Inleiding b: het hart dat wakker is
Dit artikel hoort bij: een mystieke reis door het Hooglied
Ik slaap, maar mijn hart is wakker. De zin staat in 5:2 en hij beschrijft een mens die in tweeeën ligt. Een deel is weg, een deel luistert. Wie ooit half wakker heeft gelegen met een naam in het hoofd, kent die toestand. Het lichaam rust, de waakzaamheid niet.
De oude joodse uitleg las dit vers vreemder dan ik had verwacht. Ik slaap: dat is Israël in ballingschap, afgesneden, verdoofd. Mijn hart is wakker: dat is de Heilige, gezegend is Hij, want Hij is het hart van Israël. Het hart dat wakker ligt, is dus niet van haar. Of preciezer: het is van haar en tegelijk niet van haar. In het midden van de slapende mens klopt iets dat de mens zelf niet is, en dat wakker blijft als zij het niet meer kan.
Lev, hart, is lamed-bet, 30 en 2, samen 32. De Tora begint met een bet, bereshit, en eindigt met een lamed, Israël. Van achteren naar voren gelezen omsluiten de eerste en de laatste letter van de Tora het woord hart. De kabbalisten spreken van tweeendertig paden van wijsheid waarlangs de wereld geschapen is. Het hart is dan de plek waar al die paden samenkomen, en het is precies die plek die wakker blijft terwijl de rest slaapt.
Dat opent iets in hoe ik het zoeken in dit boek lees. De vrouw zoekt de geliefde buiten, in de straten en op de pleinen. Maar het vers zegt dat hij al binnen wakker is. De ontmoeting die buiten steeds mislukt, heeft binnen al plaatsgevonden, alleen sliep zij toen.
Het lijkt nu alsof alles al binnen is en het buiten er niet toe doet. Het boek laat dat niet toe. De geliefde klopt echt aan een echte deur, met echte handen die druipen van mirre. Het binnen heeft het buiten nodig om wakker te worden. Wat in het hart waakt, moet aan de deur kloppen om gehoord te worden.
Volg je hoe de vrouw over de verbondenheid spreekt, dan zie je dat de zin drie keer terugkomt, en dat hij steeds anders gebouwd is. In 2:16 zegt ze dodi li va’ani lo: mijn geliefde is van mij, en ik ben van hem. Zij begint bij wat zij heeft. In 6:3 draait ze het om: ani ledodi vedodi li, ik ben van mijn geliefde, en mijn geliefde is van mij. Nu begint ze bij wat zij geeft. En in 7:11 laat ze het tweede deel los: ani ledodi ve’alai teshukato. Ik ben van mijn geliefde, en naar mij gaat zijn verlangen. Ze zegt niet meer dat hij van haar is. Ze weet dat hij naar haar verlangt, en dat is genoeg.
Daar zit de hele weg van het boek in drie zinnen. Van bezitten, naar toebehoren, naar weten dat je gewild wordt zonder te hoeven vasthouden. Elke keer dat de geliefde verdwijnt, verliest zij iets van het eerste deel van de zin. Het terugtrekken van de ander haalt het bezit uit haar liefde.
Het woord dat zij in 7:11 gebruikt, teshukah, staat maar drie keer in Tenach. De eerste keer in Genesis 3:16, tegen de vrouw: naar je man gaat je verlangen uit, en hij zal over je heersen. De tweede keer een hoofdstuk verder, tegen Kaïn: de zonde ligt aan de deur, naar jou gaat haar verlangen uit, en jij moet over haar heersen. Twee keer staat verlangen in één zin met mashal, heersen. In het Hooglied staat het woord voor de derde keer, en de zin houdt op waar in Genesis het heersen begint. Ook de richting is gekeerd: het verlangen gaat nu van hem naar haar.
Bij Kaïn ligt wat verlangt aan de deur, lapetach. In 5:2 staat de geliefde aan de deur en zegt pitchi li, doe mij open. Het is dezelfde wortel. Wat buiten Eden bij de opening ligt te loeren, klopt hier aan en wacht. De midrasj telt vier verlangens in de Schrift en leest dit ene als het verlangen van de Heilige naar Israël. Dan zegt zij in 7:11 dat het hart dat in haar waakt, naar haar verlangt. Of het Hooglied daarmee Eden herstelt, of alleen laat zien hoe verlangen eruitziet wanneer niemand heerst, weet ik niet.
Wie in relaties werkt, kent de dans waarin de een nadert en de ander terugwijkt. Meestal verdeelt een paar de rollen: één draagt het verlangen naar nabijheid, de ander het verlangen naar ruimte, en ze houden elkaar in die rollen vast. Hoe meer zij zoekt, hoe meer hij ontwijkt; hoe meer hij ontwijkt, hoe harder zij zoekt. Het patroon is vaak ouder dan de relatie. Het werd geleerd bij een ouder die te dichtbij kwam of te ver weg bleef, en het lichaam herhaalt wat het toen moest doen om te overleven.
In het Hooglied zijn die rollen niet vast verdeeld. Zij zoekt, maar zij houdt ook de deur dicht. Hij klopt, maar hij verdwijnt ook. Aan het eind zendt zij hem weg. Allebei dragen ze de toenadering én de terugtrekking. Daarom loopt het patroon niet vast. Het ademt.
Daaronder ligt iets wat de mystiek tsimtsum noemde: de terugtrekking waarmee God ruimte maakte voor de wereld. Zonder die inkrimping zou er niets anders kunnen bestaan dan God. Liefde die nooit terugtreedt, laat de ander geen plek om te bestaan. Het terugwijken van de geliefde is dan de ruimte waarin zij zelf kan ontstaan, als iemand die zoekt, die opstaat, die de straat op gaat. In zijn afwezigheid wordt zij iemand.
In de vrijgemaakte ruimte bleef volgens de joodse mystiek iets achter: reshimu, de indruk van het licht dat zich terugtrok, zoals geur in een kruik blijft hangen wanneer de olie eruit is.
De tekst heeft er een beeld voor. Hij steekt zijn hand door de opening, zij staat op, en wanneer zij de grendel aanraakt druipen haar handen van mirre. Dan doet zij open en is hij weg, chamak avar. Het vers zegt niet of de mirre van hem is en op het slot achterbleef, of van haar. Ze zit op de plek waar zijn hand was, en aan haar vingers.
Het wakkere hart van 5:2 is dan zo’n indruk. Wat zich buiten terugtrekt, laat binnen iets achter dat niet slaapt. Aan het eind van het boek vraagt zij zelf om zo’n indruk te zijn: leg mij als een zegel op je hart. Zijn indruk in haar hart, de hare op het zijne.
Ik durf niet te zeggen dat het ik en het jij in dit boek oplossen. Het blijven er twee, tot het laatste vers. Maar het hart dat in haar wakker ligt, is ook het zijne. Waar dat hart precies begint en eindigt, laat de tekst open.
