In de nacht komen (Nicodemus)
Over de vraag “hoe kan dat”, de wind die je hoort, en de honderd pond die iemand meedraagt die nooit heeft gezegd dat hij het geloofde
Hij belt me niet op kantoor. Hij mailt van een privéadres, ’s avonds laat, en vraagt of de gesprekken buiten de agenda kunnen. Hij is directeur, hij zit in besturen, mensen kennen zijn gezicht. Niemand hoeft te weten dat hij hier zit.
Ik heb daar lang iets van gevonden. Dat het laf was, of halfslachtig. Tot ik zag wat er gebeurt als hij eenmaal zit, met zijn jas nog aan, in de avond: hij stelt de vraag die hij overdag nergens kan stellen. Niet omdat hij haar overdag niet heeft. Omdat hij overdag de man is die de antwoorden geeft.
Nicodemus komt in de nacht. Johannes zegt het niet één keer, hij zegt het drie keer, in drie hoofdstukken, alsof hij wil dat je het niet vergeet: deze kwam tot hem in de nacht (3:2), die eerder in de nacht tot hem gekomen was (7:50), die eerst in de nacht tot hem gekomen was (19:39). Het is zijn naam geworden. Nicodemus van de nacht.
Hij is een Farizeeër en een archōn, een overste, lid van de raad. Een van de mensen die het overdag voor het zeggen hebben. En hij begint zoals mensen beginnen die het voor het zeggen hebben: met wat ze weten. Rabbi, wij weten dat u als leraar van God gekomen bent, want niemand kan deze tekenen doen tenzij God met hem is.
Wij weten. Oidamen. Meervoud. Hij komt alleen, in het donker, en spreekt namens een groep. Hij komt niet als Nicodemus, hij komt als de raad die na sluitingstijd nog even langskomt. En zijn openingszin is geen vraag; het is een taxatie. Wij hebben u bekeken en wij hebben vastgesteld dat u van God komt, want de tekenen kloppen.
Jezus antwoordt niet op de taxatie. Hij slaat haar over alsof ze niet is uitgesproken en zegt: tenzij iemand van boven geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet zien.
Zien. Niet: binnengaan, dat komt later. Zien. Het werkwoord van deze hele reeks. Je kunt het niet zien tenzij je opnieuw geboren wordt. Wat Nicodemus dus zojuist deed, wij hebben gezien en vastgesteld, kon hij niet, en Jezus zegt hem waarom: er is een geboorte nodig, en die heeft nog niet plaatsgevonden.
Het Griekse woord is anōthen, en het betekent twee dingen tegelijk: van boven, en opnieuw. Johannes gebruikt graag woorden die twee kanten op kunnen, en hij laat zijn personages meestal de verkeerde kant kiezen. Nicodemus kiest opnieuw. Hij hoort: nog een keer. En hij antwoordt met de enige geboorte die hij kent.
Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Kan hij soms een tweede keer in de schoot van zijn moeder ingaan en geboren worden?
Ik heb die zin vaak als dom gelezen, en ze is niet dom. Het is de zin van een man die letterlijk denkt omdat letterlijk het enige is wat hij heeft. Hij is de leraar van Israël. Zijn hele leven is tekst, en tekst betekent wat er staat. Geboren worden betekent uit een moeder komen. Dus als er opnieuw geboren moet worden, moet er terug naar de moeder. Hij ziet het voor zich. Hij ziet een oude man, en een schoot, en hij ziet dat het niet kan.
En let op het woord dat hij gebruikt. Pōs dynatai. Hoe kan. Nathanaël zei het ook: dynatai ti agathon, kan er iets goeds. En Nicodemus zegt het twee keer in één gesprek: hoe kan een mens geboren worden (3:4), en hoe kan dit gebeuren (3:9). Hij is de man van de hoe-kan-vraag. De vraag naar het mechanisme.
Dat is de vraag die ik het vaakst hoor van mensen die het voor het zeggen hebben. Hoe werkt dat dan. Hoe kan een opstelling iets veranderen aan een familie waarvan de helft dood is. Hoe kan het dat ik mijn vader in mijn zoon zie. Hoe kan ik anders zijn dan ik ben. Het klinkt als een vraag en het is een muur. Zolang ik niet weet hoe het kan, hoef ik niet te komen. De hoe-vraag is de nacht waarin je kunt blijven zitten met je jas aan.
