destijds kon wijzen op sociale of culturele verschillen.
2. Bewondering en acceptatie van zichzelf
De geliefde prijst zichzelf met vertrouwen, zoals in hoofdstuk 4:1-7, waar haar lichaam wordt beschreven in rijke metaforen.
Dit wijst op zelfacceptatie en trots, zonder schaamte.
3. Wederzijdse erkenning
Niet alleen de vrouw, ook de man ziet zichzelf en zijn geliefde als uniek en waardevol (bijv. 5:10-16).
Ze bevestigen elkaars identiteit door liefdevolle complimenten.
Wat is de diepere betekenis?
| Aspect | Betekenis |
|---|---|
| Zelfbewustzijn | Het herkennen en erkennen van je eigen waarde en identiteit |
| Zelfacceptatie | Liefde begint met het omarmen van jezelf, inclusief imperfecties |
| Authenticiteit | Echt zijn in relatie, zonder masker of façade |
| Wederzijdse bevestiging | Identiteit wordt verdiept door erkenning van de ander |
| Sociaal-culturele trots | Erkenning van afkomst en achtergrond als onderdeel van jezelf |
Hooglied toont hoe belangrijk het is om jezelf te kennen, te waarderen en lief te hebben. Dit vormt de basis voor een gezonde relatie waarin wederzijds respect en liefde kunnen groeien. Het benadrukt authenticiteit en het durven tonen van je ware zelf.
Identiteit en zelfbeeld
Drie keer vragen anderen wie zij is. Mi zot. Wie is zij die opkomt uit de woestijn? Wie is zij die neerkijkt als de dageraad? Wie is zij die opkomt uit de woestijn, leunend op haar geliefde? En geen enkele keer antwoordt zij. De vraag naar haar identiteit wordt van buitenaf gesteld, in de derde persoon, en zij geeft er nooit rechtstreeks antwoord op. Haar antwoorden staan ergens anders. Ze staan in de zinnen die met ani beginnen. Ik.
Als je die zinnen achter elkaar zet, krijg je een zelfportret dat groeit. Het begint met: shechorah ani venavah. Zwart ben ik, en mooi. Meteen daarna maakt ze het kleiner: kijk niet naar mij, she’ani shecharchoret. Shecharchoret is een verkleinvorm met een verdubbeling, iets als: zwartig, een beetje zwart. Ze zegt eerst iets groots over zichzelf en neemt het in dezelfde adem terug. Wie zichzelf heeft leren zien door de ogen van broers die kwaad waren, durft haar eigen zelfbeeld niet vol uit te spreken.
Dan:ani chavatselet haSharon, ik ben een krokus van de Saron. Een veldbloem. Klein, gewoon. Dan: ik ben ziek van liefde. Nu is haar identiteit een toestand. Ze is wat ze voelt. Dan: Ik ben van hem. Nu is haar identiteit een relatie. Dan: ik slaap. Ik stond op. Haar identiteit is een beweging. Dan weer: ik ben van mijn geliefde. En tot slot: ik ben een muur.
Wie deze reeks volgt, ziet een vrouw die van zichzelf eerst een eigenschap zegt die ze meteen verkleint, dan een bescheiden beeld, dan een gevoel, dan een verbinding, dan een handeling, en ten slotte een vorm. Ik ben een muur. Het is de eerste keer dat ze zichzelf een beeld geeft dat staat. Geen bloem die verwelkt, geen ziekte die overgaat, geen slaap waaruit je wakker wordt. Een muur, met torens.
En direct daarna: toen was ik in zijn ogen. Haar zelfbeeld eindigt in zijn blik. Is dat een terugval, een vrouw die zichzelf pas kent door de ogen van een man? Ik denk het niet, en de volgorde laat zien waarom. Eerst zegt ze wie ze is. Ik ben een muur. Pas daarna is ze iets in zijn ogen. Wat in zijn ogen verschijnt, is wat zij zelf al heeft uitgesproken. Hij bevestigt wat er al staat.
Dat is het omgekeerde van hoe een zelfbeeld in het begin van een leven ontstaat. Een baby weet niet wie hij is. Hij ziet zichzelf voor het eerst in het gezicht van zijn moeder. Als dat gezicht oplicht wanneer hij kijkt, leert hij: ik ben iemand die vreugde brengt. Als dat gezicht afwezig is, of boos, of angstig, leert hij iets anders over zichzelf, lang voordat hij woorden heeft. Het eerste zelfbeeld is een spiegelbeeld. We zijn eerst wat we zien in de ogen van een ander.
Het Hooglied begint daar ook. Kijk niet naar mij, want de zon heeft naar mij gekeken. Haar eerste ik is een ik dat bekeken is, en niet vriendelijk. De hele weg door het boek is een weg van dat bekeken ik naar een ik dat zichzelf kan uitspreken, en dat daarna pas weer in de ogen van een ander mag verschijnen. De volgorde is omgedraaid. Eerst zeg ik wie ik ben, dan zie jij mij.
Er is iets wat ze van zichzelf nooit zegt. Ze noemt hem mooi, yafeh, in het eerste hoofdstuk al. Zij wordt tientallen keren mooi genoemd door hem, door de koninginnen, door de dochters. Zelf zegt ze het maar één keer, helemaal aan het begin, navah, en direct gevolgd door een verkleining. Dat blijft open. Misschien hoeft ze het niet meer te zeggen, omdat ze een muur is geworden. Misschien is het iets wat een mens nooit helemaal over zichzelf kan uitspreken, en alleen kan ontvangen.
En haar naam zegt ze nooit. Ze heeft geen naam in het boek, alleen een herkomst, Shulammit, en die wordt haar toegeroepen. Ze zegt ani, ik, elf keer of meer. Maar wie ik is, blijft zonder naam. Misschien is dat de eerlijkste identiteit die een mens kan hebben: een ik dat zich uitspreekt, dat groeit, dat van zwartig naar muur gaat, en dat toch geen naam nodig heeft om te bestaan. Op de vraag mi zot, wie is zij, geeft het boek geen antwoord. Het geeft haar stem.