En ik heb jaren geprobeerd de hoe-vraag te beantwoorden. Ik legde het uit. Systemisch, neurobiologisch, netjes. En hij knikte, en er gebeurde niets, want ik had hem een antwoord gegeven op de vraag die hem beschermde.
Jezus beantwoordt de hoe-vraag niet. Hij zegt iets over water en Geest, en dan komt de zin die het antwoord is op elke hoe-vraag die ooit is gesteld:
De wind waait waarheen hij wil, en je hoort zijn geluid, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Zo is ieder die uit de Geest geboren is.
In het Grieks is dat één woord, pneuma: wind en geest en adem. In het Hebreeuws ook: roeach. Nicodemus hoort de zin in een taal waarin wind en geest niet uit elkaar te halen zijn, en de zin zegt: je hoort het. Je weet niet hoe. Dat is geen tekort aan kennis dat nog moet worden aangevuld. Dat is de aard van de zaak.
Er is precies één ding dat elke mens is overkomen zonder dat hij wist hoe, en dat is zijn eigen geboorte. Niemand heeft zichzelf geboren. Niemand weet hoe hij het heeft gedaan. Het is je overkomen, van buiten, van boven als je wilt, en je was er zonder dat je er iets voor had begrepen. Jezus neemt het enige woord dat Nicodemus onmogelijk met “hoe kan” kan beantwoorden, omdat hij het zelf al heeft ondergaan zonder hoe.
Wat de leraar van Israël niet weet, is dus niet een feit. Het is dat er iets is wat je niet kunt weten voordat het gebeurt, en dat het daarna gebeurd is, en dat je het dan weet zoals je weet dat je leeft: niet als mechanisme, maar als dat je er bent.
Nu de nacht, want ik heb haar te makkelijk gelezen.
Bij Johannes is de nacht de plek waar je niet gezien wordt. Judas gaat naar buiten om hem te verraden en het was nacht (13:30). De vissers vangen de hele nacht niets (21:3). Wie ’s nachts loopt, struikelt (11:10). En tegen het einde van dit gesprek, in 3:19-20, staat de zin die de nacht van Nicodemus verklaart: het licht is in de wereld gekomen, en de mensen hadden de duisternis liever dan het licht, want hun werken waren boos. Ieder die het kwade doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan het licht komen.
Komt niet tot het licht. Nicodemus kwam wel. Maar in de nacht. Hij is de man ertussenin: hij kwam, en hij kwam op het uur waarop niemand hem zag komen.
Ik dacht lang dat dat het verwijt was. Maar ik heb in mijn praktijk geleerd dat de nacht ook iets anders is. Overdag is hij archōn. Overdag draagt hij de raad, de positie, het gezicht dat mensen kennen. Overdag kan hij de vraag niet stellen, omdat overdag de vraag niet van hem is maar van zijn functie. In de nacht is hij een man in een jas. In de nacht kan hij vragen: hoe kan dat.
De nacht is niet alleen de plek waar je niet gezien wordt. Het is ook de enige plek waar sommige mensen kunnen komen. En Jezus stuurt hem niet weg. Hij zegt niet: kom overdag terug. Hij praat met hem, in het donker, en geeft hem de langste toespraak tot dan toe in dit evangelie. Voor de man met de hoe-vraag, ’s nachts, met zijn jas aan.
En dan het lichaam, want de schoot van de moeder is niet zomaar een misverstand.
Wat Nicodemus zegt, als je het niet als domheid leest, is dit: als ik opnieuw moet beginnen, wil ik terug. Terug naar voor alles begon. Naar de plek waar ik nog niets hoefde te weten en niets hoefde te zijn. Dat is de beweging die ik in elk lichaam zie dat aan het einde van zijn kennis is gekomen: het wil terug. Naar de moeder, naar het oude huis, naar de tijd voor de scheiding, naar hoe het was. Terug is de enige richting die het verstand kent als vooruit niet meer kan.
En Jezus zegt: niet terug. Van boven. Anōthen betekende de hele tijd het andere. Je hoeft niet terug in de schoot, je kunt niet terug in de schoot, en dat hoeft ook niet, want wat er moet gebeuren komt niet uit het verleden maar van ergens waar je nog niet geweest bent. Dat is precies wat een mens niet kan geloven op het moment dat hij het het hardst nodig heeft. Als het oude niet meer werkt, wil hij het oude terug. Dat het nieuwe van een kant komt die hij niet kent, is de ene mogelijkheid die hij niet in overweging neemt, omdat hij niet weet hoe dat kan.
Wat Johannes dan met Nicodemus doet, is het mooiste van de hele reeks, en het gebeurt buiten dit hoofdstuk.
In hoofdstuk 7 wil de raad Jezus grijpen, en Nicodemus zegt één zin: oordeelt onze wet een mens voordat ze hem gehoord heeft en weet wat hij doet? Geen belijdenis. Een procedurele opmerking. De leraar van Israël doet het enige wat hij overdag kan: hij houdt de wet aan de wet. En ze snauwen hem af: ben jij soms ook uit Galilea? Dat is de nacht die overdag begint te lekken.
En dan hoofdstuk 19. Jezus is dood. Jozef van Arimathea vraagt het lichaam. En ook Nicodemus kwam, die eerst in de nacht tot hem gekomen was, en bracht een mengsel van mirre en aloë, ongeveer honderd pond.
Honderd pond. Ruim dertig kilo specerijen. Dat is geen begrafenis, dat is een koningsbegrafenis. Hij draagt het zelf, overdag, in het zicht van de stad, naar het lichaam van een geëxecuteerde. De man die ’s nachts kwam om te vragen hoe het kon, sjouwt bij daglicht dertig kilo naar een graf.
En nergens, in het hele evangelie, staat dat Nicodemus geloofde. Niet in hoofdstuk 3, niet in 7, niet in 19. Hij zegt het nooit. Johannes laat hem geen belijdenis afleggen, geen Zoon van God, geen mijn Heer en mijn God. Hij laat hem alleen iets dragen.
Dat is het antwoord op de hoe-vraag, en het staat al in hoofdstuk 3, in de laatste zin van het gesprek dat hij ’s nachts voerde: wie de waarheid doet, komt tot het licht. Doet. Niet begrijpt, niet belijdt. Nicodemus heeft nooit begrepen hoe het kan. Hij is het gaan doen, in de enige vorm die hij kende: gewicht dragen naar een graf. En daarmee kwam hij, overdag, tot het licht, zonder dat hij ooit heeft gezegd dat hij het zag.
Wat kun je hiermee.
Je kunt je hoe-vraag herkennen als de jas die je aanhoudt. Hoe kan een gesprek met mijn vader iets veranderen aan veertig jaar. Hoe kan ik nog een ander mens worden op mijn leeftijd. De vraag is oprecht en zij is een muur, en je hoeft haar niet te beantwoorden om te kunnen komen. Nicodemus kreeg geen antwoord en kwam toch.
Je mag in de nacht komen. Als de enige manier waarop je kunt vragen wat je wilt vragen, buiten de agenda is, buiten je functie, buiten het zicht van wie je overdag bent, dan is dat de manier. Johannes veroordeelt de nacht van Nicodemus niet. Hij noemt haar drie keer, en laat haar drie keer verder lekken in de dag.
Je kunt ophouden terug te willen. Als alles wat je weet niet meer werkt, wil het lichaam naar de schoot. Het wil naar hoe het was. En het nieuwe komt niet van daar. Je hoeft niet te weten waar het vandaan komt; je hoort het, zegt de tekst, en dat is genoeg om te weten dat het waait.
En je hoeft nooit te zeggen dat je het gelooft. Dat is misschien het meest bevrijdende van deze man. Hij heeft nooit een belijdenis afgelegd. Hij heeft dertig kilo gedragen. Voor de mens die niet weet hoe het kan, is er een weg naar het licht die niet door het begrijpen gaat en niet door het uitspreken. Ze gaat door het doen van iets wat te zwaar is voor iemand die het niet meent.
Of Nicodemus het koninkrijk heeft gezien, zegt Johannes niet. Hij laat hem staan bij een graf, met zijn armen vol, bij daglicht.
Centrale figuren in dit artikel:
Nicodemus, de directeur die buiten de agenda komt,
Jozef van Arimathea
Bijbelgedeelten:
Johannes 3:1-21 (in de nacht; wij weten; van boven geboren; de schoot van de moeder; de wind waait; wie de waarheid doet komt tot het licht);
Johannes 7:50-52 (oordeelt onze wet een mens voor ze hem gehoord heeft);
Johannes 19:38-42 (honderd pond mirre en aloë, bij daglicht);
Johannes 13:30 (en het was nacht);
Johannes 11:9-10 (wie in de nacht loopt, struikelt);
Genesis 2:7 en
Ezechiël 37:9 (roeach, adem en wind)